Bekijk het origineel

„Het woord prijzen.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Het woord prijzen.”

9 minuten leestijd

In God zal ik het woord prijzen; in den Heerc zal ik het woord prijzen. Psalm 56; II.

Bij handel in het klein heeft men liefst ïgeld bij de visch". Koopen op belofte v^xs. later betalen heet borgen, en borgen staat in kwaden reuk. Wie solide is, en zijn naam ophoudt, betaalt niet met belofte^i, maar met klinkende munt.

Zoo is het bij den handel in het klein. Maar heel anders komt de zaak te staan, als er handel in het groot, als er handel van land op land, als er wereldh.'xa& A wordt gedreven.

Als een koopman ten onzent voor een tonne gouds graan uit Rusland, Amerika of Voor-Indië koopt, denkt hij er niet aan honderd duizend gulden in goud over te maken.

Zoodra de sommen, die te betalen zijn, grootere evenredigheden aannemen, dan wordt dat betalen in klinkende munt te omslachtig, en ten slotte zoogoed als onmogelijk. Dan betaalt men niet in goud, maar in papier.

Dat papieren geld nu is niets dan een belofte. Het stukske papier, zij het wissel of bankbiljet, heeft op zich zelf niet de minste waarde. De waarde er\'an wordt uitsluitend bepaald door het woord dat er op en den naam die er onder staat.

Als dat zvoord maar duidelijk en die naam maar volstrekt betrouwbaar is, denkt zelis niemand er aan, om er de Idinkende munt voor te gaan opvragen.

Bankpapier is ons, zoolang de bank solide is, niet alleen evengoed als goud, maar gemakslialve en veiligheidshalve is het oas zelfs liever.

Hieraan nu ziet ge, hoe we, óók in het wereldsche leven, het woord prijzen, prijzen meer dan goud, ja, het fijnste goud van Ophir.

Als ge iemands woord, dat op geldswaardig papier staat, niet prijst, dan is dit, omdat ge in zijn crediet niet gelooft, zijn zeggen wantrouwt, en om niet faliekant uit te komen, door afrekening liever van hem af zijt.

Maar staat zijn crediet hoog bij u aangeschreven, vertrouwt ge hem zóó volstrekt en ten volle, dat ge er om lacht, als een ander u bang wil maken, dan eert ge zijn belofte, dan prijst ge zijn woord, dat op wissel of biljet staat, en stelt uw vertrouwen in den naam, die onder dit woord geschreven werd.

Nil heeft David zeker nooit wissel noch bankbiljet gezien, maar toch spreekt hij geheel dezelfde gedachte uit, als hij in Psalm 56: II zoo met nadruk zegt: »In God zal ik het woord prijzen: in God zal ik zijn woord prijzen, ik heb mijn vertrouwen in God gesteld, uw beloften, o. God, zijn aan mij beteekend, en daarom zal ik U loven".

David had heerlijke beloften van zijn God ontvangen, maar de vervulling van die beloften toefde.

Zoo had hij twee dingen van zijn God ontvangen. Ten eerste zijn belofte, maar die bestond enkel uit het tot hem gesproken woord. En ten tweede het met die belofte strijdige levenslot, dat hem angst aanjoeg, en dat was de werkelijkheid.

En dit nu plaatste David voor de vraag: Waar hecht ge meer waarde aan ? Aan de werkelijkheid die u benauwt, of aan het woord, dat u heerlijkheid verpandt?

En hierop nu antwoordt David: Als het nienschen gold, zou ik bij zoo harde, bange werkelijkheid, het woord wantrouwen; maar in God zal ik het woord prijzen. Voor mij ligt hooger waarde in het woord dat God tot mij sprak, dan in het lijden waaronder Hij mij nu nederdrukt.

Omdat het God geldt, leef ik niet in de werkelijkJteid, die mij overkomt, maar rust ik in zijn woord, dat tot mij uitging.

Bij menschen zou ik er anders voorstaan, maar in God zal ik het woord meer dan de werkelijkheid prijzen.

Meer dan een wissel van Rothschild voor een Jood op de beurs zou zijn, was het woord, was de belofte van God voor Israels koning.

En daarom volgt er op: Uw beloften zijn mij beteekend, o mijn God, en daarom staat mijn vertrouwen onwrikbaar vast in uw naam.

Of een kind van God rijk of arm is, en zich gelukkig of ellendi.; voelt, hangt alzoo uitsluitend af van de vraag, of hij in God het woord prijst. D. w. z. of de beloften Gods voor hem minstens gelijk staan met wissels van Rothschild of biljetten' van de bank in zijn brandkast.

Wie een portefeuille vol bankpapier in zijn geldkist heeft liggen, zegt niet: »V/at zal ik rijk worden, als mij dit alles eens wordt uitbetaald"— maar die w rijk, en voelt zich. rijk.

En zoo ook is rijk en voelt zich rijk elk kind van God, dat de belofte Gods personeel bezit en op de handteekening van zijn God onwrikbaar vertrouwt. En dit nu hangt eenigiijk aan ons geloof.

Natuurlijk, de beloften aan David gegeven, waren vanzelf personeel, en zoo zijn de beloften des Hceren aan zijn kinderen niet. Die beloften zijn voor allen in het gemeen, en personeel worden ze eerst door de bezegeling van den Heiligen Geest in ons hart.

Juist daarom drongen onze vaderen steeds zoo rusteloos op vcrzekerdheid des geloofs aan, een vcrzekerdheid die rechtstreeks uit de verkiezing vloeit, en in den aard van het geloof inzit. En het verwoest Gods kerk, en rooft aan Gods kinderen hun schat en hun vrede, als men door valsche prediking hen in eindelooze slingering en bekommering een ziekelijk behagen doet scheppen.

Echt geloof leidt er rechtstreeks toe, dat de Geest met onzen geest getuigt, dat wij kinderen Gods zijn. En waar zóó het Abba Vader! naar de lippen dringt, daar zijn de beloften personeel geworden, en ligt Gods Woord voor ons, als een bundel schatbiljetten, die niet slechts getuigen van toekomstigen rijkdom, maar ons nu XQ.eés schatrijk maken,

En alle geestelijke armoede, die dan nog een kind van God kwellen kan, komt alleen daaruit voort, dat hij door kleingeloof zijn vast en vol vertrouwen op de soliditeit van zijn God verloor, en daarom liever afbetaling had, dan de belofte.

Zóó echter keert het geloof in de handteekening en in het woord van zijn God niet terug, of opeens overstelpt hem weer het gevoel van schatrijk te zijn.

Het hangt er alleen maar aan, of hij, omdat het God geldt, in God zijn woord wil prijzen.

Zelfs gaat dit nog veel dieper.

Dat het woord meer waard is, en hooger staat, dan de werkelijkheid, ziet ge in de schepping.

Komt bij die schepping het woord uit de werkelijkheid, of de werkelijkheid uit het woord ?

Natuurlijk het laatste. Eerst spreekt God een woord, en dan komt uit dat woord het licht, en alle ding in hemel en op aarde.

Zoo is dan het woord de moeder van de werkelijkheid, en de werkelijkheid het kind van het woord.

Van dat punt uitgaande voert zelfs de Heilige Schrift ons nóg hooger op, en leidt ons van het gesproken woord naar het eeuwig gegenereerde Woord, om ons het mysterie te ontdekken, dat het Woord eeuwig bij God en God was, en dat ër geen ding in hemel of op aarde gemaakt is, dan gemaakt door het Woord.

Juist omgekeerd dus als bij ons menschen. Bij ons onderstelt het woord de werkelijkheid, en als die werkelijkheid er niet achter zit, is het woord zonder waardij. Een bankbiljet zou waardeloos zijn, als er niet werkelijk goud in de bank lag. Maar zoo is het bij den Heere onzen God niet. Bij Hem is het woord het wezenlijke, het eigenlijke, het waarde bezittende, en nooit ligt er bij Hem achter dat zvoord een geschapen werkelijkheid, maar alle werkelijkheid komt eerst daarna uit dit woord voort.

Let hierop.

Het geldt toch de vraag, of de zienlijke dingen de grond zijn van de onzienlijke of wel dat alle zienlijke ding rust in het onzienlijke.

In den zvereldhandel der menschen moet altoos het zienlijke goud in bank of kelder liggen, of het woord op wissel en bankbiljet wordt waardeloos. In Gods handel met de wereld daarentegen blijft het tot den einde toe zoo, dat dingen die we zien geworden zijn uit dingen die niet zienlijk zijn.

God nu is de Onzienlijke, de wereld is het zienlijke, en zoo komt dit gedurig op niets minder neer dan op de vraag, of God boven de wereld in prijs staat, of wel de wereld boven God.

En zegt ge dan, met blijde verrukking in de ziel: «Natuurlijk God boven de wereld!" welnu, dan gaat ook het onzienlijke verre boven het zienlijke uit. En past ge dit nu toe op de belofte, op het woord, op de toezegging, dan ligt er immers rechtstreeks in, dat het woord boven de saak staat, en dat ge als kind van God het zvoord in uw God boven de realiteit om u heen hebt te prijzen.

Zelfs onder ons menschen is het woord het hoogste, dalj^ene wat we boven alle andere kreaturen op aarde vooruit hebben.

In het zvoord gaat de ziel uit, vloeit het verborgen innerlijk leven uit naar buiten.

Het woord is geest, en toch heeft het tegelijk door vorm en klank deel aan het stof­ j felijke. Het woord is de fijnste, de wonderbaarste saamvoeging van wat in ons omgaat en buiten ons bestaat.

De taal, de sprake, het woord is reeds onder ons menschen, voor wie het wel indenkt, de rijkste levensuiting die ons geschonken werd, en waarin de afdruk van het beeld Gods zoo kennelijk nawerkt.

In God het eeuwige Woord, en pp onze lippen het geschapen woord in klank en toon, en toch innerlijk als met onze ziel doorademd.

Daarom is het zoo diep uit Davids ziel opgeweld, als hij uitroept; »/« God zal ik het woordptijzen"

En die vele belijders onzes Heercn, die heden ten dage, op mystiek leven en nog mystieker gevoel willen drijven, en inmiddels het Woord onzes Gods loslaten, toonen zooveel minder dan David, vóór dertig eeuwen, van het wezen en de gangen onzes Gods te verstaan.

Zuivere godsvrucht Iaat het Woord niet los, om er het gevoel van geestelijk leven voor in plaats te stellen, maar kent geen leven en kan geen zalig gevoel genieten, dan steeds uitgaande van wat Israels koning betuigde: Prij^ in God zijn Woord.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 september 1896

De Heraut | 4 Pagina's

„Het woord prijzen.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 september 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken