Bekijk het origineel

Marnix.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Marnix.

8 minuten leestijd

De heer Dr, G. Tjalma zond ons zijn proefschrift, dat ten titel voert: Philips, Marnix van St. Aldegonde, historisch' dogmatische studie.

Op zich zelf zijn we met deze studie zeer ingenomen, omdat ze weer een nieuwe bijdrage toevoegt aan die vele onderzoekingen, die op het terrein der Calvinistische historie de laatste jaren, onder Prof. Acquoys inspiratiën, té Leiden werden ingesteld.

Ook Marnix was in die historie hoofdpersoon, en zoo kan men den jongen Doctor niet anders dan dankbaar zijn, dat ook hij op eenige punten onze kennis van Marnix kwam verrijken en zuiveren.

Om dit goede zien we voorbij wat in het plan van het werk mishaagt.

Doel van den Schrijver is blijkens p. 3 Marnix s> te geven en te teekenen naar de in ruimeren zin, theologische zijde."

De toeleg is dus, om Marnix van zijn theologische zijde te leeren kennen. Nu niet als staatsman, niet als jurist, niet als literator, maar in zoover ook hij theoloog was, en zich op theologisch gebied of over theologische quaestiën uitliet.

Doch daaraan beantwoordt de titel niet. > Historisch dogmatische studie" is heel iets anders, dan een studie over Marnix als theoloog.

Deze min heldere opvatting is er tevens schuld aan, dat de geachte Schrijver ons noch in zijn voorbericht noch in zijn inleiding het plan van zijn boek toelicht.

Hij behandelt; i". den Beeldenstorm, 2". de Londensche gemeente, 3°. de opleiding van catechumenen, 4*'. Zuid-Nederland, 5". de Geestdrijvers, 6". de Bijbelvertaling 7°, het Avondmaal en 8". Dogmatisch Overzicht.

Is nu deze coördinatie zonder nadere toelichting genoegzaam doorzichtig, en ware het niet wenschelijk geweest, dat de Schrijver ons duidelijk had gemaakt, wat in dit alles de éénheid van gedachte is, waarom hij deze onderwerpen en gecne andere koos, en waarom hij ze in die volgorde behandelde?

Zooals nu de behandelde stof voor ons ligt, maakt ze te veel den indruk van een allegaartje, zonder genoegzame vastheid van plan.

Al geven we toch de mogelijkheid toe, dat de Schrijver die vastheid van plan voor zichzelven zeer wel bezat, hij had er dunkt ons, zijn lezers deelgenoot van moeten maken.

Vooral bij een proefschrift methode meê. telt ook de

Doch deze opmerking daargelaten, danken we den Schrijver voor wat hij ons biedt, en vooral voor den moed, waarmee hij allerlei bedenkelijke uitlatingen van Marnix af keurt.

Vooral bij een leek-theoloog lag het voor de hand, dat de gekozen uitdrukkingen vaak minder juist en nauwkeurig zouden zijn; en het is eisch van goede historische critiek dat duidelijk te doen uitkomen, ook al had de voor de hand liggende verontschuldiging, dat Marnix al bezocht hij Leuven en Geneve, toch leek in het vak bleef, iets sterker kunnen uitkomen.

Toch versta men dit niet zoo, alsof Marnix ook niet theologische studie had gemaakt. Integendeel. Hij bezat én zekere theologische voorbereiding én hield zich voortdurend van het theologisch leven op de hoogte, gelijk o. m. blijken kan uit deze goede wenken die hij voor de uitlegging der Schrift geeft, en die Dr. Tjalma op p. 235 v.v. aldus saam vat:

Om de Schrift recht te verstaan, zal men het volgende in acht nemen:

1. Het is noodig tot de Schrift te gaan, niet om eene te voren opgevatte meening te verdedigen, maar als blank papier, opdat de Geest Gods Zijn woord en waarheid in onze harten schrijve, hierin alle wijzen dezer wereld te boven gaande, dat het Woord alleen al onze wijsheid zij '). Anders blijft de Schrift »met zeven zegelen gesloten".

2. Wij moeten de H. S. niet betreden met longewasschene voeten", maar God bidden door onzen Middelaar, Jezus Christus, om de voorlichting des H. G.

3. Doel van onderzoek mag niet zijn de zucht om geleerd of scherpzinnig te schijnen, maar enkel Gods eere en de stichting des naasten. Ook den kansel verlage men niet tot eene schouwplaats van bij bel vastheid en taalkunde. Vooral mag men de getuigenissen der H. S. niet vermengen met aanhalingen uit heidensche schrijvers. Paulus deed dat nooit dan voor heidenen. Ofschoon de H. G. zich daarvan eene enkele maal bedient, en ook uit apocryphe boeken aanhaalt, staat het ons nog niet vrij. Anders zouden wij ook de-allegorieën eindeloos mogen vermeerderen. Wij hebben een richtsnoer, en weten niet, door welken geest wij gedreven worden, Aan de waardigheid van Gods Woord doe men niet te kort.

4. Alle profetie en leering moet op Christus geduid worden, als het einde der Wet ^). De zedewet bestaat in enkel liefde tot God en den naaste; deze liefde is anders niet dan eene schildering van het evenbeeld Christus Jezus, in wien zij zoo volkomen bestaat, dat men met recht mag zeggen dat Christus zelf de liefde is, en wederom, dat de rechte liefde Christus is. De ceremonieele Wet wijst ons ook niets anders aan dan Christus, buiten wien de ceremoniën niets dan jpronkerij end apenspel" zouden geweest zijn.

5. Men zal Christus niet deelen, noch in zijnen persoon, noch in zijn ambt *), door aan den mensch, ter verkrijging van gerechtigheid, een deel van het werk over te dragen,

6*. Noodig is ook, in Christus vast en geworteld te blijven *), om de Schrift niet te verdraaien tot eigen verderf •'),

7", Alle schriftuurplaatsen zal men uitleggen naar de gelijkmatigheid des geloofs ^). Elke verklaring behoort overeen te komen met al de Geloofsartikelen, Wat daar tegen strijdt, houde men voor verdacht''). De zware twist over de Sacramenten zou daardoor beslecht kunnen worden. Insgelijks leert ons geloof, dat Christus ons van den Vader «geworden is wijsheid, gerechtigheid, heiligmaking en verlossing." Al wat daar tegen eenigszins strijdt, en aan het schepsel eenig deel van onze wijsheid, gerechtigheid, heiligmaking of verlossing toekent, moet als den geloove ongelijkmatig verworpen worden,

8", Alles zal men, overeenkomstig den raad van Augustinus, uiileggen naar de gelijkmatigheid der liefde.

9". Niet aan cénen tekst zal men zich vastklemmen ten koste van anderen, maar het eene woord met behulp van het andere verklaren, en daarbij alle vooringenomenheid aangaande personen, hoe geleerd ook, ter zijde stellen.

10". Men zal eene verklaring noch aanvaarden noch toepassen dan voor het eigen doel, dat door den tekst wordt beoogd.

ri". Op personen, tijden, plaatsen, spreker en hoorder met beider gezindheid en doen zal men acht geven,

12 o. Op het einde en doel zal men letten, vooral bij de Wet en het Evangelie, opdat men niet b. V, uit de Wet besluite tot het vermogen van den mensch,

13". Vooral zal men goed onderscheiden tusschen oorzaak en gevolg. Anders richt men veel verwarring aan, zooals de Roomschen b. v. doen, die uit de woorden van Jezus lOt de zondares in het huis van Simon besluiten, dat hare zonden haar werden vergeven als gevolg van hare liefde, terwijl Jezus het tegendeel wil duidelijk maken '). 14". De teekenen stelle men niet in de plaats der beteekende zaak, noch make ook de beteekende zaak tot teeken,

rs». Men wachte zich zorgvuldig voor allegorie, en de allegorieën der Schrift trekke men niet verder dan de Geest zelf heeft gewild. Over taal-en spreekwijzen zou daaraan nog veel zijn toe te voegen, maar velen hebben reeds daarover geschreven en daar geldt bovendien hetzelfde als voor alle geschriften.

Al dierit het toegegeven, dat deze wenken methodisch niet juist op elkander volgen, noch ook volledig zijn, toch verdienen ze nog steeds de aandacht, ook van hen, die zich voorstellen, dat tekst na tekst citeeren vaster bewijsgrond geeft, dan het vragen naar de beginselen der Schrift, gelijk die vastliggen in wat Marnix noemt: sde gelijkmatigheid des geloofs", d.i. de analogia fidei, wat juist hetzelfde is wat wij thans met de »beginselen der Schrift" uitdrukken.

Dit laatste ook aan de broederen te BedÖm,

') Psal. 119, v. 98, 99, 100.

=} Osee 2, I. Mat. 2, 15. Psal. 89, 33, Psalm 8, Heb. 2, 6. Psalm 23 ende 69. Ps. 41, 10, Ps. 45, 10. Ps. 19, 38 ende 89 ende iio, v. i, 6 ende 16, 10. Ps. 35, 69 ende 109.

'j Colos. 4, 6.

*) Colos. 2, 7.

») 2 Pet. 3, 16, 17-

") Rom. 12, 6.

f) T. a. p., blz. 217. Maronier, a. w., biz. 239, wijst er op, dat Marnix hier »eene redeneering in oenen cirkel" houdt, door eerst de Geloofsartikelen op de Schrift te doen steunen en nu weer de uitlegging der Schrift aan de Geloofsartikelen te binden. Marnix beroept zich echter hier op de Geloofsartikelen, als bij de Roomsche, Luthersche en Gereformeerde Kerk in confesso, enkel om het geschil over het Avondmaal te beslechten. Trans-en Consubstantiatie beide zijn met de Geloofsartikelen in strijd. Daarna gaat Marnix onverwijld op de Schrift terug, en neemt als hoofdsom van het geloof, de aangehaalde woorden uit i Gor. i, v. 30, 31.

") Gedoeld wordt op Lucas VII:47a. Tot juister verklaring zou hebben geleid, indien Marnix dit voorbeeld onder 11". had opgenomen. Wat hij betoogt ligt in vs. 47b. opgesloten, op Simon zelven betrekking hebbende, en in vs. 48, tot haar zelve gezegd. Zie Dr. H. F. Kohlbrüggé, Je2us mid die Sünderin, drie Predigten über Evang. Luk. 7 vs. 36-50, EIberf. 18775 S. 18 ff., 25 ff.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 juni 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Marnix.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 juni 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken