Bekijk het origineel

De Martelaren.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Martelaren.

7 minuten leestijd

CCXVII.

ROBERT SMYTH.

Toen de Heere Jezus zijnen discipelen voorspelde, dat zij om zijns naams wille vervolgd zouden worden, heeft Hij hun tegelijk gezegd, dat zij dan, voor koningen en stadhouders getrokken, verantwoording zouden moeten afleggen van hun gelooi en hunne hope. Wijsheid zouden zij in zulke omstandigheden noodig hebben om te spreken. Maar vreest niet — beloofde Christus toen — in de ure, waarin gij het noodig zult hebben, zult gij alles ontvangen wat gij behoeft! Deze belofte heeft de Heere alle eeuwen door aan zijne martelaarskerk vervuld, al is het óók waar, dat Hij den eenen soms meer geeft dan den anderen.

Onder degenen, die Hij met groote gaven ter verantwoording heeft gezegend, mogen wij Robert Smyth rekenen. Deze, een schilder van beroep, werd den san Juli 1555 voor den rechterstoel des Londenschen bisschops Bonner gebracht met nog eenige andere gevangenen. Het was 's morgens negen uur, toen de bisschop Smyth afzonderlijk riep in zijne kamer. De eerste vraag, die hij hem stelde was, hoelang het geleden was, dat hij gebiecht had. 't Antwoord des martelaars klonk, zonder aarzelen: " Van den dag af, dat het verstand eenigermate zich begon te ontwikkelen. Ook heb ik nooit behoefte gevoeld om bij eenen priester te biechten." Op deze onomwonden verklaring riep Bonner: »Waarlijk, men behoeft niet meer te vragen, of ge een ketter zijt; maar zeg mij, waarom hebt ge uw schilderskwast verwisseld tegen de studie der Theologie f" Daarop was Smyth's antwoord, dat hij nooit het schildersvak had uitgeoefend om er zijn brood meê te verdienen. Gode zij dank had ik dat niet noodig. Dus kon ik mijn tijd wijden aan het lezen en overdenken des Bijbels. JHoelang is het geleden, dat gij de mis meegevierd hebt", was toen de vraag van den bisschop, waarop Smyth weer antwoordde, dat dit niet gebeurd was, sinds God hem bekeering en leven had gegeven, want toen eerst had hij ingezien, dat de Heilige Schrift nergens de leer van de wezensverandering in het brood en den wijn des Avondmaals predikte.

Na vele woorden en redekavelingen oordeelde Bonner, dat een m*n, die zóó sprak, rijp was voor den brandstapel. > Nu spreekt gij in denzelfdcn geest, waarin gij tot vele andere belijders van den Christus hebt gesproken, " hernam Smyth: »0, hoeveel onschuldig bloed hebt ge al geplengd! Maar het baat u niet, de wonde, der Roomsche kerk geslagen, zal nooit genezen. Telkens zal zij weer openbreken."

Bonner zond daarna den martelaar naar den tuin en begon het onderzoek van Stephen Har wood, ook een belijder des Heeren, die zijn geloof bezegeld heeft met zijn bloed.

Toen hij Smyth weer binnen had laten komen, vroeg de bisschop hem: »Zijt gij 't eens met Harwood? " »Ja, " was het antwoord des martelaars, sik geloof een heilige, algemeens. Christelijke kerk, gegrond op het fondament van apostelen en profeten. Deze kerk bouwt alleen op 's Heeren Woord. Zij leeft niet zonder dat Woord. Van haar ben ik door de genade des Heeren een levend lidmaat." »Waar is dan die kerk, " vroeg de bisschop. sVraagt gij dat, " gaf Smyth gevat ten antwoord. »en gij weet hare leden zoo goed te vinden en te vervolgen. Bovendien is zij bekend bij God en hare geloovigen." Daarop riep een der priesters: »Gij zijt toch waarlijk niet onnoozel, Smyth." Hierop antwoordde hij: »Ik ben, wat ik ben, door de genade Gods en ik hoop, dat die genade mij niet te vergeefs geschonken is." Het gesprek over de kerk werd nog eenigen tijd voortgezet, waarna Smyth weer naar den tuin werd gezonden. Hier werd hij met zijnen medebroeder Harwood door een priester aangesproken, met de vraag: sHoudt gij u niet voor eenen gevangene? " Smyth antwoordde »Naar het lichaam ben ik gevangen en onderworpen aan den wil van hem, die mij gebonden houdt; maar in en door den Heere Jezus ben ik een vrijgemaakte." Van den twist, die toen volgde over de mis, willen wij niet spreken, daar hij telkens terugkomt in den vervolgingstijd der i6de eeuw en steeds aan weerszijden dezelfde bewijzen worden aangevoerd om eikair te bestrijden.

Doch na dit gesprek bracht men Smyth naar de zaal des bisschops, waar zijne bedienden en beambten waren, die er hun genot in vonden de gevangenen te beledigen. Dit verdroot ten slotte den cipier die hen in eene andere kamer bracht, waar zij eenige rust genoten, totdat de bisschop in gezelschap van den wereldlijken rechter hen een voor een tot zich riep. De eerste, die geroepen werd, was Smyth, die getuige was, hoe Bonner en zijne medegenooten zich vroolijk maakten bij den wijn die als bij stroomen vloeide. »Ik dacht" zei Smyth later, aan Pilatus en Herodes en hun verbond tegen den Heere en nu tegen zijne knechten."

Nadat mea genoeg gedronken had begon weer de ondervraging. De bisschop liet toen eenige artikelen voorlezen en vroeg, of deze niet door hem beleden werden. De martelaar antwoordde: sMet mijnen mond heb ik niets gesproken, wit ik niet zoo uit den grond mijns harten bedoeld heb.

Hierop zei Bonner tot den burgemeester: > Gij hoort welk een halsstarrige ketter Smyth is. Maar ik wil barmhartig tegenover hem zijn, zooals ik altijd ben, al wordt u van waarheid beschuldigd. Ik wil den gevangene vrijlaten als hij op den rechten weg terugkeert. > Gij barmhartig", riep daarop de martelaar, > nu, dat zouden Thomas Tomkins en andere martelaren anders kunnen getuigen. Gij dorst naar ons aller bloed." Zoo sprak de martelaar en zoo hield hij vol, ondanks het onvriendelijke bescheid dat hij kreeg.

Na deze woordenwisselingen werd Smyth met de andere gevangenen, die na hem gehoord waren, naar den kerker te Newgate gebracht en daar in een onrein gat, diep in den grond, geworpen.

Zaterdags daarop werd Smyth opnieuw bij den bisschop gebracht. Na afloop van het onderzoek begon hij des martelaars vonnis te lezen, in deze woorden: »In den naam van God, Amen. Smyth viel hem in den rede en riep: »Ten onrechte begint gij, bisschsp, uw vonnis in den naam van God. Waar toch staat het in den Bijbel gegeschreven, dat men iemand om des gewetens wil moet veroordeelen". Bonner deed of hij niets hoorde en volbracht de voorlezing van het doodvonnis. Toen zou de veroordeelde weggeleid worden. Doch eer hij heenging zeide hij tot zijn wereldlijken rechter: sMijnheer, is het niet genoeg, dat gij den weg Gods hebt verlaten, moet gij daarenboven nog den Heere Jezus en zijne leden helpen veroordeelen ?

Bonner wendde zich hierop tot zijnen gevangene en zeide: »Gij kunt toch niet zeggen, dat ik niet alles gedaan heb om u op den rechten weg te brengen. Ik heb u menschen gezonden om u te onderwijzen. Durft gij mij dan nog bloedgierig te noemen? " Kalm en waardig hernam Smyth: »Mijnheer de bisschop, al zweeg ik over uwe daden, dan zouden deze steenen daarvan luide getuigen". jBrengt dien onverlaat weg", schreeuwde Bonner. Doch Smyth antwoordde: »Ik neem u allen, die hier tegenwoordig zijt, tot getuigen, hoe men ons behandelt en zonder eenige reden uit de Schrift en zonder eenig bewijs als ketters veroordeelt.". Toen zich richtende tot den wereldlijken rechter ging hij voort: »Gij mijnheer hebt het zwaard ontvangen van den Heere tot bescherming van de arme leden van Christus, zult gij het misbruiken in den dienst van 's Heilands vijanden? God geve u berouw over uwe zonde eer het te laat is."

Toen ging de martelaar naar den kerker te Newgate en werd kort daarop verbrand in de stad Stanes. Met dezelfde lijdzaamheid, waarmee hij voor den rechter de goede belijdenis geleden heeft, is hij den marteldood gestorven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 september 1896

De Heraut | 4 Pagina's

De Martelaren.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 september 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken