Bekijk het origineel

Van be gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van be gemeene Gratie.

18 minuten leestijd

XXXVII. g

Is er niet, indien gij weldoet, verhooging ? En zoo gij niet weldoet, de zonde ligt aan de deur. Zijne begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heerschen. Gen. 4; 7.

Over de ernstige beteekenis van het stuk historie, dat tusschea het paradijs en den Ararat, of wil men tusschea Adam en Noach ligt, bestaat alzoo geen verschil. In dat lange tijdperk van zestien eeuwen was een minder deel van gemeene gratie aan ons menschelijk geslacht geschonken, dan thans. Gevolg hiervan was, dat de ontwikkeling der zonde vattx onbeteugeld Aoor^va^. Daaruit werd allengs een zoo verwilderde toestand voor de samenleving der menschen geboren, dat niets dan uitroeiing van heel dit geslacht, om alleen het ééne en éénige gezin dat nog weerstand bood, te redden, als uitweg overbleef. Aldus is toen proefondervindelijk gebleken, op wat zei/vernieling de verdorvenheid onzer natuur uitloopt, indien niet van alle zijden de genade mildelijk toevloeit, om haar doodelijke werking te stuiten. En die meerdere genade, die mildere gratie, nu is het, die tia den Zondvloed naar ons is uitgegaan, en het zegel van die meerdere genade is het eigen kenmerk van het Noacliitisch Verbond. Hieraan behoeft dan ook geen woord te worden toegevoegd.

Maar wat wel nog uw aandacht vergt, is de nauwkeuriger beschouwing van den toestand, waarin ons geslacht tusschen het paradijs en den Ararat verkeerd heeft, en wat er reeds onder het nog voortduren van dien eersten toestand, van de werking der gemeene gratie merkbaar werd. Schaarsch mogen de berichten zijn, die Gen. 4, 5 en 6 ons daarover mededeelen, toch laten ze ons niet geheel verlegen, en wat ze ons weten doen, is in hooge mate belangrijk.

Op welk cijfer men de vermenigvuldiging van het menschelijk geslacht ten dage van den Zondvloed stellen moet, is zelfs bij benadering niet op te geven. Gaat men enkel te rade met een vruchtbaarheid, die empirisch denkbaar is, dan overdrijft men stellig niet, door zich verdubbeling van het aantal aanwezige personen in elk halve eeuw te denken. Soms bleek die vruchtbaarheid nog veel sterker te zijn, en de voorbeelden liggen voor het grijpen van huisgezinnen, die met man en vrouw, begonnen, na verloop van een halve eeuw, van twee op twaalf en meer personen waren gedijd, en in dien tusschentijd door het begin vaneen derde geslacht nogmaals het getal levende personen zich in dien kring hadden zien uitbreiden. Mag men nu aannemen, dat de oorspronkelijke lichaamskracht de onze te boven gmg, dat erfelijke ziekten nog niet veel bestonden, dat er ruimte op de aarde in overvloed was, en rekent men dan daarbij met het feit, dat de levensduur van den mensch over eeuwen ging, dan zou op zich zelf het vermoeden voor de hand liggen, dat de toeneming van de bevolking der aarde nog veel sneller zal gegaan zijn. — Vooral de toenmaals veel langer levensduur van den mensch komt hier inrekening. In tweeërlei opzicht. Bij ons moet ge altoos van het getal der geboorten het cijfer der sterfgevallen aftrekken, om eerst door die aftrekking te weten te komen, hoe groot de toeneming was. Bereikten nu in die eerste eeuwen de menschen in het gemeen zulk een leeftijd van eeuwen, dan zou hieruit volgen, dat in de eerste acht eeuwen geen aftrek voor sterfgevallen in aanmerking kwam. En in de tweede plaats rijst de vraag, of de periode van vruchtbaarheid, die na den Zondvloed, blijkens het verhaal omtrent Abraham en Sara, bij den man zoowel als bij de vrouw, op verre na de eeuw niet haalde, destijds niet over meerdere eeuwen aanhield. Let er nu op dat Jered Henoch kreeg, toen hij reeds een leeftijd van 162 jaar bereikt had; dat Methusalach 187 jaar oud is als hem Lamech geboren wordt; en dat Noach het levenslicht zag, toen zijn vader Lamech reeds 182 jaar was. Of hier nu telkens het eerst geboren kind v/ordt aangeduid, laten we in het midden. Er staat niets van, en het kan dus zijn, dat in deze geslachtslijst niet het eerst ger boren kind, maar het Idnd, dat feitelijk het patriarchaat erfde, wordt opgegeven. Doch in elk geval blijkt er uit, dat de patriarchen vóór den Zondvloed nog kinderen kregen op een leeftijd, die ons reeds tijdens Abrahams leven, door de Schrift zelve, (altoos buiten een wonder Gods) als geheel onvruchtbaar wordt voorgesteld. De mogelijkheid bestaat derhalve, dat deze patriarchen ook daarna nog kinderen hebben gekregen) ja, de bijvoeging der Schrift, na de vera z N melding van Lamechs geboorte in Methusalachs 187ste jaar, dat Methusalach nóg 782 jaren leefde en zonen en dochteren gewon, verheft dit bijna tot zekerheid. Thans strekt zich de vruchtbaarheid bij de vrouw over de helft van een hoog menschenlevcn uit, en bij den man over drie vierden hiervan. Naar dien maatstaf, zou Methusalach dus kinderen kunnen gegenereerd hebben tot in de zesde eeuw zijns levens. Op zichzelf was het dus zeer wel denkbaar, dat eenzelfde patriarch op zijn ouden dag een aantal kinderen om zich verzameld zag, dat bij tientallen telde. Voegt men nu die beide saam, het eeuwenlang uitblijven van sterfgevallen, en het vermoedelijk veel hooger cijfer van geboorten uit eenzelfde menschenpaar, dan wordt hierdoor ons vermoeden gesterkt, dat de verdubbeling van het aantal levende personen in een halve eeuw, eer veel te laag, dan te hoog is genomen.

Blijven we echter, zekerheidshalve, bij de verdubbeling in een halve eeuw, dan zou nochtans na verloop van tien eeuwen, dus niet zoo lang na Adams sterven, het menschelijk geslacht reeds tot één millioen personen kunnen zijn uitgegroeid. En rekent men van daar tot op Noach hier nog zes eeuwen bij, dan geeft dit, bij verviervoudiging in elke eeuw, reeds een cijfer tot uitkomst, dat de tegenwoordige bevolking der aarde verre te boven gaat.

Hierop afgaande zou men derhalve (ook al liet men bij de gestadige uitbreiding allengs het cijfer van toeneming dalen) tot de voorstelling geraken, dat ten dage van den Zondvloed de onderscheidene deelen der aarde vrij dicht bevolkt moeten geweest zijn, en dat dit op zich zelven kon, weerspreken we dan ook in het minst niet. Letten we daarentegen met eenige nauwkeurigheid op hetgeen de Schrift ons over den Zondvloed en hetgeen er aan voorafging meedeelt, dan is de vermoedelijke uitkomst waartoe we geraken, een geheel andere. Ons wordt toch in die verhalen zeer duidelijk de voorstelling gegeven, dat Noach het destijds levende menschdom, als we zoo zeggen mogen, overzien kon. Hij heeft in den naam des Heeren de toenmaals lovende menschheid gewaarschuwd, hij heeft hun het Evangelie der behoudenis gepredikt, en de Zondvloed is niet gekomen, dan nadat de aankondiging van het oordeel dat te komen stond de toen levenden bereikt had. Dit nu geeft niet de voorstelling van een toestand, die werelddeel bij werelddeel bevolkt doet zijn, maar veeleer van een samenleving, die zich niet bewoog buiten de grenzen van wat wij thans één volk of één land, van zeer matige afmeting, zouden noemen. Hier komt bij dat het geslacht van Seth met het geslacht van Kaïn blijkbaar eerst kort vóór den Zondvloed in nadere aanraking kwam. Eerst toen, zoo lezen we, begonnen ze onderlinge huwelijken te sluiten. Dit nu kan men zich niet anders voorstellen dan zóó, dat Kaïn, na Abels sterven, over een bergrug naar een geheel andere vallei getrokken was, zich daar heeft gevestigd en zijn geslacht uitgebreid had, en dat alzoo beide geslachten, elk aan een kant van zulk een gebergte eeuwenlang een afgezonderd leven hebben voortgezet, tot ten leste, bij uitbreiding van beider kring, de herders en herderinnen van beide zijden, almeer met elkander in aanraking kwamen, en zoo ten slotte de vermaagschapping begon. Is dit nu zoo, dan valt ook hieruit af te leiden, dat de bevolking der aarde in den tijd, die aan den Zondvloed voorafging, nog zoo gering was, dat ze slechts een betrekkelijk klein stuk van Midden en West-Azië bewoonde. En tot gelijke slotsom komt men indien men let op de volkomen ontstentenis vóór den Zondvloed van elke onderscheiding tusschen volk en volk, en van elke aanwijzing van koningen of opperhoofden, ja zelfs van elke vermelding van gevoerde oorlogen; »terwijl toch indien de bevolldng der aarde reeds honderden millioenen had beloopen, zulke indeelingen, aanstellingen van hoofden en onderlinge krijgen niet hadden kunnen uitblijven. — In plaats hiervan nu ontvangen we geheel den indruk, dat heel de bevolking nog als één groote familie saamleefde, en dat hun patriarchen, de ééne uit Seths en de ander uit Kaïns geslacht, aartsvaderlijk gezag uitoefenden. Van machtige staten ot van wereldveroveraars wordt nog niets vernomen. Het gaat alles nog huislijk toe, geheel naar den eisch der familieusantiën. En het is op deze gronden dat we meenen te mogen onderstellen, dat bij het opkomen van den Zondvloed de bevolking der ^arde nog betrekkelijk zeer gering is geweest, en niet als een verspreide massa, maar als een jbijeenlevende groep familiën moet gedacht worden.

Stelt men nu de vraag, waaraan zoo be­ trekkelijk beperkte toeneming van de bevolking der aarde bij zoo langen levensduur en bij zoo gunstige conditie, is toe te schrijven, dan geeft misschien het begin van Gen. 9 ons hiervoor een verklaring. Daar toch. zien we na den Zondvloed A& gemeene gratie tusschenbeide treden, om op drieërlei wijze het leven der menschen te beveiligen Er wordt toegezegd, dat de loop der natuui voortaan geregeld zal ommegaan, en da! alzoo de vernielende kracht der elementer zal worden getemperd. Er wordt uitgesproken, dat de verscheurende dieren niet zoc sterk zullen uitbreken, om den mensch te vernielen. En er wordt een ordinantie Gods uitgevaardigd, om het leven van den mensch tegen den mensch zelven op meer afdoende wijze te beschermen. Valt hieruit nu niet het vermoeden af te leiden, dat vóór den Zondvloed de veruteling van menschelijk leven door onaatuurlijken dood zeer, zeer sterk moet geweest zijn? En gaat men op deze gedachte in, zoodat we het ons hebben voor te stellen, 'dat de woede der elementen destijds veel grooter was, dat het verscheurend gedierte op vreeslijke wijze onder ons geslacht gewoed heeft, en dat de moord door Kaïn ingeleid onder on.s geslacht op gruwzame wijze is voortgegaan, dan ligt hierin de gereede verklaring, waarom het. geslacht in getalsterkte verre bleef onder het hooge cijfer dat het anders allicht bereikt had. Het geslacJit dat in den Zondvloed onderging was dus, ais we ons zoo mogen uitdrukken, overzienbaar; tot heel dat geslacht kon de prediking ter behoudenis uitgaan; en na den Zondvloed was het een ware verkwikking en een ongemeen groote genade, dat de woede der elementen onder vaste wet beteugeld werd, dat het wilde dier meer in toom werd gehouden, en dat moord van Godswege door den mensch met. den dood gestraft werd.

Zelfs mag rnen, tot op zekere hoogte, zeggen, dat Noach niet alleen heel het toenmaals levende geslacht nog bereiken kon; maar ook dar hij, hóe zwak ook zijn gezag erkend werd, het hoofd, de vorst, de koning van heel het toenmalige menschdom was. Dat er door de patriarchen vóór den Zondvloed zeker gezag werd uitgeoefend, spreekt vanzelf. In eiken levenskring valt er altoos te regelen, te oordeclcn, te straffen, en dat het gezag hiertoe eerst bij Adam als vader over zijn kinderen, en daarna als patriarch over zijn geslacht heeft berust, zal niemand in twijfel trekken. De eerste negen eeuwen zal dus dit gezag hém verbleven zijn, en bij Adams sterven zal het op Seth zijn overgegaan. Alzoo overgaande moet dan dit gezag ten leste bij Lamech, Noachs vader, zijn gekomen. Hij stierf vijf jaren vóór den Zondvloed, en die laatste vijf jaren moet Noach dus zelf met dit patriarchaal gezag bekleed zijn geweest; iets wat ook daarom waarschijnlijk is, wijl hetbooze geslacht hem anders allicht het bouwen van de arke belet had.

Naast dit patriarchaal gezag in Seths geslacht moet er echter een ander patriarchaal gezag in Kaïns familie hebben gegolden, zoodat metterdaad eeuwenlang twee groepen m.enschen, elk onder een eigen hoofd, en naar eigen usantie levende, naast elkander moeten bestaan hebben. Tot botsing gaf dit eerst aanleiding toen. beide geslachten zich door huwelijk vermaagschapten, en alzoo strijd tusschen en in de gezinnen over levensusantie en gezag ontstaan moest. In verband hiermede lezen ws dan ook, dat na die vermaagschapping Tide geweldigen opstonden, die vanouds geweest zijn inannett van «««; «". Hoe zwevend ook deze uitdrukking zijn moge, ze wijst toch duidelijk genoeg op familiehoofden, die weigerden langer het p.atriarchaal gezag van het geslachtshoofd te erkennen, en, zich aan geen hoöger autoriteit meer borende, eenvoudig met de sterke hand doorzett'en wat hun in den zin kwam. Stellig was dus reeds onder Lamech het partriarchaal gezag aanmerkelijk gedaald, en de vijf jaren vóór den Zondvloed, dat dit gezag bij Noach berustte, heeft het voor een goed deel stellig niet anders dan in naam bestaan.

Over de toenmalige voortschrijding van ons geslacht in algemeen raenscliclijke ontwikkeling geven twee andere feiten ons eenige kennis: ten eerste de uitvindingen van Lamechs drie zonen, en ten andere het bouwen van de Arke. Het eerste feit leert ons drie ontdekkingen of uitwudingen kennen, de bewerking van het ijzer, de vervaardiging van muziekinstrumenten en de gereedmaking van tenten voor bewoning. Natuurlijk heeft God dit alles den mensch geleerd. Elke uitvinding van aanbelang, die aanmerkelijke wijziging brengt in het leven der menschheid, is een uitvindi-ig die God aan den men.'ich in het ijart geeft. Het is een vonk van genie ^ ontstoken in den geest eens menschen, dié zich richt op een door God gewild doel; en reeds de voortschrijding die in deze drie uitvindingen lag, was metterdaad zeer groot. En nu trok het reeds van oude dagen de aandacht, dat God deze drie uitvindigen, waarin een sterke proeve van zijn gemeene gratie aan ons geslacht werd geschonken, niet in mannen uit Seths geslacht, maar in mannen uit het geslacht van Kaïn liet opkomen.

Óp zich zelf zouden we dit niet verwacht hebben. Wij zouden ons hebben voorgesteld, dat Kaïns, geslacht onder den vloek des Heeren aan zich zelven was overgelaten geweest, en dat de zegen, dien de gemeene gratie op allerlei wijs voor ons menschelijk geslacht aanbrengt, van Seths nakomelingen zou zijn uitgegaan. En toch juist het omgekeerde is het geval. Van zulke belangrijke en gewichtige uitvindingen leest ge bij Seths geslacht niets, en daarentegen vindt ge in één gezin uit Kaïns geslacht drie zonen, die elk een zoo gewichtige uitvinding aan hun naam verbinden. Jabal, Jubal en Tubal Kaïn staan onder de mannen, die door zulke uitvindingen ons menschelijk leven verrijkt hebben, bovenaan. Brengt men hiermede nu het niet te loochenen feit ia verband, dat ook in de verdere historie (ier menschheid, de ontwikkeling van de natuurlijke zijde van 's menschen leven meest niet van de vrome lieden, maar veel meer van de ongeloovigen is uitgegaan, dan blijkt hierin een ordonnantie openbaar te worden, die heel den gang der gemeene gratie behcerscht. Niet Israël heeft de ontwikkeling van kunsten en wetenschappen en bedrijven en am-bachten verder gebracht, maar wat de oudlieid in dit opzicht aan de Christennatiën ovcrieverde, is ons bijna uitsluitend toegekomen van de lïeidensche volken in Babylonic, Egypte, Perzië, Griekenland en Rome. En als straks in Europa zich een menschelijk leven, onder gedoopte natiën ontwikkelt, zijn het weer in den regel niet de mannen die hun leven aan den dienst des Heeren wijdden, maar veeleer de lieden die zijn dienst voorbijzagen, die op stoffelijk gebied het menschelijk leven verder brachten. Wat men in Salomo's dagen zag, dat wel het volk dat God vreest Hem een tempel wil bouwen, maar dat uit het Heidensche Phenicië een architect komen moet, om dat werk te voleinden, blijkt vaste regel . en ordinantie on het erf der gemeene gratie te zijn. Het is altoos weer de gescïiicdenis van Mozes. De man Gods gaat ter schole bij de wijzen van Egypte, en het is uit Egypte dat Israël de kennis van velerlei handwerk met zich brengt. Feiten waaruit 13 af te leiden, dat God de Heere, wel verre van de Heidensche volken en' de ongeloovige lieden buiten zijn bestel en buiten zijn wereldplan te plaatsen, veeleer juist dit van Hem afdolend geslacht gebruikt, om, waar het Hem niet dienen kan in zijn tempel en in zijn heiligdom. Hem te dienen en zijn raad te volbrengen op stoffelijk en natuurlijk gebied, opdat daarna ook de geslachten die Hem vreezen, van deze vondsten op natuurlijk gebied het profijt mochten hebben.

Dit laatste zien we bij het bouwen van de arke. Dat hiertoe hooger leiding onmisbaar was, ontkennen we in het minst niet. Scheepsbouw in grootere afmeting was uiteraard volslagen onbekend bij een geslacht dat op bergen en in valleien woonde, en hoogstens de riviervaart beoefende. Het bouwen van zulk een kolossaal schip als de arke was alzoo iets buitengewoons, en ongemeens, iets waarvan geen voorbeeld bestond. In zoover erkennen ook wij dus, dat het architectonisch genie voor het bouwen van de arke een buitengewone gave Gods moet geweest zijn. Maar ook al erkennen we dit, er blijkt dan toch tevens uit, dat het gewone ambacht destijds reeds een aanmerkelijke hoogte moet bereikt hebben, eö dat op dit terrein reeds vóór den Zondvloed zeer aanmerkelijke vorderingen door-óns geslacht moeten gemaakt zijn. Denkt men toch in, wat vaardigheid en geoefendheid in het bedrijf voor zulk een bouw vereischt werd, en tot wat betrekkelijke volkomenheid de instrumenten en gereedschappen voor de bewerking van het hout en ijzer reeds moesten gekomen zijn, dan verkrijgt men - waarlijk geen geringen indruk van hetgeen de gemeene gratie op dit terrein reeds destijds in ons geslacht ontwikkeld had. Die kennisse is natuurlijk in de arke meegegaan, en uit de arke onder het daarna komend geslacht overgeërfd, en in zooverre mag beweerd, dat de periode van vóór den Zondvloed ook voor de ontwikkeling van de m.enschheid, die daarna kwam, van hooge beteekenis is geweest.

Daarnaast, nu Ipopt een ander bestel Gods, dat m Seth, Enos, Henoch en No­ ach uitkomt. Onder Enos begon men den naam des Heeren aan te roepen, wat natuurlijk niet beteekent, dat Adam niet bad en Eva voor God niet knielde, maar aanduidt, dat eerst onder Enos een soort openbare eeredicnst van den Heere werd ingesteld. Dit nu greep natuurlijk niet plaats toen Adam nog leefde, maar eerst veel later, toen Enos aan het hoofd van ons geslacht als patriarch was komen tè staan. Alzoo omstreeks de tiende eeuw. Hoe deze eercdienst was ingericht weten we niet, maar uit het zeggen, dat tmen toen begon den naam des Heeren aan te roepen", valt af te leiden, dat er sprake is van een eeredienst waaraan destijds heel het geslacht van Seth deelnam. De hooge beteekenis van dit openlijk optreden der religie voor de ontwikkeling van ons geslacht stond misschien op dezelfde lijn met de beteekenis der uitvindingen van Lamechs drie zonen. Het is toch voor geen tegenspraak vatbaar, dat de openbare eeredienst op de vorming vaneen volk mnsschien even sterk inwerkt, als de gewichtigste uitvinding op stoffelijk gebied. En al ligt het nu in den aard der zaak, dat die oprichting van den openbaren eeredienst ook een meer rechtstreeksche bedoeling had voor de particuliere genade, toch mag niet ontkend dat er zich ook een gemeehe gratie in uitsprak, in zooverre ze niet enkel doelde op de uitverkorenen, maar op geheel het menschelijke leven in Seths geslacht een godsdienstig stempel drukte.

Henochs wegneming op een leeftijd van 365 jaar blijft een raadselachtig feit, waarvan de indruk destijds zeer sterk moet geweest zijn, Vï-ijl het ook als een geheel buitengewone gebeurtenis geboekstaafd wordt. Zijn vader en zijn zoon werden acht ecuwen en meer oud, en hij werd weggenomen op een leeftijd die nie: t aan de helft dezer eeuwen reikte. Ware dit nu aan een goddeloos man overkomen, zoo zou dit te verstaan zijn geweest. Maar nu, juist van Henoch wordt ons bericht, wat van geen anderen patriarch geboekt staat, dat hij wandelde met God, d. i. dat hij door was gedrongen tot Gods verborgen omgang en het raadsel cener heilige mystiek zich had zien ontsluieren. En zulk een man wordt nu weggenomen in het midden zijner jaren, op een wijze die ons wel niet nader toegelicht vïordt, maar die toch zoo moet zijn toegegaan, dat ieder wist: God heeft Henoch tot zich genomen. Die band met den hemel, dat voor het eerst zich afteekenen van de heilige mystiek, en dat openbaar worden van het mysterie, datjuist de vrome weggaat, hield natuurlijk een schat van leering in, die juist om het indrukwekkende van het feit niet meer kon verloren gaan. En voegt ge hier nu bij, hóe in Noach de profetie optrad, en de openbaring Gods die sinds het paradijs gezwegen had, haar stem weer onder ons geslacht deed hooren, dan springt het in het oog, hoe hier de particuliere genade zich aan de gemeene gratie aansluit, om voor een oogenblik in de Arke geheel ineen te vloeien.

En daartegenover staat dan de zedelijke en godsdienstige ontreddering van Kaïns geslacht, en, na de vereeniging, van heel de afvallige menschheid. Ge ziet dit aan den baldadigen en weliustigen Lamech, aan zijn verheerlijking van Kaïn, aan zijn onheilige huwelijken, aan de geweldige mannen van naam die opstonden, aan het spotten met Noach, aan het eten en drinken, het huwen en gehuwd worden, tot op den dag dat de Zondvloed kwam, — en ge ontwaart uit dit alles, hoe er wel gemeene gratie in die eeuwen ook op zede lijk gebied was uitgegaan, maar toch in zoo beperkte mate, dat er ook een loslating in school, een verharding en verstokking van het menschelijk hart.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 juni 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Van be gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 juni 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken