Bekijk het origineel

ZESTIENDE JAARVERGADERING

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

ZESTIENDE JAARVERGADERING

12 minuten leestijd

DE MEETING.

VAN DE Vereeniging voor Hooger Onderwijs

op Gereformeerden grondslag.

Thans rest ons nog verslag te geven van de Meeting., waarvoor wij verleden week plaats tekort kwamen.

Te twee uur in den namiddag was de zaal van Van der Wielen weer geheel met belangstellende hoorders gevuld. Thans zou de meeting plaats hebben, die onze Jaarvergaderingen steeds vergezelt; zij zou alleen din doorgaan, indien het bleek, dat er hoorders alleen voor de meeting waren opgekomen, die leden nóch begunstigers waren.

Prof. Woltjer nam het voorzittersgestoelte weer in en deed de vraag: of er ook aanwezigen uitsluitend voor de meeting waren gekomen. Die vraag werd bevestigend beantwoord, en zoo kon dus de Vergadering van 's morgens niet onmiddellijk worden voortgezet, maar moest de > ; i«/«; ^ voortgang hebben.

Mr. Til. Heemskerk ontving het woord.

Spreker begon met de mededeeling, dat hij zeer kort zou zijn, daar het voor niemand een geheim behoefde te wezen, dat de Jaarvergadering des morgens niet geheel was afgeloopen en in den middag, na de meeting, zou moeten worden voortgezet. Vandaar dat hij zeer beknoptelijk de denkbeelden wilde aangeven, die hij anders gemeend had, meer uitvoerig te ontwikkelen.

Zijn onderwerp zal luiden; De juridische faculteit aan de Vrije Universiteit; in verband met de dingen, die ons in de laatste maanden bezig gehouden hebben, een onderv/erp van gewicht en van actualiteit.

Het is sprekers bedoeling de volgende [stelling te ontwikkelen:

De juridische faculteit aan de Vrije Universiteit is eisch der Christelijke, conscientie:

1. tot beoefening der wetenschap, overeenkomstig de waarheid en tot eer van God;

2. als hulpmiddel voor Christelijken wandel;

3. als strekkende tot waarborg voor de vestiging en handhaving van het recht en tot heil des volks.

Het eerste deel dezer stelling toelichtende, wijst Spreker er op, dat het zoeken naarwetenscliap ons door Gods Woord wordt geboden. Zoo wordt gesegd dat een verstandig hart de wetenschap zal opzoeken; dat de vreeze des Heeren het beginsel is der vretenschap; dat wij de wijsheid moeten zoeken als schatten, als zilver en goud, als iets zeer bcgeerlijks dns, waarvoor men zich inspanning getroost. Op allerlei wijze wordt de voortreffelijkheid van wetenschap en wijsheid aangewezen, en haar te zoeken geboden. De beoefening der wetenschap is dus, als door Gods Woord geboden, eisch der conscientie; en we hebben nu slechts goed te zien, wat onder wetenschap te verstaan zij. En dan kan men, naar spr. meent, veilig zeggen: sWetenschap is de kennis der dingen in hun onderUng verband."

Men kan dit door enkele voorbeelden gemakkelijk gevoelen.

Wanneer iemand door krankheid is aangetast, kan iedere leek die krankheid constateeren; maar de arts, de man der wetenschap, moet haar

oorzaak kennen; en de werking van die oorzaak' op alle deelen van het organisme; hij ziet de dingen in hun onderling verband.

Wanneer een bouwmeester een huis bouwen wil, moet hij niet alleen alle onderdeden daarvan kennen, maar hij moet die onderdeelen in hun verband en verhouding weten te plaatsen; dat is het werk van den man der wetenschap.

Waarom is nu de wetenschap de kennis der dingen in hun onderling verband ? Omdat alle wetenschap uit God is. Uit Hem, als uit het middelpunt, straalt alles naar den _ omtrek uit. Wat is dus de taak van hem, die zich aan wetenschappelijke studie wijdt ? Het verband met het middelpunt opzoeken en aanwijzen; en wie dat het beste doet, eert het hoogste de wetenschap, rekent het meest met het verband der dingen.

Het is bekend hoe wijlen Mr. Keuchenius in de Tweede Kamer dikwerf tot de orde werd geroepen door den Voorzitter. Dat kwam niet, al oefende de eigenaardigheid zijner persoonlijkheid er eenigen invloed op uit, wijl de overleden Staatsman dan altijd buiten de orde waj, maar juist omdat hij het verband der dmgen kende, dat aan andcrer : blik ontsnapte; hij rekende immer met het riiiddelpunt, vanwaar alles uitgaat en waartoe alles in iDetrekking staat.

Zoo wordt het duidelijk dat er ook onderling verband is tusschen de faculteiten eener Universiteit; en dat in de rij der faculteiten de Theologische voorop moet gaan; bij eene zuivere beoefening der wetenschap kan zij niet worden gemist. In haar vinden de andere faculteiten haar uitgangspunt. Dat wij dan ook de Theologische faculteit aan de openbare Universiteiten bestrijden is niet omdat wij meenen dat zij geen bestaansrecht zou hebben, maar wijl aan de openbare universiteiten deze faculteit op een verkeerden grondslag berust en daardoor een even schadelijken invloed uitoefent, als zij, juist opgevat, heilzaam werkt.

In dit licht spreekt dan ook art. 2 der Statuten van onze Vereeniging duidelijk, als het éischt, dat het onderwijs zal gegeven worden geheel en uitsluitend op den grondslag der Gereformeerde beginselen. Dat is niet alleen het onderwijs aan de Theologische faculteit; neen, het onderwijs aan alle faculteiten, die er zijn of zullen komen.

Is de wetenschap uit God, dan volgt daaruit dat hare beginselen eeuwig zijn, en wij kunnen dus de grondslagen onzer wetenschap niet ontkenen aan hetgeen thans bestaat, omdat wij nu eenmaal in den tegenwoordigen tijd leven. De wetenschap beoefenende, hebben wij na te gaan, in welk tijdperk der geschiedenis de mannen der wetenschap in hunne wijze van beschouwing het dichtst het middelpunt, den oorsprong der wetenschap naderden; en de Gereformeerden vinden dat tijdperk in den bloeitijd van het Calvinisme.

Nu is het er natuurlijk niet om te doen dat wij de mannen uit dit tijdperk_ eenvoudig wat gaan napraten; neen, de beginselen waaruit zij leefden en handelden dienen opgespoord; een taak die ernstige, geestelijke inspanning vordert en hartelijke toewijding vraagt. Een taak die ons dwingt wijsheid te zoeken^ zooals ons dat door Gods Woord is geboden.

Natuurlijk is het óók mogelijk langs anderen weg tot eenige kennis van het recht te geraken, omdat door de gemeene genade eenig rechtsgevoel aan de menschen is gelaten; maar niet zóó goed, niet zóó juist als langs dezen weg; al zal het ook van ons standpunt uit in deze bedeeling altijd blijven een zoeken zonder volmaakt te vinden, een kennen ten deele; omdat niet alles geopenbaard is zoo moeten wij nogthans datgene, wat geopenbaard is, geheel kennen.

Maar hoe ook, nimmer mag het middelpunt uit het oog worden verloren; mag het verband met den oorsprong worden losgelaten. Want gaat dat verband te loor, dan mist onze wetenschappelijke arbeid wat hij nimmer ontberen mag; dan is hij niet overeenkomstig de waarheid; niet tot eer van God.

Nu komende tot het tweede deel der stelling : »hulpmiddel voor Christelijkeo-wandel" wijst Spr. er allereerst op, dat de beoefening der wetenschap niet tot hoofddoel heeft de vorming van denman voor de praktijk des levens. Zeker moet men ook met het verrichten van wetenschappelijken arbeid zijn brood kunnen verdienen; maar het doel van dezen arbeid mag dit nimmer zijn. Men beoefent de wetenschap om haar zelve: en zoo verkrijgt men vanzelf dienaars des rechts, doch die in de allereerste plaats, met het oog op ons uitgangspunt, dienaars Gods hebben te zijn.

Dienaars Gods. En let men nu eens op de rechtsbeschouwing, die aan de Universiteiten wordt gehuldigd, dan zal het dadelijk in het oog springen, hoe die beschouwing invloed heeft op de gansche maatschappij.

Het is duidelijk dat, met aan de voorschriften •der wet te voldoen, alles nog niet in orde is: daarmee is de Christen allerminst voldaan. Immers het is zeer wel mogelijk dat de wetgeving zelve verkeerd is, dat er strijd is tusschen haar en de geboden Gods.

Nu heeft men in de eerste plaats zich er rekenschap van te geven, dat de Christen tegenover God verplicht kan wezen aan de Overheid ongehoorzaam te zijn, wanneer zij iets gebiedt, dat God verbiedt.

Maar de regel is, dat men ook aan eene slechte Overheid gehoorzamen moet.

Hoe zal men uitmaken in welke gevallen aan de slechte Overheid gehoorzaamheid kan onthouden worden; hoe zal men daarbij ook de vermaning van Petrus' lessen betrachten, dat men lijden moet als een Christen en niet als een die zich met eens anders doen bemoeit; en, als dat duidelijk is gemaakt, hoe heeft dan de Christen, ook binnen de grenzen der Wet, te handelen? Daartoe is de beoefening van de wetenschap des rechts noodig. Het is niet geoorloofd alles te doen wat de wet toelaat; en evenmin is van ons standpunt een handig kruipen door de mazen der wet goed te keuren. Het is ons noodig te weten welke middelen de wet ons aan de hand doet, opdat wij als Christeneneen stil en gerust leven mogen leiden. Daartoe is kennis van het recht noodig; en kennis van het recht op velerlei gebied. Hier komen we op het terrein, zoowel van de Kerk als van het gezin; van het onderwijs als van de kunsten en wetenschappen; van den koophandel; in 't kort, op het terrein van het gansche maatschappelijke leven.

Veel is er voorts, dat naar ons inzien hervormd worden moet; maar de vraag is: hoe te hervormen; dat moet geschieden naar de juiste wijze en naar de juiste inzichten. En dat laatste is alleen mogelijk wanneer wij het recht beoefenen in verband met zijn oorsprong, met zijn bron; in verband daarmede hervormd, zal de rcchtsbedeeling dan ook niet tegen den wil en het Woord van God ingaan, doch, daarmede in overeenstemming; ons rust en de juiste vrijheid van beweging schenken; waaruit volgt dat de juridische faculteit aan de Vrije Universiteit eisch der consciëntie is als hulpmiddel voor Christelijken wandel.

In de laatste plaats strekt dan ook zulk eene faculteit tot vestiging en handhaving van het recht en tot heil des volks.

In de maatschappij leeft het recht. Voor zoover het onvolledig is moet het echter gevestigd worden; en voor zoover het aanwezig is, en geheel ontbreekt het nooit, moet het ^(r/; a: «(^haafd worden. Teneinde het recht te kunnen vestigen en handhaven moet men het kennen in zijn oorsprong en samenhang. Om het recht te kennen moet men nu niet beginnen bij de Overheid. Zijn oorsprong ligt in God; en allereerst moet het recht, dat in de maatschappij bestaat, opgespoord worden. Dan eerst komen wij aan de taak der Overheid, wier roeping is het recht in de maatschappij te handhaven.

Nu is het natuurlijk noodig niet alleen het recht voor ieder terrein te kennen, maar ook de grenzen, waarbinnen de souvereiniteit in eigen kring dient te worden geëerbiedigd; een souvereiniteit, die niet straffeloos geschonden wordt, daar zij een gave Gods is, aan iederen kring verleend.

Het opzoeken van die grenzen nu is een arbeid, die veel studie en inspanning kost, een werk, waartoe onze juridische faculteit onmisbaar is.

Ook hier heeft men het terrein van het gezin, waar de rechten tusschen ouders en kinderen reeds een grondige studie vorderen; hier het terrein van het onderwijs, van de Kerk; en hoe een roekeloos ingrijpen der wetgeving op die terreinen tot ongewenschte gevolgen leidt en leiden moet is duidelijk. Evenzoo ook het terrein voor handel en nijverheid, landbouw en arbeid.

Ons rechtsbeginsel te laten doorwerken op alle terrein, het schijnt in de oogen van velen een onbegonnen werk; en toch mag onze juridische faculteit haar ideaal niet lager stellen.

Reeds bij oppervlakkige beschouwing zal het deze vergadering duidelijk zijn, dat bijv. onze rechtsbeschouwing in het handelsrecht zoowel als in het burgerlijk recht invloed oefenen kan.

Ook een prozaïsch onderwerp als b. v. het wlsselrecht wordt door een hooger rechtsbeginsel beheerscht; want ^ou het aangaan, als eens bepaald werd, dat wie een wissel heeft geaccepteerd niet behoeft te betalen ? Hoe zal het rechtsinstituut van het huwelijk bestaan, wanneer niet doorzien wordt, hoe het blijkens Gods Woord als Goddelijke instelling is op te vatten ? Welke is de verhouding tusschen man en vrouw, ouders en kinderen ? Welke die van het zelfstandige huisgezin tot de familie in wij deren kring ?

Zoo dient er een goed geregeld verband te komen tusschen onze beginselen en de staathuishoudkundige wetenschap ; zoodat niet alleen de arbeider recht kunne laten gelden op loon, maar, en hier komt de eisch van onze beginselen, er moet een behoorlijk loon voor behoorlijken arbeid betaald worden. Ook de vraag: vrijhandel of bescherming bijv. dient in verband met onze beginselen onder de oógen te worden gezien; en in 't kort is dit duidelijk, dat alle deze vragen zich oplossen in een vraag naar recht^ deze namelijk: of de van Godswege tot arbeid geroepen kringen in de maatschappij zich behoorlijk kunnen ontwikkelen, en of, nu de menschheid door God in volkeren gesplitst is, het eene volk te midden van andere volken zich kan staande houden ?

Denk u daarbij het zoo teêre vraagstuk van het gezag der Overheid. Krachtens onze beginselen staan wij tegenover het absolutisme, en toch eischen we eerbied voor de wet. En niet alleen eerbied voor een goede Overheid, 'neen, voor Paulus was zelfs die van het heidensche Rome nog een dienaresse Gods.

Waar op zoo velerlei terrein het recht is, en tot zijn volle, vrije, door God gewilde en geëischte werking moet komen, is het duidelijk dat de juiste en richtige studie van het recht aan zijn handhaving en bevestiging bevorderlijk moet wezen. Maar zulk een beoefening der rechtswetenschap strekt ook tot heil des volks.

Dat met vele woorden aan te toonen is niet noodig voor deze vergadering, na hetgeen is opgemerkt.

De belijders van den Christus hebben het'zout der aarde te zijn. Dat is hun roeping. Maar hoe zullen ze die roeping vervullen, indien ze zelf niet weten wat het recht Gods van hen eischt ? Daartoe is de ernstige arbeid, de onverpoosde studie van de mannen des rechts noodig; die natuurlijk slechts degelijk en overeenkomstig de zuivere beginselen kunnen worden opgeleid aan eene juridische faculteit, die de rechtswetenschap op den juisten grondslag doet berusten.

Door "die mannen voorgelicht, en kennende ook in dezen de geboden des Heeren, kan ons volk, waar het wandelt in de vreeze Gods, het zout der aarde zijn. Maar zonder den arbeid eener juridische faculteit loopt het gevaar, smakeloos zout te worden. Daartegen te waken in de kracht des Heeren is de schoone taak onzer juridische faculteit; en zóó arbeidt zij? in~waarheid aan het heil des volks (toejuiching)."

Met aandacht was deze rede, die de inleider zeer bekort had, en die we hier slechts beknopt weergegeven hebben, door, jde vergadering aangehoord.

De voorzitter der meeting. Prof. opent het debat. Woltjer^

Niemand meldt zich voor het debat aan. De Voorzitter constateert nu dat de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag wederom de gelegenheid heeft gegeven aan tegenstanders, om onze beginselen in het openbaar te bestrijden; maar dat de tegenstanders van die gelegenheid geen gebruik hebben gemaakt.

Daarna spreekt hij een woord van dank aan den inleider-en sluit de meeting.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 juli 1896

De Heraut | 2 Pagina's

ZESTIENDE JAARVERGADERING

Bekijk de hele uitgave van zondag 19 juli 1896

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken