Bekijk het origineel

„Ik leef, doch niet meer ik.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Ik leef, doch niet meer ik.”

8 minuten leestijd

'Ik ben met Christus gekruisigd; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij. Gal. 3 : 2oa.

Als tusschea twee poleu gaat rusteloos het eigen wezen onzer Gereformeerde Belijdenis op en neder. De ééne pool is het handhaven van de ee-re Gods in zijn^eeuwige majesteit en onveranderlijk welbehagen; en de andere pool is het beslist en rusteloos uitkomen voor de mystieke gemeenschap, waarin de uitverkorene met den Middelaar staat.

Niet alsof die tweejfstrijden [zouden.

Integendeel, én onze uitverkiezhig, én het Middelaarschap van Christus, én de ordinantie dat een mystieke unie uitverkorenen en Middelaar, meer dan saamsnoeren, ja, in het wezen vereenigen zal, is uitvloeisel van Gods majesteit en vrucht van den raad des welbehagens.

En zoo ook omgekeerd, een in zonde ontvangen en geboren menschenkind kan van God in zijn majesteit geen aantrekkende werking op zich voelen uitgaan, dan door den Middelaar, kraehtens de uitverkiezing, en in de mystieke ume3fmet|zijn ^Heiland.

Steeds hebben daarom de nog onvervalschte, kerngezonde Gereformeerden|zich den tijd toen men nog zijn bloed vergieten Het, om recht te belijden, zich naar die beide polen onzer Belijdenis met gelijke veerkracht toebewogeu.

Ze lieten geen oogenblik af van God als God in zijn majesteit, en weigerden God in zijn eigen wezen, ten onzen behoeve, te vermenschelijken. God zou God blijven, in al zijn eeuwige deugden en volmaaktheden, en niets menschelijks zou op God, noch in zijn wezen, noch in zijn raad worden overgebracht.

Maar dan ook omgekeerd, opdat onze religie niet ia een koel, redeneerend aanbidden uit de verte zou opgaan, maar warme bezieling, als vrucht van Goddelijke doordringing zou zijn, moest de innige zielsgemeenschap met den Middelaar telkens klaarder beseft en steeds dieper genoten worden.

Die beide zijn dan ook in wat Calvijn schreef steeds zoo nauw dooreengeweven, dat het soms moeite kost om de beide zilveren draden van elkander te scheiden.

En wie onze Gereformeerde Belijdenis, wie onzen rijken Catechismus, en evenzoo wie onze warme Canones van Dordt, niet hier of daar opslaat, maar achter elkaar en in één adem doorleest, wordt juist door het rusteloos dooreenmengen van die beide bestanddeelen zoo weldadig, zoo zielverkwikkend, zoo godzaliglijk aangedaan.

Nu is er intusschen velerlei mystiek; want vergeet niet: mystiek beduidt op zichzelf niets dan een gemeenschap, die ge u niet geheel verklaren hint.

Mystiek beteekent op zich zelf niets dan hetgeen een verborgen, een geheimzinnig karakter draagt, en daarom niet ten volle kan verklaard, ontleed en met uw verstand begrepen worden.

Mystiek is alle leven, omdat niemand u recht en ten volle verklaren kan, wat toch het leven is. Mystiek is de liefde, omdat ge ze wel merkt, ondergaat, en in u werken voelt, maar zonder dat op de vraag: Wat is liefde.^ ooit een bevredigend antwoord te geven is. En zoo nu ook is er mystiek in alle geloof, omdat we wel de wondere kracht en uitwerking van het geloof waarnemen, maar nooit ten volle het wezen van het geloof voor ons denkend bewustzijn verklaren kunnen.

Doch juist hieruit volgt, dat er velerlei mystiek is. Geloofsmystiek, Liefdesmystiek en Levensmystiek.

Als de apostel Petrus zegt: »Denwelken gij niet gezien hebt, en nochtans lief hebt, in denwelken gij nu, hoewel hem niet ziende, maar geloovende, u verheugt met een onuitsprekelijke en heerlijke vreugde", dan is het duidelijk dat Petrus hier vs.v. é& lief desmystiek handelt, en tevens aanwijst, hoede liefdesmystiek altoos de geloofsmystiek tot wortel moet hebben.

Als dezelfde apostel vlak daarop schrijft: »Wetende dat gij niet door zilver of goud verlost zijt, maar door het dierbaar bloed van Christus, als van een onbestraffelijk| en onbevlekt lam, geopenbaard om uwentwil, die door hem, gelooft in God", dan is het even duidelijk, dat hier niet de liefdes-, maar de geloofsmystiek aan het woord is. En wat voorts volgt over de »wedergeboorte uit het onvergankelijk zaad" toont, dat deze geloofsmystiek wortelen moet in de levefismystiek.

En als ge u nu die levensmystiek, die de fontein moet zijn én van uw geloofsmystiek, én van uw liefdesmystiek, door een anderen apostel wilt hooren uitleggen, lees, en herlees dan, wat Paulus aan de kerken van Galatië schreef: s/i leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij, en hetgeen ik nu leef, dat leef tk door het geloof des Zoons van God."

^ r t ^ Nu staan '? , ? z'i7z, geloof en liefde zeer zeker niet tegen elkaar over, maar ze mogen evenmin uit hun onderlinge orde gerukt.

De liefde moet uit het geloof opkomen, en zoo o@k-het geloof uit het leven.

Uit eöa zondaar die nog dood is, kan geen za%makend geloof opkomen. Dat geloof kaf. eerst opkomen, als God, naar den raad ëes welbehagens, hem het leven heeft ingestort.

En zoo ook, in een zondaar, die nog niet gelooft, kan geen echte liefde voor Jezus werken, want die liefde moet de vrucht zijn van het geloof in den persoon en het werk van den Christus.

Men kan daarom wel zeker dwepend gevoel voor Jezus wekken, ook al brak het geloof in de ziel nog niet door, maar gevoelsliefde en zielsliefde zijn twee. Bij echte zielsliefde worden de wateren der ziel van ouderen op bewogen. Bij gevoelsliefde blijft het in de diepte der ziel werkeloos, en is er slechts roering in de oppervlakte van den waterspiegel.

En zoo ook kan men een nog onherboren zondaar er wel toe brengen, om eenige stukken van het geloof na te ; spreken, maar zulk geloof mist elk zaligmal^end karakter, omdat het de kracht ter toeeigening van Christus' werk mist.

Dat is dan een schijntje van geloof, en een opwelling van liefde, maar zonder dat het wezen van de zaak er achter zit.

Geschilderde bloemen, of ook kunstbloe­ men, soms zoo sprekend, dat ge ze voor wezenlijke bloemen houden zoudt.

En toch ze zijn het niet.

Wezenlijke bloemen van geloof en liefde groeien en bloeien alleen, als ze met levensvezelen vastzitten aan den wortel.

En daarom nu is het zoo broodnoodig, om telkens weer op de levettsmystiek terug te gaan.

Op dat: ilk leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij, en hetgeen ik nu leef, dat leef ik door het geloof in den Zone Gods."

Wondere taal, raadselachtige uitspraak! Oppervlakkige beoordeelaars zouden zeggen: Hier is Paulus puur pantheïst. Immers, hij loochent het persoonlijk leven, en stelt er den éénen peroon van Christus bij alle geloovigen voor in de plaats. Beslister het pantheïsme leeren.i i, niet wel mogelijk.

En toch, er is van pantheïsme hier schijn noch schaduw.

Wat Paulus hier uitdrukt is alleen, dat ge niet op uzelven staat, maar met allen die eenzelfde leven deelachtig zijn, één geheel uitmaakt, en dat in dat ééne geheel Christus het levend, denkend, willend, behoudend Middelpunt is.

Het was juist de zonde, dat de bloem zei: Ik heb de twijg niet van noode; en dat de twijg zei: Ik ben los van den tak; en dat de tak zei: Ik leef niet uit den stam, maar uit mijzelven; en dat de stam zei: De wortel is wel onder mij, maar ik leef daarom uit den wortel niet.

Die zonde nu is in Christus te niet gedaan. En nu leeft weer de waarheid op, dat in stam, tak, twijg en bloem nooit ander leven kan werken, dan het leven dat opkomt uit den wortel Isaï.

Bloem, noch twijg, noch tak, noch stam hebben op zichzelf of uit zichzelf leven. Het leven zit in den wortel en in dien wortel alleen.

Houw den stam bij den wortel af, en uit dien wortel kan nieuw leven opschieten, maar die afgehouwen stam met tak en twijg en bloem verdort en sterft.

En zoo nu ook is dit het levensmysterie, dat Christus de wijnstok is, en wij niets dan ranken zijn, en dat de rank zonder den wijnstok niets doen kan, maar, van den wijnstok afgebroken, moet verdoiren.

Niet de rank leeft, maar de wijnstok leeft, en wat de rank leeft, leelt hij door met haar levensvezelen aan den wijnstok vast te zitten.

En zoo nu ook leeft niet gij, maar Christus leeft, en gij leeft slechts voor zooverre ge door liet geloofaan den wijnstok Christus vastzit, en zijn leven in u voelt indringen.

Houd aan die mystieke levensgemeenschap met den Zone Gods dus onveranderlijk vast.

In den staat der rechtheid 'was er óók eenlieid, en had die oorspronkelijke gerechtigheid voortgeduurd, nooit zou de enkele persoon gewaand hebben, dat hij uit zich zelven leefde, maar ieder zou gevoeld hebben: Het is het menschelijke leven, waaraan ik deel heb, en dat in mij werkt.

Dat dit anders liep, lag aan de zonde. En die zonde heeft ook u de inbeelding van een valsche ik-h.& \d gegeven, alsof ge een eigen leven hadt, een leven op u zelf, en zoo is de zelfzucht in stee van de liefde gaan heerschen.

En nu komt Christus. Hij kruisigt, hij doodt, hij begraaft dit uw valsche en ongerechtige ik. Dat ik mag niet meer leven. Ook gij moet er toe komen, om uit te roepen: Ik leef niet meer.

En juist als dat leven van het valsche ik uit u weggaat, vloeit vanzelf en heerlijk in u een ander leven, in den tak het leven van den wortel, en het is dat leven waaraan de wedergeboorte u deel gaf, en waarvan het zalig besef in u opsproot door het geloof.

Niet door een vaag, niet door een algemeen geloof, niet door een geloof in zekere stukken der leer, maar door het geloof van den Zone Gods, die u liefgehad en zich zelven voor u overgegeven heeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 augustus 1896

De Heraut | 2 Pagina's

„Ik leef, doch niet meer ik.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 augustus 1896

De Heraut | 2 Pagina's

PDF Bekijken