Bekijk het origineel

Van be gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van be gemeene Gratie.

16 minuten leestijd

XL.

Alzoo verstrooide ze de Heere van daar over de gansche aarde. En zij hielden op, de stad te bouwen. Gen. 11 : 8.

De iadeeling van het menschelijk geslacht in drie rassen, naar het drietal van Noachs zonen, klopt oogenschijnlijk niet, althans niet met de noodige juistheid, op de onderscheidenheid van rassen, die we feitelijk op aarde vinden. Want wel kan men in het gemeen zeggen, dat de groote Indo-Germaansche volkerenkring, de Semitische volkerengroep, en de bevolking van Afrika eenigermate een indeeling opleveren, die met die van de zonen van Japheth, de zonen van Sem en de zonen van Cham overeenstemt; maar hiermede is men van het geding niet af. Behalve deze drie volkerengroepen toch stuit men nog op die machtige groep, die Mongolië, China, Japan, Annam en Siam omvat; voorts op het groote Maleische ras, dat we uit onze Indien en een deel van Afrika kennen; hierbij komt dan nog het ras der Amerikaansche Indianen, om nu van de Azteken en kleinere groepen niet te spreken; terwijl ook niet onopgemerkt mag blijven, dat in Afrika zelf lang niet al wat zwart en donkerkleurig is, zich herleiden laat tot éénzelfde hoofdtype. Op deze indeeling der natiën en volkeren komen we bij het bespreken van de volkerentafel uit Gen. lO terug; maar reeds thans wenschen we toch uit te spreken, hoe, in verband met ons vorig artikel, de driedeeling naar Sem, Cham en Japheth, er volstrekt niet met noodzakelijkheid toe leidt, om slechts drie rassen aan te nemen. Huwen ook nu nog een Schot met een Spaansche, dan ziet men niet zelden, hoe uit zulk een huwelijk drie soorten van kinderen geboren worden, het ééne blond met blauwe oogen, het andere zwart met donkere oogen, en het derde uit beiden gemengd. Zoodoende kon ook uit Sem, Cham enjapheth niet een drietal, maar een negental zeer uiteenloopende menschensoorten zijn voortgekomen, mits men maar onderstelt, gelijk volgens ons voorgaand artikel wel ondersteld tnoet worden, dat de drie vrouwen van Sem, Cham en Japheth vrouwen vaa een dgcnaardig type zijn geweest, elk op' haar beurt van haar man zeer duidelijk onderscheiden. Bij die onderstelling toch heeft het niets vreemds, dat onder de kinderen van Sem het ééne sterk op Sem leek, het andere juist het type van zijn vrouw droeg, terwijl een derde tusschenin stond. Dit kan dan voorts evenzoo worden aangenomen van de zonen van Japheth en van de zonen van Cham, en hierdoor reeds zou men tot negen wezenlijk onderscheiden soorten van menschen komen. Zelfs is de mogelijkheid niet uitgesloten, dat dit verschil nog breeder uitliep in zoover men niet zelden nu nog ziet, hoe in kleinkinderen soms het ondergegane type van grootvader of grootmoeder weer opleeft, ook waar vader of moeder in niets dit type vertoonde. Wat men in de vogelenwereld soms waarneemt, dat een blankwitte eend en even blanke waard, toch jongen krijgen met gekleurde of zwarte vederen, berust op hetzelfde verschijnsel. En zoo ziet men dus, hoe op zich zelf het feit, dat Noach slechts drie zonen had, volstrekt niet de mogelijkheid uitsluit, dat de wereld der menschenkinderen zich in negen of zelfs meer groepen of rassen gedeeld hebbe. Hierbij blijft het intusschen opmerkelijk, dat de meer rechtstreeksche afstammelingen van Sem en Japheth van oudsher de geschiedenis van ons menschelijk geslacht beheerscht hebben, en dat Chams nakomelingen nimmer tot beteekenis komen konden, terwijl de andere rassen, die men buiten deze hoofdgroepen vindt, met uitzondering van de Mongolen, óf kwijnen óf ondergaan. Doch hierover later meer.

Wat thans onze aandacht vraagt, is het gebeurde met Babels torenbouw, een feit van de hoogste beteekenis, en waarop dusver veel te weinig is gelet.

We vernemen namelijk uit Genesis ii, dat het menschelijk geslacht, na reeds weer sterk vermenigvuldigd te zijn, naar het Oosten toog, en zoo in de vlakte van Sinear kwam. Dit verhaal strookt met het verhaal van den Zondvloed. Volgens dit verhaal toch begon de nieuwe samenleving in den omtrek van den berg Ararat, d. i. op het hoogland van Armenië, en in verband hiermede laat het zich uitnemend begrijpen, dat men, bij sterker vermenigvuldiging, omdat het bergland geen plaats meerster woning aanbood, besloot af te dalen naar de vlakte. Op een hoog bergterrein kunnen betrekkelijk altoos slechts weinig menschen leven, en altoos is de trek van het bergland ten slotte naar de vlakte. De vallei waarheen men afdaalde was de groote vlakte, die het stroombed van den Tiger en Eufraat uitmaakte, en lag alzoo in de richting van het vroegere paradijs. Ons geslacht keerde alzoo, door dien trek, naar zijn oorspronkelijke bakermat terug. Ze togen zuidoostwaarts, eu kwamen ten slotte in de streek, waar later Babel lag.

Nu is het opmerkelijk, dat men zich niet van het hoogland uit naar die vlakte uitbreidde, maar er allen saam henen aftoog. Het ging niet zoo toe, dat de gevestigde familiën bleven waar ze waren, terwijl alleen de jongere zuidoostwaarts trokken, maar men trok allen saam uit. Het was zoo men wil de eerste volksverhuizing. Een zich verplaatsen van heel ons geslacht. Er bleef niemand in Armeniës hoogland achter. »De gansche aarde, d. i. heel het menschelijk geslacht was eenerlei taal en eenerlei woorden, en zij togen tegen het oosten, en vonden een laagte in het dal Sinear en woonden aldaar." Een mededeeling waarvan de eenvoudige opvatting is, dat men allen saam derwaarts toog, zonder familiën achter te laten. We zeggen niet, dat dit uitgesloten was, maar het verhaal duidt dit niet aan, en Jeidt eer tot de onderstelling van het tegendeel.

Natuurlijk heeft deze groote tocht plaats gehad 01 ier zekere leiding. In de bergen leefde men, gelijk nu nog in alle berglanden, ngedeeld door de bergglooiingen, in kleine groepen saam, en elk dier kleine groepen, zal wel patriarchaal onder een oudvader hebben gestaan. Maar thans, nu men uit de bergen naar de vlakte toog, verviel die splitsing en indeeling, en kwam men allen bijeen te wonen. Dit nu vereischte zeker bestuur, zekere indeeling, zekere regeling, zekere leiding, eerst bij den tocht, en straks bij het zich vestigen in de vlakte van Sinear. Waarschijnlijk ging die leiding uit van de vergadering der oud vaders, die saam een zekeren raad vormden. Van wat nu in dien raad der oudsten iesloten werd, vernemen we, dat ze |er op bedacht waren, om niet verstrooid te raken; dat ze vreesden uiteen te zullen dolen, als de één hier en de ander daarheen aftoog om te weiden; en dat ze om dit te voorkomen, het besluit namen, om één groote stad te bouwen, binnen wier muren en onder wier rook heel de bevolking als één man kon blijven samenwonen. Ook besloten ze in die stad een zeer hoogen toren op te trekken, wiens opperste tot aan de wolken zou reiken, en wiens hooge spitse het middel zou zijn, om de verstrooide en dolende groepen altoos te doen weten, naar welk punt ze terug hadden te keeren. In de bergen hadden ze natuurlijk, gelijk alle bergvplken nu nog doen, in houten huizen gewoond. Op di bergen staat het hout om te kappen, en ontbreekt meest de steen. Vandaar dat nu nog in de berglanden van Zwitserland, T3T0I, Noorwegen enz. zoogoed als alle woningen, en zelfs de kerken en scholen geheel van hout zijn gebouwd. Men mag dus aannemen dat ook de nakomelingen van Noach op Armeniës hoogland in zulke houten woningen huisden. Thans echter nu ze afgedaald waren naar de vlakte van Sinear, ontbrak dit overvloedige hout, en zoo moesten ze wel naar ander bouwmateriaal omzien. Daarvoor nu bood van oudsher de vlakte om Babel het uitnemendste wat men wenschen kon. De bodem bestond uit vette tichel of klei, waaruit zich uitnemende steen liet bakken, gelijk men nog in de Musea te Leiden, Londen, Parijs en Berlijn zulke steenen in menigte zien kan. En behalve die klei of tichel was er overvloedig lijm aanwezig, dat dienst kon doen voor leem of cement. Het was dus volkomen natuurlijk, dat ze aanstonds het besluit namen, om steenen huizen te bouwen; die huizenmassa met een muur te omringen; en in die aldus gevormde stad een toren te dat ze zeiden: d. i. steenen. bouwen. Zoo lezen we dan, > Komaan, laat ons tichelen, strijken, en wel doorbranden, was hun voor steen, en de voor leem of cement. En zij laat ons voor ons eene stad En de tichel lijm was hun zeiden: Kom toren, welks opperste in bouwen, en een den hemel zij, opdat wij niet misschien over de gansche aarde verstrooid worden."

Hierin nu lag een diepe zonde, een rechtstreeksch weerstaan van de ordinantie Gods. Immers reeds van de ure der schepping af, was den mensch bevolen en gelast, om te vermenigvuldigen en 1^de aarde te vervullen." En na. den Zondvloed was dezelfde ordinantie nogtnaals herhaald: > God zegende Noach en zijn zonen, en Hij zeide tot hen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt en vervult de aarde." Hierover kan dus geen verschil bestaan. Het was de last door Gjd aan ons geslacht meegegeven, dat we niet op één plek bij elkaar zouden blijven, maar [ ons over heelde aarde zouden verspreiden, en zoo heel het aardrijk zouden vervullen. En het was nu tegen dezen last, en tegen deze stellige ordinantie Gods, dat men lijnrecht inging door zijn opzet, om zich niet te verspreiden, tiict uiteen te gaan, maar op één kleine plek, in ééoe vlakte, in één reuzenstad, . allen saam teblijven. — De werking van en de verantwoordelijkheid voor zulk een zonde te verstaan, is niet licht. Op zichzelf toch kan men vragen: Mochten er dan toch niet zeker aantal gezinnen in de vlakte van Sinear blijven? En indien ja, hoe maakt ge dan uit, wie weg moest en wie moest blijven? En indien dit niet uit te maken is, bij wien lag dan schuld, en hoe maakt ge die schuld uit? Met enkel op de persoonlijke zonde van dezen en genen te letten, komt ge er dan ook niet. Integendeel, de hier begane zonde was een kwaad, dat uit den boezem van heel het toen levend geslacht was opgekomen. Hun leidslieden hadden het geformuleerd, en de menigte was willig om het uit te voeren. Er was hier sprake van een beweging der gemoederen, van een allesbeheerschende en prikkelende aandrift. — Toen onder de Kaapsche Boeren de dusgenaamde »trek" opkwam, greep die neiging om te strekken" allengs een geheele menigte aan. Die »trek" hield ook later stand, en heeft nog niet uitgewerkt. Nu van achteren gevoelt dan ook ieder, hoe in dien strek" der Kaapsche Boereu, zonder dat iemand het vermoedde, een macht door God gewekt is, die heel de toekomst van Afrika, en ten deele zelfs de geschiedenis der wereld beheerscht. Welnu, zulk een > trek" is juist het tegendeel van wat zich in Sinears vlakte openbaarde. Ook toen moesten ze trekken, maar ze wildei} niet, en stelden zich nu uit beginsel en met voorbedachten rade tegen het beginsel van het »trekken" over. Niet strekken", maar »bijeen blijven", was het wachtwoord. En gelijk men nu van achteren wei zal toestemmen, dat de Kaapsche Boeren het bestel Gods zouden weerstaan hebben, indien ze niet waren uitgetogen, evenzoo weerstond het toenmalig geslacht in de vlakte van Sinear den wil des Heeren, door zich niet te willen verspreiden, maar van het bijeenblijven in Sinear een welbewust opzet, een grondgedachte voor heel zijn saamleven, het richtsnoer voor zijn handeling te maken.

Dat het gebeurde zóó moet worden opgevat, blijkt uit twee opmerkelijke uitdrukkingen, die in het verhaal voorkomen. Vooreerst uit wat in vs, 6 God zegt: -nEn dit is het wat zij beginnen te maken; maar nu zou hun niet afgesneden worden ? " en ten tweede uit wat in vs. 4 de menschen roepen: yLaat ons ons eenen naam maken". Natuurlijk konden ze zich geen naam maken bij anderen; want andere menschen waren er niet. Dat »naam maken'' kan alzoo niet anders slaan dan op de toekomst, alsof ze zeiden: Laat ons hier een naam grondvesten, die de eeuwen verduurt. Dit uu klopt met de andere uitdrukking: »dit is het begin van wat ze maken willen. Wel terdege spreekt dus uit beide uitdrukkingen het denkbeeld, om door een opgevat plan, om door dien torenbouw van Babel aan het toekomstig menschelijk geslacht de wet te stellen, en het doelwit aan te wijzen waarop men had aan te houden. Er lag in hun spreken een wereldplan, en dat wereldplan, dat rechtstreeks tegen Gods plan met de wereld overstond, was als volgt te omschrijven: Niet te zeer vermenigvuldigen, niet ons over de aarde verspreiden, niet heel de wereld bevolken, maar ons bepalen tot het formeeren van één enkel, betrekkelijk klein volk, en het overige deel der aarde ongebruikt laten.

Neemt ge nu eenerzijds de geschiedenis er volken zooals deze zich nu feitelijk in hans vijf werelddeelen ontwikkeld heeft, n stelt ge daartegen over dat Sinearplannetje van één kleine groep menschen, n en bij één enkele stad, in het gezicht van één toren saamwonende, dan voelt ge terstond de machtige tegenstelling tusschen de groote, rijke, machtige gedachte Gods, en den kleinzieligen, enghartigen en bekrompen geest, die in dit plan der menschen sprak. Naar het plan Gods zouden allengs alle krachten en gaven, die Hij in ons geslacht had ingelegd, tot de eere zijns Naams in het licht treden; maar volgens dat zelfzuchtig plan van Babels torenbouw zou dit alles verstikt en te niete gedaan zijn. Naar het pl^i Gods wordt de overloopende maat vol tarwekorrelen over den breeden akker uitgezaaid, en straks schitteren de velden in de gouden golving der halmen. Maar naar het plan van Sinear zou het zaaikoren in een muffen kelder besloten zijn, om er te verstikken en te beschimmelen. Zooals het naar den raad en het bestel van den Heere der heirscharen zou gaan, g v t d w b s heeft God zich een Naam gemaakt, en is het de verheerlijking van dien Naam onzes Gods waarop heel de historie van ons geslacht uitloopt. Maar ging het naar Sinears bestel en raad, dan zou de Naam des Heeren overschaduwd en verdrongen zijn door den naam van deze God-vergeten kleinzieligheid. Zoo bleek dus genoegzaam, hoe de grondtoon in het hart van hem, die zulk een plan ingaf, niet anders was, dan een zoeken van zich zelf en vijandschap tegen God. Het was ^niet een vergissing, een verkeerd beleiden raadslag, maar wel terdege de uiting van'een Gode vijandigen zin, die, zonder zich^hiervan in alle deelen bewust te zijn, op rechtstreeksche verijdeling van Gods raad en op het verhinderen van zijn Koninkrijk zou zijn uitgeloopen. e t

Al geven we dan ook toe, dat niet ieder man en vrouw en kind zich aanstonds het gebod »om de aarde te vervullen" zal herinnerd hebben; en al achten we nog veel minder dat een ieder, hoofd voor hoofd bedoelde, opzettelijk tegen deze Goddelijke ordinantie in te gaan; toch spreekt het vanzelf, dat de hoofden en oudsten des volks zeer goed wisten, wat God bevolen had, zoodat ze hun plan niet konden ontwerpen noch doorzetten, zonder opzettelijk en wetende wat ze deden, dien Goddelijken last op zij te zetten en te overtreden. Er lag dus niet alleen schuld, maar wel terdege ook bewuste schuld in. Er werd in Sinears vlakte tegen God gezondigd met opgeheven handen.

Eerst zoo wordt ons het gewicht en de beteekenis van dezen opstand tegen God in Sinears vlakte duidelijk. Het was dwarsdrijven van den mensch tegen zijn God in. Het stellen van onzen wil en onze wijsheid tegen den wil en de wijsheid onzes Gods. En zoo klinkt het dan ook niet meer vreemd, als we nu verder lezen, met wat toorn vol majesteit God dit booze opzet en dit zondig bestaan verijdelde. Natuurlijk is de wijze van het optreden des Heeren menschelijk ingekleed. In eigenlijken zin vaart God niet neder, om het doen der menschen te bezien, want alle dingen liggen naakt en geopend voor het oog Desgenen met Wien wij te doen hebben. En bovenal hechte men niet te sterk aan dat nedervareti van God, omdat de schilderkunst en vermenging met Heidensche verhalen, daarbij op een dwaalspoor heeft geleid. Onder de Heidenen liep namelijk, onder rneer dan één vorm, een verhaal van reuzen of titanen, die het wrevelig en vermetel-opzet hadden gesmeed, om de hoogste bergen te beklimmen, en van die hooge toppen uit, den hemel te bestormen. Met dit verhaal heeft men toen het verhaal van den torenbouw van Babel in verband gezet, omdat daarin gesproken werd van een toren «welks opperste in den hemel zij." En overmits nu het verhaal van die reuzen of titanen daarmee eindigt, dat de hemelgod met bliksemen nedervaart en de titanen terugwerpt, heeft men nu de fout begaan, om ook het gebeurde van Sinears vlakte zich voor te stellen, alsof God ware nedergedaald om met bliksem en donder den hemelhoogen toren neer te werpen en te verbrijzelen.

Geheel deze voorstelling echter is met het verhaal van Gen. 11 ten eenemale in onverzoenlijken strijd. Aandachtige lezing van het verhaal doet zelfs betwijfelen, of de bouw van den toren wel ver was voortgeschreden. Er staat toch duidelijk in vs. 4, dat ze eerst een stad, en pas daarna in die stad een toren wilden bouwen; en daarop volgt in vs. 8 de mededeeling: »En ze hielden op de stad te bouwen." De ingrijpende daad Gods heeft dus niet getoefd tot tijd en wijle stad en toren volbouwd waren, maar trad integendeel tusschenbeide, toen ze pas met den bouw der stad begonnen waren, en toen hoogstwaarschijnlijk de toren nog slechts even boven het fundament verrees. Maar wat veel scherper de aandacht verdient, is, dat er met geen woord gemeld wordt, dat God de stad of den toren verwoestte. Daar staat niets van. Niet van één steen wordt gemeld, dat God dien neerwierp. Er staat alleen dat ze in hun bouwen gestoord werden, en dat ze, tengevolge van die storing, ophielden met bouwen. De majesteit van Gods doen wordt ons dan ook niet geteekend als bestaande in uitwendig machtsvertoon, maar veeleer als die stille majesteit die de grootste doeleinden bereikt met de schijnbaar nietigste middelen. Zoo toch staat er: > Kom, laat ons nedervaren, en hun sprake aldaar verwarren, dat een iegelijk de sprake zijns naasten niet hoore" (vs. 7). Met het oog zag men dus niets. Wat er gebeurde, merkte noch begreep men aanvankelijk, en plotseling ontdekten ze, dat ze elkaar vreemd waren geworden in de taal. Ze verstonden elkander niet meer. En wat ze ook deden, om elkander hun bevreemding te kennen te geven, en den slagboom die tusschen hen gevallen was, weg te nemen, ze stonden plotseling als vreemde wezens tegenover elkander. Over dit feit zelf handelen we in een volgend artikel. Doch hier reeds zij opgemerkt, hoe oneindig veel fijner en Goddelijker deze toedracht der zaak is, dan dat men de bliksemen of een tornado den toren van Babel'laat omverwerpen. Schijnbaar doet God niets. Alleen in de spraakmiddelen komt ongemerkt een kleine wijziging tot stand. En van dit schijnbaar nietige is het onmetelijke gevolg, dat heel de historie der menschheid een gansch anderen loop neemt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 juli 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Van be gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 5 juli 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken