Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de gemeene Gratie.

19 minuten leestijd

TWEEDE STUK.

V.

Is God een God der Joden alleen ? En is Hij het niet ook der heidenen? Ja, ook der heidenen. Rom. 3 : 29.

Reeds het slot van ons vorig hoofdstuk wees op de > verborgenheid, " die met name door den apostel Paulus verheerlijkt werd in de roeping der volkeren. Thans dient op hetgeen de apostel dienaangaande zegt, nader te worden ingegaan. Blijkbaar toch ligt achter het spreken over deze > verborgenheid" meer dan men bij oppervlakkige lezing vermoedt. Als Paulus in zoo plechtige taal, en op zoo bezielden toon, niet ééns, maar keer op keer, gewaagt van een «verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen was, maar nu geopenbaard is, naar het bevel des eeuwigen Gods, " gaat het dan aan, hierbij aan niets anders te denken, dan aan de mogelijkheid, dat ook een heiden, die zich bekeert, zalig worde? Stel, Paulus had ganschelijk niet van deze »verborgenheid" gerept, zou iemand, wie dan ook, ooit gedacht hebben, dat alleen een Jood van afkomst zalig kon worden? Of leerde dan niet zelfs de starste particularist, onder de sekte der Farizeën, dat ook een heiden aan Israels heilgoed deel kon erlangen? Ja, dreven ze niet ijverig zending, en omreisden ze niet zee en land om uit heidenen Jodengenooten te gewinnen? Het feit, dat ook een geboren "heiden zalig kon worden, was alzoo voor niemand een »verborgenheid." Dat wist ieder, en stemde ieder toe. En ook daarin, dat een heiden thans zalig kan worden, zander de besnijdenis, kan de diepe verborgenheid niet liggen. Noch Abel, noch Henoch, noch Noach, noch Sem zijn besneden geworden, en toch beweert niemand dat ze deswege verloren zijn. En stel al, dat de zaligheid voor den heiden er metterdaad nu nog aan hing, dat ze zich in Israël als natie lieten inlijven, wat zou dat er op zich zelf voor dien mensch toe doen? Ingelijfd of niet ingelijfd in de Joodsche natie, als hij maar zalig werd. Veilig mag dan ook gezegd, dat hij die bij het lezen van wat Paulus over deze «verborgenheid" zegt, er niet anders onder verstaat, dan dat ook de geboren heidenen zalig kunnen worden, en dat wel zonder inlijving in Israël, en dat we daarom zending moeten drijven, — het apostolisch woord niet tot zijn recht doet komen, over den diepen zin ervan heen leest, en onwillekeurig onder den indruk moet komen, dat Paulus zich soms toch zeer hoogdravend uitdrukt.

Zoo weinig wordt de strekking van het apostolisch getuigenis dan ook verstaan, dat men er niet aan denkt, om deze «verborgenheid" in de Christelijke kerk te onderwijzen. Wel onderwijst men de «verborgenheid" der vleeschwording van het Woord, ook wel de «verborgenheid" die groot is, namelijk dat het huwelijk een afschaduwing is van den band tusschen Jezus en zijn kerk, maar van deze «verborgenheid", waarop Paulus niet ééns, maar telkens wijst, wordt ternauwernood gerept. Ze is niet in het Christelijk besef opgenomen. Ze wordt onder de mysteriën der Christelijke religie niet meegeteld. Men leest er over heen. En onder het overheen lezen, vat men Paulus' zeggen dienaangaande op in zoo matten, niets zeggenden zin, dat we, zoo opgevat, feitelijk niets zouden verloren hebben, indien Paulus ganschelijk van deze «verborgenheid" gezwegen had.

We beginnen daarom eerst met hier bijeen te voegen wat feitelijk door den heiligen apostel dienaangaande gezegd is.

Ten eerste lezen we dan in den briet aan de kerk van Rome, in kap. 16:25—27 dit:

Hem nu, die machtig is u te bevestigen, naar inijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest,

Maar nu geopenbaard is, en door de profe-! tische Schriften, naar het bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloofs, onder alle de heidenen bekend is gemaakt;

Denzelven alleen wijzen God zij door Jezus Christus de heerlijkheid in der eeuwigheid, Amen.

In de tweede plaats schrijft hij in zijn brief aan de kerk van Epheze, kap. i:9—11:

Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid zijns willens, naar zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in zichzelven.

Om in de bedeeling van de volheid der tijden wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is, en dat op de aarde is;

In hem, in welken wij ook een erfdeel geworden zijn, wij die te voren verordineerd wa-ren naar het voornemen desgenen, die alle dingen werkt naar den raad zijns willens.

In de derde plaats lezen we in denzelfden brief, kap. 3:9—11:

En allen te verlichten, dat zij mogen verstaan wellte de gemeenschap der verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus;

Opdat nu, door de gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods;

Naar het eeuwig voornemen, dat Hij gemaakt heeft in Christus Jezus onzen Heere.

In de vierde plaats leest ge in Col. 1:26, 27:

Namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan zijne heiligen;

Aan wie God heeft willen bekend maken, welke daar zij de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de heidenen, welke is Christus onder u, de hope der heerlijkheid.

In de vijfde plaats schrijft Paulus aan Timotheüs, korter omdat Timotheüs het mysterie reeds kende (2 Tim. 1:9 en 10):

Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met eene heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Jezus Christus voor de tijden der eeuwen.

Doch nu geopenbaard is door de verschijning van onzen Zaligmaker Jezus Christus, die den dood heeft te niete gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie.

En evenzoo, nog korter, aan Titus (Tit. I : I en 2):

Paulus, een dienstknecht Gods en een apostel van Jezus Christus, naar het geloof der uitverkorenen Gods, en de kennis der waarheid die naar de Godzaligheid is,

In de hope des eeuwigen levens, welke God, die niet liegen kan, beloofd heeft vóór de tijden der eeuwen, maar geopenbaard heeft te zijner tijd.

Terwijl eindelijk de heilige apostel Petrus, in bijna gelijken stijl, zij het ook minder omstandig, zich in dezer voege uitlaat (i Petr. I ; 20 en 21):

Dewelke wel voorgekend is geweest vóór de grondlegging der wereld, maar geopenbaard is in deze tijden om uwentwille;

Gij die door hem gelooft in God, welke hem opgewekt heeft uit de dooden, en hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hope op God zijn zoude.

Reeds de eenvoudige bijeenvoeging van deze zeven opmerkelijke uitspraken toont genoegzaam, dat hier gehandeld wordt niet van een bijkomstige zaak, maar van een zeer gewichtig stuk der Openbaring; terwijl de uitdrukking «verborgenheid", die gedurig gebezigd wordt, alsmede de hooggestemde taal, waarin de gedachte wordt uitgedrukt, bewijst, dat er gehandeld wordt van een waarheid, die niet slechts gewichtig, maar tevens verheven is. Iets wat evenzoo uitkomt in een ander woord van Paulus, dat eenigszins een gewijzigd doel heeft, maar toch feitelijk op hetzelfde mysterie wijst, en dat ge leest in Rom. 9 : 25 en 26, waar staat:

Gelijk Hij ook in Hoséa zegt: «Ik zal hetgene mijn volk niet was, mijn volk noemen, en die niet bemind was, mijne beminde;

En het zal zijn, in de plaatse waar tot hen gezegd was: «Gijlieden zijt mijn volk niet, '' aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden."

Nu heeft intusschen de Christelijke kerk, in de eeuwen die achter de Hervorming liggen, dit stuk zoo weinig tot zijn recht doen komen, dat Calvijn nog schrijven moest: «Wat hier onder deze verborgenheid, die bedekt was, te verstaan was, staat onder de Qodgeleerden nog geenszins vast". En dan stemt hij wel toe, dat diegenen op het goede spoor zijn, die erkennen dat hier op de roeping der heidenen wordt gedoeld; maar hij voegt er toch bij, dat deze oppervlakkige oplossing hem niet bevredigt, en dat hij niet verre is van het vermoeden, dat er heel het verschil tusschen Oud en Nieuw Verbond in schuilt. Toch is Calvijn zelf er volstrekt niet in geslaagd, om de zaak tot klaarheid te brengen. Dat hij er mede getobd heeft, blijkt uit de breede inlasschingen die hij in zijn tweede editie invlocht ; en het is feitelijk eerst aan het slot van de laatste inlassching, dat het licht hem even opging» maar zonder dat hij het uitwerkte, toen hij het mysterie daarin zocht, dat God heel de wereld, heel ons geslacht, of gelijk hij het uitdrukt, »al de volken desaardrijks zich in de gehoorzaamheid des geloofs onderwerpen wilde." Alzoo wacht ook na Calvijn dit stuk der leer op nadere uitwerking. Ook met wat Calvijn schreef kwam het nog op verre na niet tot zijn recht, en ook na hem is het door onze Godgeleerden veel te pijnlijk veronachtzaamd. De sleutel tot het recht verstand van heel deze reeks uitspraken ligt namelijk daarin, dat het mysterie eenerzijds eenvoudig in de Vleeschwording des Woords schijnt gezocht te worden, eiT dat het anderzijds gezocht wordt in de toebrenging der volken. Die twee zijn telkens ineengestrengeld. De roeping der volken komt niet bij de Vleeschwording bij, en ook is niet genoeg gezegd, zoo ge erkent, dat ze er een uitvloeisel van is, maar dan eerst doorgrondt ge Paulus' zeggen, als ge inziet, dat hij deze twee, eenerzijds de Vleeschwording of de komst van Christus, en anderzijds de roeping der heidenen, als één en hetzelfde mysterie, als geheel dezelfde verborgenheid in uw voorstelling laat optreden.

De zin hiervan nu is deze: e verstaat de Vleeschwording des Woords niet, zoolang ge staan blijft bij het feit, dat Jezus als Jood geboren is. Dit feit is wel onloochenbaar. Hij zelf toch sprak: e zaligheid is uit de Joden, en tegenover de kettersche gevoelens der Samaritaansehe vrouw moest dit stellige feit gehandhaafd worden; maar toch zonder meer verstaat ge de Vleeschwording niet. Het Woord is niet Jood, maar vleesch geworden. D. w. z. gelijk de kinderkens des vleesches en des bloeds deelachtig zijn, zoo ook heeft de Zone Gods onze nienschelijke natuur aangenomen. Hij heeft die menschelijke natuur aangenomen, niet uit de lucht, noch door nieuwe schepping. Neen, hij heeft ze aangenomen uit het menschclijk geslacht dat bestond; uit het wezenlijke menschelijke vleesch en bloed, dat uit Adam van geslacht tot geslacht tot in de dagen van Bethlehems kribbe was voortgeplant. Hij heeft dus die menschelijke natuur aangenomen in een bepaalden vorm, in een bepaald volk, in een bepaalden stam, uit een aangewezen vrouw; en als ge op dit nader bepaalde komt, dan is hij M-', ria's zoon, uit Juda's stam, de zone Davids, uit het zaad Abrahams (Hebr. 2 : 16). Maar dit alles geldt en raakt slechts de nadere bepaling. Als ge doopt, sprenkelt ge een bepaald water op het voorhoofd van den doopeling. Ge kunt niet anders. Het is water uit dien of dien stroom, uit dien of dien put, uit die bepaalde pomp of uit die aangewezen waterleiding. Maar al deze nadere bepaling is bijzaak. Ge kunt daar wel niet buiten, maar nochtans blijft het bij den Doop hoofdzaak, niet dat het water uit deze of die fontein, maar dat het water zij. Onverschillig is het niet, welk water. Ge zult niet troebel, riekend, maar liefst helder en zuiver water nemen. Maar toch het water als zoodanig is en blijft bij den Doop het eigenlijke waarom het te doen is. Geen olie, geen wijn, geen bloed moet het vocht zijn, maar water, evenals het bij het Sacrament des heiligen Avondmaals geen water, noch bloed, noch olie, maar wijn moet zijn, en zulks wel wijn die rood is. En ook bij dien wijn gebruikt ge wel altoos een bepaalden wijn; uit dat en dat land herkomstig, geperst uit druiven van dien en dien wijnstok, maar toch die nadere bepaling is ook bij den wijn van het Avondmaal bijkomstig, en de hoofdzaak blijft, dat het wijn zij.

En zoo nu ook staat het hier. Het Woord wordt vleesch. De Zone Gods neemt onze menschelijke natuur aan. Dit nu kan hij niet doen dan door geboren te worden in een bepaald volk, uit een aangewezen stam, uit een met name genoemd geslacht, uit één daartoe verordineerde vrouw, die hem in haar schoot draagt en hem haar vleesch en bloed meedeelt, en dan natuurlijk is dat volk Israël, en die stam Juda, en dat geslacht David en die vrouw Maria. Maar toch ook hier is al die nadere bepaling bijkomstig; middel, niet doel; en hoofdzaak en doel blijven, dat hij aannam de menschelijke natuur, het vleesch en bloed van Adam, de natuur van ons m.enschelijk geslacht, datgene wat over heel de wereld den mensch als mensch van alle overige creaturen onderscheidt. Steeds heeft dan ook de Christelijke kerk beleden, en belijden ook onze Gereformeerde kerken nog, dat onze zaligheid in beginsel daaraan hangt, dat hij de waarachtige menschelijke natuur heeft aangenomen, ook al kon hij naar Gods bestel die niet anders aannemen dan uit Maria. Of om het kort te zeggen: op zich zelf, in het afgetrokkene, zou de geboorte van Jezus uit een andere maagd denkbaar zijn geweest, maar het zou niet denkbaar zijn geweest, dat hij een andere dan de menschelijke natuur had aangenomen. Dan toch ware}hij niet onze Heiland, en kon hij onze zonden niet verzoend hebben.

Is het hieruit nu duidelijk geworden, dat de hoofdzaak van de «Verborgenheid der Godzaligheid" daarin ligt, dat het Woord vleesch werd, en dat de Zone Gods onze menschelijke natuur heeft aangenomen, dan zal men ook kunnen begrijpen, hoe dit feit nu rechtstreeks saamhangt met de behoudenis tdet van Israël, maar van de wereld, van ons geslacht, van den mensch als mensch. Ware toch het geboren zijn als Jood de hoofdzaak of het eigenlijke, en had de Zone Gods wel de Joodsche natuur, maar niet de menschelijke natuur aangenomen, dan natuurlijk zou hij wel de Zaligmaker der Joden, maar niet de Zaligmaker der menschen als zoodanig zijn, en zou hij wel de zonde der Joden, maar niet de menschelijke zonde verzoend hebben. Staat daarentegen de zaak zóó, dat hij niet het specifiek Joodsche, maar de algemeen menschelijke natuur aannam, die natuur die onzer aller is, waarin al wat mensch heet, leeft en bestaat, zoodat het Joodsche slechts het aanvattingspunt was, om het wezen onzer algemeene menschelijke natuur aan te nemen, dan volgt hier ook uit, dat hij niet de Zaligmaker der Joden, maar de Zaligmaker en Heiland der wereld is, en dat niet enkel der Joden zonde, maar de menschelijke zonde, de zonde onzer menschelijke natuur door hem verzoend is. Iets wat dus neerkomt juist op hetgeen Paulus ons als de diepe verborgenheid verheerlijkt, t.w. dat er bij de komst van den Christus geen sprake is van een uitsluitend Joodsch heil, maar integendeel van een genade Gods, die zich uitstrekt naar al wat mensch heet, naar alle de volken. «Alzoo lief heeft God, niet de Joden, maar de wereld gehad, dat Hij zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk (d. i. een iegelijk die mensch is) die in hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe."

Wie nu, na deze korte uitlegging en toelichting, de straks aangehaalde uitspraken der Heilige Schrift herleest, zal zien, dat hiermee aanstonds de eerst .schijnbare verwarring verdwijnt, en dat het volkomen klopt, als de ééne maal de verborgenheid'^fzoekt wordt in de vleeschwording, en de andere maal in de roeping der volken. Beide toch drukken geheel hetzelfde uit. Vleeschwording wil zeggen: e menschelijke natuur, en niet enkel de Joodsche natuur aannemen. En dat de volken geroepen zijn, beduidt precies evenzoo, dat de Zone Gods komt, niet enkel om de Joden, maar om de wereld te zaligen. En heeft men dat eenmaal helder ingezien, dan blijkt het ook van achteren, dat niet alleen in de aangehaalde plaatsen, maar ook elders geheel diezelfde verborgenheid geleerd wordt. Als er b. v. in I Tim. 3:16 sprake is van groote verborgenheid, dan wordt ook daar deze verborgenheid eenerzijds gezocht in het feit dat God geopenbaard is in het vleesch, en anderzijds daarin dat Hij gepredikt is, niet onder de Joden, maar onder de heidenen, en dat Hij geloofd is, niet in Israël, maar in de wereld. Alzoo toch lezen we daar: n buiten allen twijfel, de verborgenheid der Godzaligheid is groot: od is geopenbaard in het vleesch, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid. Ja, dan blijkt veel meer nog, dat deze zelfde verborgenheid volstrekt niet alleen door Paulus geleerd wordt, maar dat de heilige apostel Johannes, ons geheel dezelfde waarheid verkondigt, waar hij, van de geboorte van Jezus uit Maria nauwelijks gewagende, ja, Maria als de moeder van Jezus zelfs min of meer in de schaduw stellende, al den nadruk daarop legt, dat het Woord vleesch is geworden, en dat de Christus als zoodanig de wereld behoudt.

En nu mochten die broeders, die nog altoos in dezen rijkdom des Evangelies niet kunnen indringen, toch gebeden zijn, om hierbij elk vermoeden te bannen, als bedoelden we hiermede óf een zaliging van alle personen óf van een algemeene verzoening te bepleiten. Heel deze dwaalleer heeft met het stuk van waarheid, dat we verdedigen en toelichten en aan de kerke Gods op het harte binden, niets hoegenaamd te maken, en die dat waande, wijte dit niet aan ons, maar beschuldige hierin zijn eigen onverstand van de Heilige Schrift. Het is toch zoo klaar en zoo duidelijk, als iets maar klaar en duidelijk zijn kan, dat de Heilige Schrift een bijzondere, geen algemeene verzoening leert, en niet de zaliging van alle personen, maar uitsluitend van de uitverkorenen leert; en dat nochtans diezelfde Schrift zoo stellig en beslist mogelijk ons onderwijst, dat de wereld behouden wordt en dat de Zone Gods onze menschelijke natuur heeft aangenomen. Het staat er toch immers, en gij moogt hier niet over heen lezen, dat de Zone Gods, niet den Jood, maar ^den menschen" is gelijk geworden (Phil. 2:7), dat hij in gedaante geworden is als een mensch (2:8), en dat de Middelaar Gods en der menschen, is de mensch Christus Jezus (i Tim. 2:5); en niet dat de Jood Christus Jezus is de Middelaar Gods en der Joden. En zoo ook staat er even stellig, dat Christus is ^de Zaligmaker der wereld" (Joh. 4:42), dat hij «der wereld het leven geeft" (6:33), en dat hij «zijn leven geven zal voor het leven der wereld" (6:51). Hij zegt niet: Ik ben het licht der Joden", maar: Ik htr^h& t licht der wereld" (8:12). En het zijn niet de Joden, maar het is de wereld die God alzoo liefheeft gehad, dat Hij ons zijn Zoon schonk (3: 6). Iets wat zoo sterk is, en zoo ernstig door Johannes bedoeld wordt, dat hij, gelijk we nader breeder uiteenzetten, het Eeuwige Woord niet eerst in de roeping van Abraham, maar in de daad der Schepping laat uitkomen, en het ons niet eerst als de bron der openbaring aan Israël, maar reeds als het licht en het leven der wereld teekent. En nu zegge men niet, dat dit alzoo wel bij Johannes, maar niet in de andere Evangeliën voorkomt; want vooreerst verstaan we die tegenwerping niet, alsof hetgeen de apostelen Paulus, Petrus en Johannes ons zeggen, minder de waarheid zou zijn, dan hetgeen de apostel Mattheüs ons bericht, of Lucas, de medicijnmeester. Maar ook het feit wordt aldus onjuist voorgesteld. Niet toch bij Johannes of Paulus, maar bij Lucas lezen we, dat de engelen in de velden van Efrata zongen, niet van een «welbehagen in Joden", maar van een «welbehagen Gods in menschen", en van vrede niet in Palestinai maar van - ivrede op aarde." De vraag is niet, wat een Jood, maar wat een mensch zal geven voor de lossing zijner ziel. De discipelen krijgen de belofte, niet dat ze Joden, maar dat ze menschen zullen vangen. Bovenal de Christus is zeer zeker de Zone Davids en uit Abrahams zaad, maar nochtans noemt hij zich zelven doorgaande en bijna vastelijk niet Zone Davids, noch Zone Abrahams, maar Zoon des menschen. Tot acht en tachtig malen toe komt deze naam, 'Zoon'des menschen, 'va. de Evangeliën voor, tegenover den naam van Zone Davids slechts een zeer enkele maal, en dan nog nooit als eigenlijke naam, waarmee hij zich zelven noemde.

Zoo is het dan ontwijfelbaar, dat de komst van den Christus tot deze wereld vanzelf inhoudt, dat hij tot heel de menschheid, tot al wat mensch heet, niet tot Israël maar tot de volken gekomen is, en dat dit alzoo geschied is doordat hij onze menschelijke natuur en ons menschclijk vleesch heeft aangenomen. En als Paulus dit nu noemt de groote verborgenheid, het eigenlijke mysterie des Evangelies, dan blijkt hieruit, dat wie opkomt voor het universalisme des Evangelies, en het particularisme hetzij in zijn Dooperschen hetzij in zijn Chiliastischen vorm bestrijdt, waarlijk niet tegen. windmolens strijdt, of knoopen in biezen zoekt, maar de wacht betrekt bij de hoofdpoort van de veste des Evangelies, en alzoo laf zou zijn, en verraad aan de zake van zijnen Heere zou plegen, indien hij door wien ook zich hiervan liet afhouden. Dat nu Paulus dit een «verborgenheid" noemt, «die lange eeuwen niet gekend was", verklaart zich daaruit, dat metterdaad van Abrahams roeping af, d. i. gedurende een tijdsverloop van bijna twee duizend jaren, de Goddelijke openbaring zich uit den breeden universalistischen, heel de wereld besproeienden stroom in de nauwe, zeer enge, streng particularistiche bedding van Israël had teruggetrokken. Maar wijl dit nu natuurlijkerwijze den indruk had gemaakt, alsof dit zich terugtrekken van de Openbaring in deze nauwe enge bedding van het Joodsche volk een prijsgeven, een opgeven, een aan haar lot overlaten van de wereld en de menschheid en de volken ware geweest, is dit nu het heerlijke, dat nu van achteren blijkt, hoe deze concentratie van de Openbaring in Israël, wel verre van de prijsgeving der wereld te zijn geweest, naar Gods bestel en plan juist ten doel had, om straks die wereld terug te vinden, en aldus die wereld te behouden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 oktober 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 oktober 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken