Bekijk het origineel

„Hebbende het begeerig gemaalit

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Hebbende het begeerig gemaalit

9 minuten leestijd

Gij bezoekt het land, en hebbende het begeerig gemaakt, verrijkt Gij het grootelij ks; de rivier Gods is vol waters. Wanneer Gij het alzoo bereid hebt, maakt Gij hunUeder koren gereed. Psalm 65 : 10

Uit Sions zalen klinkt in stilheid de lofzang op voor God.

Dat was onder de oude hedeeling: tiU de terapelzalen op Sions heuveltop, maar beduidt thans, onder de bedeeling des Nieuwen Testaments : uit de gemeente des Heeren^ uit het hart der geloovigen. Immers de tempel Gods is thans het Lichaam van Christus, en in dat Lichaam de toegebrachte persoon van elk kind van God. Of weet gij niet, dat gij Gods tempelzijt^dtm]\ God de Heilige Geest in ulieden woont?

Edoch, merJi er nu op, hoe weinig de Schrift dit in eenzijdig geestelijken zin bedoelt. Want natuurlijk huist de Heilige Geest niet in ons vleesch en been, maar in ons hart en in onzen geest; en toch zegt de Schrift: Of weet gij niet, dat uw lichaam, een tempel is van den Heiligen Geest?

En evenzoo staat het met dat loven Gods onder het beeld van den zang uit > Sions zalen."

Dat zoudt ge van kindsbeen ai gemerkt hebben, zoo we nog de gewoonte hadden, om eiken Psalm op eenmaal geheel uit te zingen. Dat doen we nu niet, en daarom zingen we van Psalm 65 dan meest enkel vers ée'n en twee: sDe lofzang klim uit Sions zalen", en : sEen stroom van ongerechtigheden". Dat wil dus zeggen, enkel de twee geestelijke verzen van dit heerlijk lied.

Zoo is onze eenzijdigheid; maar zoo eenzijdig was de Schrift niet.

Slaat ge toch den Psalm in het onberijmde op, en leest ge dien geheel door, aan één stuk, dan ziet ge hoe de Godgewijde zanger van Sions lofzang op de schuldbelijdenis van het eigen hart; van deze schuldbelijdenis op Gods oordeelen; van'die oordeelen op het werk der Schepping; van die Schepping op het Godsbestuur in de historie; van de historie op den akker; van den akker op de jaargetijden over­ gaat; en zoo den lofzang, die in Sions zalen begon, een nagalm en uitgang doet vinden in het loflied ook der stoffelijke wereld.

Eerst: sDe lofzang is in stilheid tot U, o God, op Sion." Aldus heft de Psalm aan. En het is van dien aanhef nu, dat ge de echo in het leven der natuur beluistert, als het in het slotvers, zoo bezielend heet: iDe velden zijn bekleed met kudden, de dalen zijn bedekt met koren; zij juichen, ook zingen zij."

In de Schrift geen tweeheid dus, maar eenheid. Schepping en genade één in de uitwerking. En daarom Sion niet als eenzaam punt, losvan de wereld gedacht; maar Sion als het hart van heel de wereld genomen, en heel die wereld als bij en onder Sion hoorende.

Gelijk de mensch geschapen was, opdat alles hem, maar hij in dat alles zijn (Je//zou dienen; hij de mond, het orgaan, de tolk van heel dit geschapen leven zou zijn, om Gode het reukwerk der aanbidding op te dragen; zoo is ook hier Sion geen oogenblik los van de wereld gedacht, maar als met levende banden aan die wereld vastgeschapen.

En daarom is het één lofzang, die alleen Sion in de stilheid des geloofs Gode opdraagt, maar die tevens naklinkt, en naruischt heel de wereld dooi. Over bergen en velden, langs heuvelen en dalen.

Alles juicht majesteit. Gode toe, alles lofzingt zijn majesteit.

Doch nu komt er voor Sion de ongerechtigheid, en voor het leven der natuur Gods oordeel tusschenin.

Onze berijmer heeft dat niet gevat, en de woorden: ïGij bezoekt het land en maakt het begeerig, " in één vers laten saimvloeien met het juichen van morgen en avond.

. Gij geeft dat de uitgang van den morgen en van den avond juich, En dat men U voor al uw zorgen ootmoedig dank betuig'. Het land bezoekt Gij met uw zegen, en door U drooggemaakt, Verrijkt Gij 't grootelijks weer met regen, die tot de wortel raakt.

Ook dit iraken tot den wortel" is geheel misplaatst, daar de regen hier voorkomt als na het ploegen, en straks na \h, et zaaien., vallend, dus eer het zaad nog wortel schoot.

Doch dit is bijzaak. Ge leest en zingt er overheen. Maar geen bijzaak is, dat de samenhang tusschen natuur, oordeel en zegen, in verband met dien tusschen genade, zonde en vergeving, geheel teloor ging.

Het kind van God dat in Sion door genade mag neerknielen, belijdt zijn zonde, en roemt in vergiffenis: lOngerechtige dingen hadden de overhand over mij, maar onze overtredingen die verzoent Gij, "

Het volk Gods in de historie heeft een oog voor de svreeslijke dingen" die God in gerechtigheid antwoordt, maar roemt het bestel des Heeren, dat »het rumoer der volkeren, als der baren stilt, "

En zoo nu ook ondergaat de wereld van God, waarin dat volk van God en dat kind van God leeft, zijn oordeelen in het rijk der natuur, als de aarde verdort en uitdroogt; maar ook zij eindigt met den lof des Almachtigen te laten uitkUnken, omdat de Fontein Gods vol waters is, en Hij het land overvloediglijk drenkt.

Dat is Schrifttaai, en daarom zóó alleen is het Gereformeerd. Geen scheiding. Gods kind en Gods volk en Gods wereld, het vormt alles één geheel, door Hem heerlijk geschapen, door zonde verstoord, in oordeel getuchtigd, endoor verzoenende genade vertroost, ten leven wecrgebracht en verrijkt, en deswege Gode toejubelend. De mystiek van het hart, het 2e Deum der kerke Gods, en de Psalm der natuur saamsmeltend in één accoord, om de majesteit des Heeren HEEREN" te verhoogen.

En zoo nu eerst komt dat opmerkelijke woord: «Hebbende het begeerig gemaakt" tot zijn volle recht.

Dat het land »begeerig gemaakt" wordt, beduidt dat het dor en hard en uitgedroogd in zijn vaalheid nederligt.

En nu onderwijst de Psalmist ons, dat het land niet vanzelf droog werd, buiten God om maar dat ook die dorheid, dat vale, dat uitgedroogde van den akker van God kwam, door Hem bewerkt werd, door Hem gewild was, uit zijn bestel voortkwam, eensdeels als een oordeel over dien akker, en in dien akker over den mensch, maar anderdeels ook met in dat oordeel een voorbereidende genade. Want als de akker dor en verdroogd nederligt, schreit hij naar God om regen, en is het God die door zijn uitdroging, die begeerte naar regen in den akker gewerkt heeft.

Niet dus, eerst een akker zonder God en buiten God, en daarom uitgedroogd, en nu eerst God ziende, dat die akker buiten Hem om droog werd, en dien akker te hulpe komende. Neen, neen God alomtegenwoordig. God ook bij dien akker almachtig, niets dus aan dien akker buiten zijn bestel overkomende. En daarom zoowel het verdorren en droograken van dien akker, als straks zijn omploeging en besproeiing G»ds werk.

Diezelfde God, die straks uit zijn Fontein vol waters den akker verrijken za], is dezelide God die eerst den akker uitdroogde, en door dat uitdrogen hern begeerig maakt.

En is dit nu wel gevat, dan moet ge dit niet dusgenaamd geestelijk overbrengen, maar in den Psalm zelf de eenheid vaa natuur en genadeleven voor u zien tintelen in al haar warmte en innigheid, en zóó het leeren verstaan, dat het één doen vol majesteit van uw God is, én in het leven uwer ziel én in het leven der schepping.

En zoo nu verstaan, ja, dan zijt gij die akker, en is uw matte, moede ziel, dat vale veld, dat den regen van boven derft, en is het ook in uw geestelijk leven uw God zelf, die u in zijn oordeelen de ziel verdorren doet, maar tevens ook in dat verdorren uwer ziel de voorbereidende genade mengt, dat Hij er uw hart begeerig door maakt, en u schreien doet om weer verkwikt te worden met de dauwdroppen van zijn heil.

Dat geldt bij het eerste nederdalen van die dauwdroppen des heils in uw bekeering, en het geldt evenzoo van alle volgend indalen van de malsche droppelen der genade in uw bekeerde, maar zich weer afkeerende ziel.

Het gaat ook in uw ziel nooit buiten] uv/ God, nooit buiten zijn bestel, nooit buiten zijn handeling met u en zijn inwerking op u, oui. Voor de bekeering is het de dorheid des doods, die deer den verzengenden adem der zonde over uw ziel en heel uw wezen was uilgegaan, en God zelf was het, dia in zijn gerechtigheid, dat vreeslijke over u bracht en u in uw eigen dood neerwierp.

Maar in dat oordeel werkte tevens 2ijn voorbereidende genade, en die doodelijke dorheid uwer ziel heeft Hij aangegrepen, om u naar zijn lieven Zoon begeerig te maken, uw hart in diepe voren op te ploegen, en zoo in die geopende voren het zaad des levens, en met het zaad des levens den dauw van zijn genade te doen indalen.

En dienzelfden gang bleef Hij met u houden ook na uw toebrenging.

Het moest genade voor genade worden, en voor elke nieuwe invloeiing van genade moest eerst uw hart weer begeerig worden gemaakt.

Dat deed Hij dan door u te beproeven, door u een tijdlang op eigen kracht te laten drijven, door de rijke werking van zijn Geest terug f e trekken, door u, zoo ge wilt, een oogenblik te verlaten.

Eu dan werd het weer dor ook in uw binnenste, en droogde ook in uw ziel de beek der genade weer op.

En zoo werdt ge begeerig gemaakt. Begeerig naar een meerdere, naar een nieuwe genade. Tot het ook in u een roepen, een schreien, een smeeken haar uw God werd. En dan daalde rijk en vol de zegen der genade uit de Fontein des heils neder, en werd het ook in u een nieuwe lofzang Gode.

Ja, ten deele is het zoo in heel uw gebedsleven.

Bidden, zonder dat uw hart begeerig gemaakt is, geeft geen zielsinnig gebed.

Alleen de ziel die uit innerlijken nood naar God schreit, kent en verstaat het heilig gebedsmysterie.

En daarom, klaag niet over uw kruis dat er eiken morgen is, en over de verdrietelijkheid die uw hart in den middag dor schroeit.

Dat alles komt u van God toe. Dat alles is zijn doen om \r.begeerig te maken. In dat alles is zijn uitdrijven van uw ziel naar de zaligheid van het gebed.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 september 1896

De Heraut | 4 Pagina's

„Hebbende het begeerig gemaalit

Bekijk de hele uitgave van zondag 20 september 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken