Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de gemeene Gratie.

18 minuten leestijd

XXXVIII.

Waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water; waarvan het tegenbeeld, de doop, ons nu ook behoudt. I Petr. 3: lob, 21a.

Zoo is • dan de Zondvloed ongetwijfeld een oordeel geweest, maar nochtans ook, ea minstens evenzeer een genadedaad, een betoon van heil, een gansch gewichtig stuk in geheel het bestel van Gods genieene gratie. Reeds is er in het voorgaande op gewezen, hoe de heilige apostel Petrus, den Zondvloed met den heiligen Doop vergelijkende, in beide een daad Gods ter behoudenis ziet, en het water, zoo van den Zondvloed als van den Doop, kenteekent als een water ter behoudenis. Al ontkent hij niet, dat er ook een oordeel in den Zondvloed school, toch is dit voor hem feitelijk geen ander oordeel dan voor ons in den Doop schuilt. Wie toch in het water des Doops afdaalde, bekende daarmede zijn zonde en aanvaardde het oordeel des doods, dat uit dien hoofde, voor die zonde, over hem gaan moest. Wie gedoopt wordt, wordt begraven, en in dat begraven worden, ligt de voleinding des doods, en die voleinding van den dood is het oordeel. Op deze beteekenis van den heiligen Doop wordt gemeenlijk minder gelet, maar de Schrift spreekt hier duidelijk, en ook de publieke taal der Gereformeerde kerken laat hier geen plaats voor twijfel. > 0f gij niet bekent, dat onze kinderen in zonde ontvangen en geboren en daarom allerlei ellende, ja der verdoemenis zelve onderworpen zijn." Gelijk in de dagen van den Zondvloed, de stroom der wateren de toen levenden bedolf en verzwolg, zoodat zij in dit watergraf begraven werden, zoo ook worden wij begraven in den Doop. Maar al moet aan deze oordeelende beteekenis van den Zondvloed streng vastgehouden, en al zou het zijn nut hebben, zoo op die oordeelende zijde van den Doop meer nadruk werd gelegd, toch laat de heilige apostel Petrus in zijn bekende uitspraak over Zondvloed en Doop, die oordeelende beteekenis guppen, om schier uitsluitend te wijzen op de behoudende strekking van beide, ia den Doop door particuliere genade, in den Zondvloed door gemeene gratie.

Hij zegt er m. a. w. ditvan: »Ia de dagen van Noach, toen deArke was toebereid, en de lankmoedigheid Gods niet door bekeering van het toen levend geslacht gevolgd was, zijn nochtans een klein aantal menschen behouden door het water, en in dit water van den Zondvloed lag als in een tegenbeeld afgeschaduwd een ander water, t. w. het water van den Jieiligen Doop, dat ons thans als middel ter behoudenis is geboden, gelijk toenmaals het water de Arke droeg en behouden op den Ararat liet neerkomen." Op dat eigenaardig karakter van het water, om beide tegelijk te kunnen doen, én te smoren in den dood én te redden ten leven, vestige men daarom wel zijn aandacht. Deze eigenschap is aan alle water eigen. Bij schipbreuk is het hetzelfde water, dat uw mond in wil dringen om u te dooden, en dat aan uw arm een punt van weerstand biedt, om u boveji te kunnen houden. Niets is daarom zoo geschikt, om ons in een beeld het karakter van de gemeene gratie uit te drukken, dat juist schier altijd daarin bestaat, dat deze genade in het oordeel inkomt en slechts een andere zijde van het oordeel vertoont. Schrikkelijk was het oordeel dat over ons menschelijk geslacht ging, toen, op acht personen na, heel de bundel takken en twijgen, die aan onzen stam waren uitgeschoten, als met één houw werden afgesneden, om slechts die enkele rijskens over te laten; maar tegelijk lag in dit oordeel de zedelijke redding van ons geslacht. Ware de boosheid blijven voortgaan zich op zoo gruwelijke wijze te ontwikkelen, als dit vóór den Zondvloed het geval was geweest, dan zou het beter deel der menschheid, dat nu reeds op ééa gezin geslonken was, zeer spoedig geheel door de goddelooze meerderheid verzwolgen, en alle hooger, edeler toekomst voor ons menschelijk geslacht afgesneden zijn. Na Noachs verscheiden stond het toch reeds Sem tegenover Cham, en Japheth halfslachtig tusschen beiden in. Wat zou het dan geweest zijn, indien de Zondvloed niet ware gekomen, en dus Cham heel de booze wereld achter zich had gehad, en Japheth ijlings weer ware verleid ? tiet afsnijden van de goddelooze meerderheid, om een edeler ontwikkeling van ons geslacht mogelijk te maken, was alzoo metterdaad een daad van behoudenis. Mits men er nu piaar op denkt, dat deze behoudenis niet uitsluitend daarin bestond, dat Noach met zijn vrouw, en zijn drie zonen met hun vrouwen, er het leven afbrachten, maar veeleer hierin, dat door het sparen en redden van dat ééne gezin de zedelijke behoudenis van heel ons geslacht mogelijk was geworden.

Petrus zelf wijst op die hoogere beteekenis door wat hij van den heiligen Doop zegt. Immers hij snijdt elk denkbeeld af, alsof men bij den Doop zich bepalen kon tot de uittvendige werking. Den Doop, zoo zegt hij, moet ge niet verstaan als een afwasschen van de onreinheid die aan het lichaam kleeft. Het is wel zoo, dat wie destijds in het badwater afklom en geheel onderdook, óók lichamelijk gereinigd werd. Maar dit is hier bijzaak. Het is hier middel, geen doel. Het eigenlijk doel ligt in de geestelijke strekkingervan, en die geestelijke strekking richt zich op de behoudenis van het geestelijk leven. Niet op een rein lichaam, maar op een goede consciëntie. Dat en dat alleen is het wat ge van den Doop vraagt, of van den Doop verwacht. En dat de Doop u dat brengt, komt niet door het water zelf, maar door de kracht die van Christus uitgaat, dank zij zijn opstanding. Welnu, geheel op dezelfde manier gaat het nu ook bij den Zondvloed door. Ook hier toch is het wel zoo, dat de arke die op de wateren dreef ia de eerste plaats lichamelijk redde, en Noach met de zijnen bij het leven behield. Maar toch, voor hem was dat niet de hoofdzaak, niet het eigenlijke wit, dat tot doel strekte. Dat eigenlijke doel lag in de redding van het hooger goed der menschheid (in de behoudenis van Gods kerke, in het standhouden van de mogelijkheid dat de Christus zou geboren worden, en in het open blijven van den weg tot heiliger levensontwikkeling van ons menschelijk geslacht. Voor het recht begrip der gemeene gratie is er dan ook bijna geen uitspraak der Heilige Schrift zoo gewichtig als dit woord van I Petrus 3 : 18—22. Wie dit kernachtig, zij het ook eenigszins gewrongen woord, terdege verstaan heeft, doorziet het karakter der gemeene gratie volkomen.

Het recht om bij de sgemeene gratie" ia letterlijken zin va.a gratie, é, 'i.vdL.a genade te spreken, treedt dan ook eerst bij den Zondvloed aan het licht. Ook na den val in het Paradijs werkte die gratie wel, maar ze bleef verscholen, We hooren oordeelen, en niets dan oordeelen uitspreken, en daarbenevens komt alleen de particuliere genade, die op Christus doelt, aan het woord. Om na den val de sgemeene gratie" te ontdekken, moesten we daarom achter het oordeel om zien, en vonden we die gratie in de feiten, in de beschikkingen, ia de ordinantiën Gods, maar altoos uitsluitend van den kant des oordeels opgevat. Het was genade dat|Eva bij het leven gespaard werd en moeder aller levenden zou worden, maar wat zij hoort en verneemt, zegt alleen dat ze met smarte baren zal. Juist dit echter wordt bij en na den Zondvloed anders. Hier toch is ook wel de taal des oordeels, maar even beslist wordt van meet af de gedachte der behoudenis uitgesproken, en na den Zondvloed is het zelfs of het oordeel geheel in de schaduw treedt, en alleen de gedachten van genade aan het woord komen. Als Noach met de zijnen uit de arke is gegaan, verneemt ge niets dan taal ter bemoediging en ter geruststelling. Hiertoe nu bestond aanleiding. Het feit toch, dat heel de bestaande samenleving der menschen verzwolgen eri verdwenen was, en dat Noach met zijn klein gezin daar plotseling eenzaam en verlaten op de uitgeledigde aarde stond, die nog al de teekenen der verwoesting vertoonde, en die de lijken van mensch en vee in gansch groote menigte droeg, moet voor Noach en de zijnen zoo onvergelijkelijk aangrijpend en hartverscheurend zijn geweest, dat ge het u zoudt kunnen voorstellen, zoo krankzinnigheid aller deel ware geworden. Zouden ze dus den levensmoed en de levensenergie terugkrijgen, om na die ontzettende gebeurtenissen een nieuw leven der menschheid te beginnen, dan was het noodig, dat hun God hen in genade opzocht, en hun wankelende .schreden op den pijnlijken weg ondersteunde. Daaraan beantwoordt de verschijning des Heeren na den Zondvloed dan ook geheel. Schier enkel woorden van bemoediging en vertroosting komen aan het geredde menschelijk geslacht toe, en de gemeene gratie werkt van deze ure af niet meer, gelijk ze reeds sinds eeuwen werkte, maar ze wordt thans ook uitgesproken, en als gratie, als genade geopenbaard.

Dit is natuurlijk geschied in eene Verbondsluiting.

Als God met zijn schepsel in een Verbond treedt, is zulks een daad van gunste, van neerbuigende goedheid, van genade. Genade nu voor den zondaar, is zonder Ver­ bondsluiting zelfs ondenkbaar, eenvoudig wijl alle grondbetrekking, alle principieele betrekking tusschen God en menschen, zelve op het Verbond der werken berust, uit dien hoofde alle zoude het karakter van Verbondbreuk draagt, en deswege geen herstel van betrekking mogelijk is, zoo niet een ander verbond voor het geschonden en verbroken verbond in de plaats treedt. Het is op dezen grond, dat onze latere godgeleerden het Genadeverbond, hoewel het eerst bij Abraham vernield staat, toch reeds van het Paradijs gedagteekend hebben. Particuliere genade zonder een Genad& verbond laat zich niet denken. En al is het, dat zelfs Calvijn nog pas bij Abrahams historie van het Genadeverbond gewag maakt, toch leert ook hij dat de kerk er geweest is van het Paradijs af, en natuurlijk een kerk zonder het Genadeverbond als fundament, leerde ook Calvijn niet. De nog altoos zoo diep betreurde Dr. Van den Bergh, heeft in zijn godgeleerd proefschrift, dan ook zeer terecht de meening weersproken, alsof het Genadeverbond, volgens Calvijn en de Calvinisten, eerst bij Abraham, incidenteel, tusschenbeide zou zijn getreden. Op dit punt zijn onze Gereformeerde denkers en tütleggers dan ook eenstemmig. Wat slechts betreurd kan worden is, dat zij, met een open oog voor de hooge beteekenis en den vroegen oorsprong van het Genadeverbond, te uitsluitend op het Verbond van zaligmakende genade hebben gelet, en te weinig aandacht schonken aan het Verbond van gemeene genade, dat nochtans in de Heilige Schrift zelfs het eerst genoemd wordt, breed optreedt nog eer het particuliere Genadeverbond klaarder uitkomt, en, zelfs in duidelijke trekken in Noachs geschiedenis staat geteekend, door het particuliere Genadeverbond ia de historie van Abraham.

Verbondsluiting is een daad van vriend­ w schap. Stond nu ons menschelijk geslacht, h in zijn door de zonde verdorvene natuur, v vijandig tegen God over, dan springt het z in het oog, hoe de sluiting van het Ver­ z bond na den Zondvloed, een niet rekenen W met die vijandschap is, een doen alsof de e mensch vriend in plaats van vijand ware, een M zich met den mensch verbinden tegen een w derde, d. i. tegen den Booze en het ver­ r derf dat hij over ons geslacht en onze wereld had gebracht en nog steeds bezig is te brengen. Houd u toch aan de eenvoudige, oorspronkelijke beteekenis der woorden, en l laat een term als die van Verbond, toch niet, zoodra hij in de Heilige Schrift voorkomt, een klank zonder zin voor u worden. Als Duitschland met Oostenrijk en Italië een verbond sluit, dan verstaat een ieder wat dit beteekent, en begrijpt men dat zulk een verbond ten doel heeft, om het gevaar dat van den kant van Frankrijk of Rusland dreigen mocht af te wenden. Dit nu is altoos de zin en beteekenis van een verbond. Men verbindt zich saam, om gevaren, die dreigen, af te wenden, teneinde een derde onheilspellende macht te weerstaan, en treedt om dit doel te bereiken in nauwe betrekking. Zien we dus na den Zondvloed God den Heere met den mensch in verbond treden, dan moet dit denkbeeld van verbond ook liier in gelijken zin worden opgevat, en wordt ons te verstaan gegeven, dat de mensch in gevaar verkeerde, dat dit gevaar dreigde van een kant die ook aan God vijandig is, en dat God nu met den mensch een verbond aangaat tegen de booze macht van Satan en Dood, van wie dat gevaar dreigt te komen. Zelfs moet ge niet den misslag begaan, om u dit verbond voor te stellen, als doelende alleen op onze redding. Door Satan werd volstrekt niet alleen ons heil, maar evenzoo de eere Gods bedreigd. Door ons menschelijk geslacht naar zijn beeld te scheppen, had God zelf nu eenmaal de eere zijns naams aan de gaafheid van ons geslacht verbonden. Ons geslacht kon niet ondergaan in zonde en dood, zonder dat Gods eere hierbij leed. Als we ons een oogenblik op menschelijke wijze mogen uitdrukken, zouden we daarom wel willen zeggen, dat niet alleen de mensch, maar ook God belang had bij het niet afsnijden van de toekomstige ontwikkeling van ons geslacht. Dat belang van Gods eere kon niet tegenover Satan verdedigd worden dan door den mensch. En zoo strekt het Verbond dat God met den mensch sluit, metterdaad, om het tweeledig belang, eenerzijds van de eere Gods en anderzijds van de redding van ons geslacht, tegenover Satan veilig te stellen. God verbindt zich daartoe aan ons geslacht, en Hij verbindt daartoe ons geslacht aan zich. Niet natuurlijk alsof de mensch zijnerzijds ook maar iets Gode kon toebrengen, maar juist opdat hij voor de eere Gods van beteekenis zou zijn, verwekte de Heere hem door zijn genade en schonk hem door ge­ nade de wapenen, om voor zijn eere te strijden. Feitelijk is de eere van Gods naam dan ook door de wolke der getuigen tegenover Satan gehandhaafd en verdedigd, ook al spreekt het vanzelf dat God hiertoe zijn getuigen bekwamen moest.

God vat alzoo in het Noachitisch Verbond heel ons geslacht en met ons geslacht heel deze aarde, geheel de natuur saam, om uit datzelfde wat Satau|zich als een instrument tegen God had verkoren, nu als een instrument voor zich te bereiden en tegen Satan te keeren. De zonde is daarom niet weggenomen, en de natuur des menschen blijft van zich zelve voor als na verdorven, en de werking van zonde en dood gaat rusteloos door, maar de opkomende, stuitende, verschuivende en uitstellende genade, die van het Paradijs af reeds gewerkt en ons geslacht in stand had gehouden, treedt nu voor aller oog, in den vorm van een Verbondsluiting aan het licht. Van dit oogenblik af werkt daarom de gemeene genade niet alleen, maar vfOxétzQ ook geproclameerd, & n de - regenboog staat in de wolken, om zoo dikwijls het licht der zon met de wolk van regendruppelen worstelt, te toonen, hoe het licht niet alleen door de wolken heenbreekt, maar zelfs die wolk aan zich dienstbaar maakt, om een eerst schuilend schoon te doen uitkomen. Gelijk het Verbond dan ook de vorm is waarin de gemeene ratie optreedt, zoo is de regenboog haar heilig symbool. Denkt ge u toch den regen, vooral gelijk hij in het oosten, maanden chtereen valt, als het verdonkerende element, dan ziet ge ia den regenboog, hoe e zon wel niet den regen verdrijft, maar en regen onder het nederdalen zich ten nstrument kiest, om er haar glansea op af e stralen, en ze ia rijker schoon als het eine licht vertoont, naar 's menschen oog te doen uitgaan. En juist ditzelfde is nu immers het wezen der gemeene gratie. De werking van zonde en dood worstelt tegen het licht in. En nu heft God die werking van zonde en dood niet op; veeleer gaan zijn oordeelen door; maar in die oordeelen zelf openbaart zich zijn gemeene gratie. Werkten dood ea zonde niet meer, dan kon er geen stuitende macht tegen inwerken. Maar juist om hun rusteloos doorwerken, werkt even rusteloos de gemeene gratie er reddend tegen in.

Geheel de voorstelling, die onder Roomschen invloed veld won, alsof het menSchelijk leven ea de wereld buiten de kerk buiten alle Verbondsgenade stond, en alsof eerst door de geïnstitueerde kerk zeker heilig beslag op ons menschelijk leven kon gelegd worden, moet uit dien hoofde verworpen worden. Zeer zeker, de wereld ligt in het booze, en heel de wereld is voor God verdoemelijk, maar dit heft het stellige feit niet op, dat God met dit ons zondig geslacht en met die verdorven wereld, ook afgezien van de persoonlijke zaliging der individuen, ten dage van den Zondvloed een verboad ia Noachs persoon heeft aangegaan, en dat dit verbond met Noach was en blijft een Verbond der genade. Niet eerst door de kerk ontstaat alzoo een reddendebetrekking tusschen God en de wereld; maar omgekeerd heeft God die wereld met heel ons geslacht, en zelfs met alle levend gedierte, reeds ten dage van den Zondvloed in genade aaogenomen, opdat ons geslacht op deze wereld een erv* zou kunnen aanbieden aan de kerke Gods. Dat er in de particuliere genade, en dus ook in het optreden der kerk, tevens een element ligt waardoor de gemeene gratie versterkt wordt, is onloochenbaar. De eenvoudige vergelijking van landen als Engeland en de Vereenigde .Staten met Borneo of Nieuw-Guinca, verheffen dit boven allen twijfel. Waar de kerk van Christus beslag op de geesten legt, en de publieke opinie beheerscht, is dit voor de ontwikkeling van de gemeene gratie alleszins bevorderlijk. Maar deswege mag niemand de orde der dingen omkeeren. Het Verbond met Noach is niet met de - kerk, maar met ons menschelijk geslacht en met de natuurlijke wereld gesloten, en dit Verbond blijft zijn werking oefenen ook in landen en bij volken waar de kerk van Christus nog zelfs niet gekend is.

Dat deze Verbondsluiting met Noach, en dit proclameeren van de gemeene gratie ia den regenboog, tevens gepaard ging met aanvankelijke wijziging in den feitelijken levenstoestand van het toenmalig geslacht, is in het begin van deze studie breedvoerig aangetoond. Naar die uiteenzetting wordt hier alzoo teruggewezen, onder de korte herinnering dat drieërlei verhouding tot stand kwam. Ten eerste, de gedaante van deze aarde onderging aanmerkelijke wijziging door en ouder den Vloed, en werd eerst na den Zondvloed in hoofdzaak wat ze thans is. Ten tweede, de mensch onderging een wijziging in zijn physieke kracht, blijkens het feit, dat zijn levensduur na den Zondvloed terstond sterk afnam, en al spoedig de lengte bereikte, die nu nog vaak bereikt wordt. En in de derde plaats maakt de zedelijke verwildering van vóór den Zondvloed plaats voor meerder ernst in de opvatting van het leven. Cham blijft een schadelijk element, maar overigens heerscht in het menschelijk geslacht, dat nu vernieuwd was, een hoogere levenstoon. Japheth slingert nog wel tusschen goed en kwaad door, maar toch, als het er op aankomt, kiest hij voor Sem en tegen Cham partij. In hoofdzaak brengt de periode na Noach dus een herhaling van hetgeen we in het Paradijs na den val vonden. Ook daar toch werkte de gemeene gratie ten eerste op de natuur, ten tweede op 's menschen lichamelijk, en in de derde plaats op zijn geestelijk leven. De Zondvloed sluit alzoo af het tijdperk, waarin een zwakkere doorwerking der gemeene gratie het verderf van het kwaad juist op het schriklijkst had doen uitkomen, en opent alsnu een geheel andere periode, waarin de gemeene gratie, zich sterker en machtiger ontplooiend, wel de verwildering van allerlei groepen in de menschheid niet afsnijdt, maar toch de edeler ontwikkeling van wat in ons menschelijk geslacht school éa op natuurlijk én op geestelijk gebied, Gode tot prijs, mogelijk maakte. Niet alsof de gemeene gratie van dat oogenblik af, tot nu toe, bleef, wat ze ten dage van den Zondvloed was. Integendeel, gelijk ons blijken zal, ligt in de spraakverwarring bij Babel, en zooveel meer nog allerlei nieuw element, waardoor de werking der gemeene gratie gewijzigd werd. Maar én die spraakverwarring bij Babel, én de roeping van Abraham, éa de keer die met Jezus' komst op aarde tot stand kwam, niet enkel op kerkelijk gebied, maar ook in de gemeene gratie, wijzigt wel de werking er van, maar verandert niet ten derden male het terrein ivaarop de gemeene gratie werkte. De andere, de lichamelijke gesteldheid van den mensch, en zija geestelijke dispositie zija twee malen gewijzigd, ten eerste onmiddellijk na den Val, en ten tweeden male door en na den Zondvloed, maar sinds die ure zijn alle deze dingen in hoofdzaak gebleven zooals ze bij den Zondvloed geworden zijn. In de aardkorst hebben nog wel verschuivingen en wijzigingen plaats gehad, maar niet de geheele gedaante des aardrijks is opnieuw veranderd. Lichamelijk is ons geslacht wel beurtehngs sterker en zwakker geworden, maar in hoofdzaak is zijn levensduur binnen de eeuw besloten gebleven. En ook de geestelijke dispositie bij menschen moge, naar tijden en streken, verschild hebben, maar toch ontwaren we heel de historie door, bij Assyriërs en Perzen, bij Egyptenaren en Phoeniciërs, bij Grieken en Romeinen, menschen van gelijke bewegingen en gelijke aspiratiën als we nu nog onder ons vinden. En zoo mag gezegd, dat ons menschelijk geslacht langs twee trappen van gemeene gratie is opgeklommen tot het niveau, waarop het thans nog leeft, en leven zal tot aan de wederkomst des Heeren. Er ligt ia dén Zondvloed een oordeel, maar er is ook in den Zondvloed opstanding van ons menschelijk geslacht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 juni 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 juni 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken