Bekijk het origineel

Ontbonding.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Ontbonding.

14 minuten leestijd

XVI.

Is de toestand eenmaal van dien aard geworden, dat de Overheid in het drankmisbruik een zoodanige nationale vergiftiging heeft te constateeren, dat de lichamelijke en geestelijke toekomst des volks, en daarmede de geheele toekomstige nationale ontwikkeling met ondergang bedreigd wordt, dan is naar ons oordeel de Overheid, desvereischt, bevoegd, om tot de strengste maatregelen, voorzoover zij kans ziet die uit te voeren, over te gaan.

We nemen dit zoo streng, dat volstrekt verbod van bereiding of verkoop van sterken drank o. i. desvereischt niet noodwendig zou zijn uitgesloten.

Waar zich soortgelijke landsgevaren ontwikkelen, geldt het Sahis republicae summa lex esto, d. w. z. Het levensbehoud van de natie gelde als hoogste wet.

Wat men wel geformuleerd heeft in de leuze : i Sluit Schiedam", zou uit dien hoofde volstrekt niet onder alle omstandigheden door ons veroordeeld worden. Integendeel, we kunnen ons toestanden denken, dat zulk een maatregel in ons oog, plichtmatig en geboden zou zijn.

Nog geldt als regel, dat de overgroote meerderheid der bevolking zoogoed als nooit sterken drank op de lippen neemt.

De bevolking onder de 15 jaar doet er niet noemenswaard aan mede, en ook van de overgroote meerderheid der vrouwelijke bevolking mag voor stellig drie vijfden gezegd, dat ze zoogoed als nooit sterken drank drinkt.

Of toch al op een feestdag, of bij een huislijke plechtigheid, in gezinnen waar men geen wijn betalen kan, sterke drank wordt gebruikt, dit is daarom nog volstrekt geen dagelijksch, geen gewoon gebruik.

En ook onder de volwassen manlijke bevolking is nog een zeer breede schare, die, ook zonder bij de Afschaffers te zijn aangesloten, toch zoogoed als nooit spin* tualia neemt.

Het ontzettende gebruik van sterken drank komt daarom ten laste van hoogstens één vierde van de bevolking, en juist dit maakt voor dit één vierde het misbruik zoo grof, zoo ruw, zoo onmenschelijk.

Is het toch niet wel tegen te spreken, dat er 'sjaars een 80 miUioen aan sterken drank ten onzent betaald wordt, dan blijft er, al zondert men hiervan 20 millioen af voor wat ge geen misbruik kunt heeten, toch nog 60 milüoen voor dat één vierde der bevolking over, wat neerkomt op ruim / 52 per jaar, per hoofd. Dit vertegenwoordigt f i per week.* En die / i per week staat gelijk met

dertig glazen sterken drank, zoodat men tot een verbruik van vier borrels per dag komt.

Rekent men nu, dat van dit ééne vierde der natie een zeer groot deel niet meer dan twee borrels per dag gebruikt, dan khmt voor het overige deel het cijfer op zes, zeven en acht borrels per dag, en hiermede is men dan volop in de ware drankzucht.

De vraag wanneer de Overheid tusschen beide moet treden, hangt af van die andere, of in den boezem der maatschappij al dan niet nog de noodige zedelijke kracht aanwezig blijkt te zijn, om den voortgang van het kwaad te stuiten.

Het geldt hier het al of niet doorzwikken van een balans.

Eenerzijds wordt er pressie op de natie uitgeoefend door het alcoholisme, en anderzijds reageeren hiertegen zedelijke factoren van allerlei aard.

Hieruit ontstaat een worsteling.

Deze worsteling wordt met niet altijd gelijke kansen voortgezet.

De eene maal ziet men dat het alcoholisme terrein verliest, de andere maal dat het terrein wint.

Blijkt nu uit de statistieke gegevens, dat de zedelijke factoren nog sterk genoeg zijn, om den voortgang van het kwaad te stuiten, dan doet de Overheid beter, zoo zij er zich buiten houdt.

Wordt toch een kwaad door zedelijke veerkracht overwonnen, dan is de triomf veel rijker in goede gevolgen.

Bleek daarentegen, dat de zedelijke factoren de worsteling niet konden volhouden, maar verloren in kracht, en dat dientengevolge het kwaad voortwoekerde, doorgaande aan terrein won, en steeds breeder volkskring vergiftigde, dan zou o.i. het oogenblik voor de Overheid gekomen zijn, om op, te treden, en zou zij dit zelfs niet te lang mogen uitstellen.

Immers wetten van dien aard zouden niet kunnen tot stand komen, dan door medewerking van de Staten-Generaal, en die medewerking zou falen, bijaldien het alcoholisme breede kringen wist te bewerken, die tegen elke inperking van het drankgebruik in verzet kwamen.

Laat de Overheid het kwaad zoover gaan, dat zij geen meerderheid in de Staten-Generaal voor een afdoenden maatregel meer vinden kan, dan ware de nationale zaak verloren, en het kwaad niet meer te stuiten. Zij heeft dus het oogenblik voor haar optreden met juistheid te kiezen, en wordt daarbij bepaald door twee gegevens. Eenerzijds door de vraag, of de zedelijke factoren den strijd nog kunnen volhouden. Zoolang toch mag zij niet handelen. En anderzijds door de vraag, of zij nog kans ziet om de medewerking der Staten-Generaal te verkrijgen. Want bleek dit niet meer mo gelijk, zoo kwam zij te laat, en zou achter het net visschen.

Tot welken maatregel, de Overheid c. q., zou moeten overgaan, behoeft hier niet uitvoerig besproken te worden.

Men kan het systeem van local option volgen, d.w.z. bepalen, dat voor elke stad of dorp bij meederheid van stemmen zal wor den uitgemaakt, of de verkoop van sterken drank er geoorloofd zal zijn. Een stelsel waar veel voor is te zeggen, maar dat tegen zich heefr, dat het niet baat, als in het dorp naast het uwe de kroeg wel open staat. Tegen eeu kleine wandeling zien de dronk aards niet op.

Men kan het stelsel van regie volgen. Dit bestaat hierin, dat de Overheid de fabricage en verkoop van sterken drank aan zich trekt. In verband hiermede den verkooptijd beperkt. In elke stad en in elk dorp slechts zeer weinig gelegenheid tot verkoop opent. Alle gelegenheid tot het zetten van gelagen door de inrichting der lokalen afsnijdt. En aan niemand meer verkoopt dan een zekere hoeveelheid in het etmaal.

Men kan de zaak medisch regelen. Den drankverkoop in de apotheek ouder dak brengen, en alleen veroorloven op medisch advies in medisch aangewezen hoeveelheid. Men kan ook allett verkoop verbieden.

De keuze tusschen deze verschillende stelsels wordt bepaald door de volkszeden, door de veerkracht van de regeering, door de ergheid van het kwaad.

Maar wanneer men zou meenen te moeten ingrijpen, en ïuelk stelsel men ook achtte te moeten toepassen, zeer stellig moet, zoodra er een nationale vergiftiging wordt geconstateerd, met den plicht der Overheid gerekend worden.

Uit het Jaarverslag van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag blijkt, dat heeren Directeuren bedacht zijn op een kleine wijziging in de regeling van het recht van Enquête.

Zij stellen namelijk voor, dat voortaan voorkomen zal worden, wat op Seinpost iets min gewenschts in het geding mengde, t, w. het plotseling op de vergadering zelve inbrengen van een verzoek tot instelling van een Commissie van enquête.

Hun komt voor, dat het raadzaam is, zulk een verzoek eenigen tijd van te voren bij heeren Directeuren te doea inzenden.

Dan weten heeren Directeuren wat er koende is, en ook degene, wien het aangaat, kan er vooruit van verwittigd worden.

Dit denkbeeld juichen we toe.

Kalmte en rustig beleid is bij zulke verwikkelingen ten zeerste gewenscht en voorkomt stellig menig woord, dat anders allicht onder de pressie van het oogenblik aan het geprikkeld gemoed ontsnapt.

Zoo deelen heeren Directeuren nu volledig mede wat de heer Lohman op de vergadering van Seinpost ten laste van Dr. Kuyper sprak, en dat we volledigheidshalve aan onze lezers in extenso mededeelen.

Het luidt aldus:

Nu ik openlijk onder verdenking gesteld ben zonder dat ik mij daarop kan verdedigen, zal ik geen deel nemen aan het debat over mijn persoon. Maar als lid der Vereeniging wensch ik twee opmerkingen te maken die mij van het hart moeten, en ik doe dat schriftelijk, opdat het alzoo kan worden opgenomen in het volgend jaarverslag.

Want de beschuldigingen tegen mij ingebracht betreffen toch ook mijn karakter; de trouw aan mijn vroeger beleden begin.selen.

Het is op gezamenlijk aandringen van allen die eenige betrekking bij onze V. U. bekleeden geweest, dat ik in 1884 mijn ambtelijke loopbaan verlaten heb, om mij geheel te kunnen wijden aan het volk dat onze V. U. heeft helpen oprichten en in stand houdt, waartoe ik ook zelf in 1880 heb meegewerkt.

Mijne staatkundige beginselen waren toen ten volle bekend. Behalve in »Gezag en Vrijheid" had ik ze in kleinere geschriften zoowel als in de Tweede Kamer meermalen uiteengezet. Na mijne benoeming tot Hoogleeraar, belast met het onderwijs in Staatsrecht, heb ik, vooral bij de behandeling van de Grondwetherziening, zoo ondubbelzinnig mogelijk op bijna elk punt opnieuw mijne gevoelens openlijk uitgesproken en verdedigd.

Daartegen is nimmer verzet gekomen; veeleer ben ik allereerst door Dr. Kuyper uitbundig geprezen.

Tot Minister van Binnenlandsche zaken benoemd bood ik mijn ontslag aan. Mij werd verzocht dit te veranderen in een verzoek om op non-activiteit te worden geplaatst, aan welk vereerend verzoek ik voldaan heb.

Na mijne aftreding stelde ik mij wederom beschikbaar, en werd ik terstond opnieuw aangesteld, wederom onder vereerende bewoordingen. Het is mij bekend, dat Dr. Kuyper die wederaanstelling zeer goedkeurde.

Destijds wist men dus wie ik was, en welke mijne beginselen waren.

Ook na dien tijd is geen enkele aanmerking op mijn onderwijs gemaakt, of is de zuiverheid mijner beginselen betwijfeld. Het tegendeel is het geval, gelijk menig artikel door Dr. Kuyper geschreven bewijzen kan. Wat rm.voor het eerst uit de artikelen door mij in »De Heraut'' geschreven door de beschuldigers is afgeleid werp ik verre vafi mij.

Maar in iSgr is door een revolutionair Kabinet eene Kieswet ingediend, welke zeer stellig niet staat op antirevolutionairen bodem.

Om redenen VAnpolitiekenaardhee(tDï.K.uyper de ondersteuning van die wet aanbevolen, en daaruit zijn van lieverlede, evenals over eenige quaesties van partijleiding, oneenigheden ontstaan. Men heeft mij toen willen beletten mij daarover uit te spreken, omdat Dr. Kuyper en ik, beiden aan dezelfde Universiteit werkzaam, niet openlijk tegen elkander konden optreden.

Ik ben steeds bereid geweest om mij van het terrein der politiek terug te trekken, mits Dr. Kuyper hetzelfde deed, vermits wij als Hoogleeraren gelijke rechten hebben. Zoolang dat niet geschiedde handhaafde ik mijn recht als vrij burger.

Het is deswegens, dat men mij in mijne qualiteit van Hoogleeraar vervolgt; dat men mijn onderwijs in verdenking brengt; dat men beweert dat ik in strijd handel met art. 2 onzer statuten. Het zij zoo: over het onrecht daardoor mij aangedaan spreek ik niet; wat de Heere mij in Zijne Genade zal opleggen, hoop ik zonder bitterheid te lijden en te verdragen; maar ik wensch hier te constateeren, dat eerst allerlei bezwaren tegen mijn onderwijs bijeengebracht zijn, nadat het gebleken was, dat ik mij met zekere politieke gedragslijn, welke met mijn onderwijs niets te maken heeft, niet vereenigen kon.

Mijne tweede opmerking is deze:

Aan de Curatoren is opgedragen voor de naleving van art. 2 d-^r Statuten, voor zoover het onderwijs der Hoogleeraren aangaat, zorg te dragen.

Naar aanleiding van zekeren aanval van den Heer Sikkel in den JZ. Holl. Kerkbode" van 2 Februari, — welke schrijver o. a. beweerd heeft, dat het op mi/n weg lag een encyclopaedie te schrijven, blijkbaar niet wetende dat mij een geheel ander vak van wetenschap is opgedragen — alsmede van allerlei andere verdachtmakingen tegen mij ingebracht, heb ik aan den Senaat — waarvan de Curatoren deel uitmaken — in de Vergadering van 15 Febr. j.l., belegd om te spreken over de beste wijze om de naleving van art. 2 te verzekeren, de volgende verklaring afgelegd:

> De ondergeteekende erkent natuurlijk het srecht en de verplichting van het Curatorium som onderzoek te doen naar de richting waarin »het hem opgedragen onderwijs wordt gegeven, »en wenscht zijnerzijds dat onderzoek zooveel «mogelijk te vergemakkelijken. Diensvolgens «veroorlooft hij zich HH. Curatoren te verwijzen: > ie naar zijne geschriften, die hij, na zijne •^aanvaarding van het professoraat, onder zijn »naam heeft uitgegeven;

> 2e naar zijne dictaten. Hij is n.l. bereid op selk punt waaromtrent eenige twijfel mocht bej staan, den HH. Curatoren voorlezing te doen ivan hetgeen daaromtrent in die dictaten voortkomt, en dit zooveel noodig mondelbg toe te «lichten;

«3e 7iaar hetgeen hij anoniem heef tgeschreven; «voor zoover dit betrekking heeft op de begin-«selen van de vakken waarin hij onderwijs geeft, »Hij is diensvolgens bereid aan te wijzen wat «door hem anoniem geschreven is. Om der «gelijkheids wil verzoekt hij nogmaals dat, zoo «dagbladartikelen mede in het onderzoek worden «betrokken, hetzelfde moge geschieden ten aan-«zien van die artikelen, welke zijn ambtgenoot «Dr. Kuyper in de dagbladen heeft gepubüceerd, «voor zoover die dezelfde onderwerpen raken. «Bij deze bereidverklaring neemt hij voorts «de vrijheid uitdrukkelijk te verwijzen naar de «voorwaarden onder welke hij zijne benoeming «tot hoogleeraar heeft aangenomen; welke voor-«waarden betrekking hebben zoowel op den om-«vang van zijn onderwijs als op de gebondenheid «aan en de beteekenis van art. 2 der Statuten. «Hoewel ondergeteekende steeds tot monde-«linge toelichting bereid is, meent hij toch dat «aan mondelinge bespreking schriftelijke voorbe-«reiding vooraf dient te gaan, opdat duidelijk

-blijke, op welke punten twijfel aangaande de irichting van zijn onderwijs is ontstaan, en wat »de ondergeteekende op de tegen hem in te »brengen bezwaren heeft te antwoorden."

Ook na die verklaring is er niet de minste aanmerking door Curatoren op mijn onderwijs gemaakt; het College heeft het zelfs nietnoodig geacht eenig onderzoek in te stellen en gebruik te maken van de door mij aangeboden faciliteiten. Is dit niet, of nog niet geschied, omdat men het nog niet eens is over de eigenlijke beteekenis van Art. 2 der Statuten, of omdat men de toepassing daarvan voor elk vak van wetenschap nog niet doorziet, dan kan men er een enkelen hoogleeraar ook geen grief van maken, zoo hij met zijn collega's in gevoelen verschilt of schijnt te verschillen.

Indien thans buiten de Curatoren om een onderzoek door de Vergadering verlangd wo dt, dan kan m. i. daarin in de eerste plaats niets anders worden gezien dan een votum van wantrouwen tegen de Curatoren.

Nu echter een hoop beschuldigingen mij openlijk naar het hoofd zijn geslingerd, kan ik niet anders verlangen dan dat het verlangde onderzoek worde toegestaan.

Meer heb ik niet te zeggen."

Op deze woorden leveren we geen repliek. Als men onze intentie gaat beoordeelen, en zelfs onze beste bedoelingen op stuitende wijze miskent, en dat alles zonder zweem zelfs van bewijs, is zwijgen de waardigste houding, gelijk Dr. Kuyper op Seinpost dit alles zich dau ook heeft laten zéggen, sonder er een woord op te antwoorden.

Maar ook deze woorden zouden allicht voorkomen, of anders gesproken zijn, indien, naar heeren Directeuren nu wülen, de zaak niet zoo onverhoeds ia de vergadering ware gekomen.

Dit prikkelt altoos. En wie in geprikkelden toestand onvoorbereid spreekt, zegt in den regel meer dan hij verantwoorden kan. •

Daarom zou het o. i. uitstekend zijn, indien de voorgestelde wijziging kon doorgaan. Slechts rijst de vraag, of de Statuten het veroorlooven; en dit mag betwijfeld.

Art. 5 toch bepaalt, dat het tot het recht der vergadering behoort om kennis te nemen van het Verslag en dit te behandelen.

Dit is volgens de Statuten het eenige punt, waarbij leden der Vereeniging een verzoek om Enquête kunnen aansluiten.

De zes andere punten, die in Art. 5 genoemd worden, geven daartoe geen recht. Want ook aan punt 7 kan men het recht tot Enquête niet ontleenen, daar punt 7 alleen handelt over s andere zaken die door het bestuur of met zijn goedvinden ter tafel komen."

Sloot men nu hieraan de Enquête aan, zoo zou, wat ongerijmd ware, de Enquête altoos door het Bestuur kunnen verhinderd worden. Iets wat heeren Directeuren, blijkens hun voorstel, ook volstrekt niet beoogen. Daar nu de bepalingen van het Huishoudelijk reglement natuurlijk alle recht van bestaan missen, zoo ze niet steunen op de Statuteij, ontstaat de dubbele vraag:

i". Moet niet de Enquête-zaak rusten op Art. 5 punt 3 ? En 2°: Indien ze hier op moet rusten, is ze dan denkbaar en mogelijk zoolang het Verslag er niet is, en dat wel op de Jaarvergadering?

Deze bedenkingen brengen we nu reeds ter sprake, opdat men op de Jaarvergadering niet in verlegenheid zitte, en we zullen aan heeren Directeuren een exemplaar van dit nummer ter kennisneming toezenden.

Wat heeren Directeuren beoogen 'komt ook ons in hooge mate gewenscht voor, maar we achten, dat de regeling anders zal moeten zijn, dan zij die voorstelden, om niet in conflict te komen met de Statuten.

Onzerzijds stellen we hier geen voorstel tegenover.

Het is dunkt ons beter, dat de leiding ten deze van heeren Directeuren zelven uitgaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 juni 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Ontbonding.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 juni 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken