Bekijk het origineel

„En de kracht zijner opstanding.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„En de kracht zijner opstanding.”

10 minuten leestijd

Opdat ik hem kenne, en de kracht zijner opstanding, en de gemeenschap zijnslijdens, zijnen dood gelijkvormig wordende. Phil. 3 : 10.

Niet eerst bij uw sterven komt ge met den dood in aanraking, de adem des doods is van uw eerste levensdagen af over u en uw levensexistentie uitgegaan. En zelfs na uw toebrenging ten eeuwigen leven, hebt ge het, met al Gods volk, bij eiken toegang tot het heiligj Avondmaal immers beleden: •tdai wij middenin den dood liggen."

Ons ongeluk is maar, dat we, vooral hij zoo diepe en ernstige vraagstukken, gedurig schijn en wezen verwarren.

Als booze hand een hoog opgaanden klimop, die heel een muurvlak met zijn donkergroen loof overdekt, bij den wortel heeft afgesneden, heeft, althans de eerste dagen, nog niet één voorbijganger het vermoeden, dat die klimop onherstelbaar weg en dood is. En omgekeerd, als een varen-plant vóór den winter tot bij den grond toe is weggedord, dan kent men haar plaatse niet meer, en houdt, wie geen kenner is, haar voor dood, tot in de lentedagen de knol weer kiemt, en de krullende stengel den kop weer opbuigt.

Soms komen zelfs onder menschen zulke schijntoestanden voor. Schijntoestanden, die bij te haastige begrafenis soms huiveringwekkende tafereelen van schijndood vertoonden; en omgekeerd zijn de gevallen niet zeldzaam, dat men een reeds gestorvene nog voor/ijz/««(/aanzag, en eerst bij het terugschrikken voor de kilheid van het lijk ontwaarde dat de dood reeds was ingetreden.

En deze schijntoestanden gaan nu evenzoo door, als ge leven en dood niet enkel neemt met opzicht tot ons tijdelijk, uitwendig aanzijn, maar neemt in vollen diepen zin, als van toepassing ook op ons inwendig en duurzaam bestaan.

Een onwedergeborene waant dat hij leeft, hoezeer hij ook dood is. En omgekeerd heeft menig wedergeboren kind van God nog den angst over zich, dat hij dood is, terwijl toch het »zaad Gods" zich ritselend in hem ontkiemt.

De zonde heeft zooveel in ons verduisterd, heeft onzen blik, vooral waar het de diepere dingen geldt, zoo onklaar en onhelder gemaakt, en niet het minst de kennis die we van onszelven hebben, zoo veelszins vervalscht.

Kennis van zichzelven te krijgen, helder in te zien wie we zijn, en in wat toestand we naar ziel en lichaam verkeeren, voor nu en voor eeuwig, is zonder hooger licht dan ook ondoenlijk, _ en zelfs bij dat hooger licht nog aan zoo weinigen op afdoende wijze gegund.

Soms zelfs ziet ge kinderen Gods nog in zoo onbegrijpelijke zelfverduistering omwandelen, dat zij alleen hardnekkig blind blijven voor allerlei zonde en verkeerdheid, die in hun omgeving een ieder terstond in hen ziet.

En daalt ge nu nog dieper af, om te komen tot de scherpe onderscheiding tusschen hetgeen er in ons en aan ons leeft of nog dood is, of ook naar den dood weer toeneigt-, dan komt juist aan de allerheiligsten in dit leven het meest en het wreedst de klacht op de lippen, dat ze alleen in dat ééne oogenblik als de bUksem plotseling het donkere zwerk verlicht, die scheidslijn van dood en leven helder bekend hebben.

Die ontzettende vraag van dood en leven door heel uw bestaan te doen gelden, is dan ook eigenlijk het grondverschil, waardoor eehte genade zich van valsche of schijngenade onderscheidt.

In dat hooge pleitgeding tusschen dood en leven ligt de toetssteen.

De lieden der wereld leven in den waan, dat er van dood geen sprake is dan op het sterfbed. Al wat vóór het sterfbed ligt, noemen ze leven, en of er na het sterfbed weer leven komen, zal, is een vraag die zich voor hen in nevelen verliest.

Wie zonder hartgrondig bekeerd te zijn, nochtans met de geloovigen meeloopt, erkent wel het verband tusschen den dood en de zonde, en weet wel van het eigenlijke leven, dat eerst na den dood komt; maar toch ook bij hem is er nog geen sprake van, dat de worsteling van dood en leven eiken dag van zijn leven dooren eiken nacht zich vernieuwt.

Werkelijk bekeerden, die pas op den weg zijn, verstaan wel de ontzettendheid ook van den geestelijken dood, en kennen wel den diepen juichtoon van de apostolische roemtaal: » Wij weten dat wij uit den dood zijn overgegaan in het leven!', maar lange jaren is het daarmee dan ook voor hen afgedaan. Den geestelijken dood zijn ze ontkomen, de tijdelijke dood komt eerst later. En inmiddels wanen ze met geen < foö^ meer van doen te hebben.

En feitelijk zijn het alleen de dieper ingeleiden, de svolraaakten", gelijk Paulus ze noemt, zij die »de vaste spijze" kennen, in wier geloofsbesef die gestadige worsteling tusschen dood en leven zich afspiegelt.

Deze eerst zijn het, die waarlijk met den dood te doen krijgen, die den schrik des eeuwigen doods kil en ijzingwekkend over hun ziel hebben voelen gaan, en die nog, eiken dag, heel hun leven door, bekennen, dat wel Jezus ze aan het reddingskoord zijner eeuwige genade vast heeft, en dat ze dus niet verdrinken eii ondergaan kunnen, maar dat ze niettemin nog middenin de wateren des doods liggen, en dat de doodelijke wateren hun soms nog tot aan de lippen komen, ja hun som.s heenslaan over het schuldig hoofd.

Wie nu de gedenkstukken kent die we van de zielsworsteling van een Paulus, een Johannes en een Petrus bezitten, weet hoe ook in het leven van deze uitnemendsten der apostelen diezelfde bange zielsworsteling als in het aangezicht des doods doorkampt is, en hoe ze juist uit die benauwdheid en bcklemdheid des geestes gedurig grijpen naar de kracht van Jesus' opstanding.

Paulus' uitroep : sDat ik hem kenne en \de kracht zijner opstanding l" is de zielskreet waarin de afschuw van al wat do'od is en de zielsdorst naar het leven zich in zijn even teeder als diep-mystiek schrijven aan de kerk van Filippi uit.

Want versta het toch, tide kracht zijtter opstanding", dat is meer, dat is nog iets anders dan de kracht ten leven. In het Paradijs was kracht, volle, heerlijke, overvloeiende kracht ten leven, maar geen kracht ter opstanding. De engelen Gods baden zich in den bruisenden stroom des levens, maar de kracht van Jezus' verrijzenis kennen ze niet.

, Kracht ter opstanding, " is de skracht ten leven" verre te bovengaande.

De ^kracht ten leven", komt \iit de Schepping. Schepping is het leven uit het niet. Maar de kracht ter opstanding komt uit de Herschepping. En herschepping is het leven, niet uit het niet, maar uit wat veel ontzettender dan het niet is, uit den dood.

Ze zijn beide uit God, zoowel de kracht ten leven, als de kracht ter opstanding, maar de apostel zelf zegt ons hoeveel heerlijker die tweede kracht in God is.

Of noemt hij ze niet: -ide uitnemende grootheid zijner kracht, naar de werking der sterkte zijner 7nacht, die Hij gewrocht heeft in Christus, toen Hij hem opgewekt heeft uit de dooden»?

En die hoogste kracht nu, die ooit door God in hemel of op aarde geopenbaard is, is geheel dezelfde kracht die Hij nog dagelijks betoont, als Hij in een zondaar, die in zonde ontvangen en geboren en dus dood is, door het zaad Gods het leven inbrengt, en hem straks brengt lot geloof.

Echt, waar, zaligmakend geloof in een zondaar te verwekken is voor God Almachtig geheel dezelfde openbaring van het hoogste en uitnemendste zijner Goddelijke almachtigheid, als de opwekking van Christus uit het graf.

Het staat er zoo duidelijk, en lees er toch niet overheen: iWelke de uitnemende grootheid zijner kracht zij aan ons diegelooven, naar de werking der sterkte zijner macht, die Hij gewrocht heeft in Christus, toen Hij hem heejt opgewekt uit de dooden."

Onze menschelijke taal heeft dan ook nauwelijks woorden, om het wonder uit te drukken, dat aan u die gelooft met een waar geloof, van Godswege geschied is.

Het alles te bovengaande wondere bewijs van Gods almachtigheid, draagt ge in u zelven, als ge op den weg gaat, hebt ge in u, als ge op uw legerstede vernacht, - is levend aanwezig in den wortel van het leven uwer eigen ziel, uw ziel en heel uw existentie opeischende tot eeuwigen dank en tot nooit eindigenden jubsl.

Een voor het eigen bewustzijn verzegeld kind van God kan daarom bij Jezus' opstanding zich niet bepalen tot de gedachte, aan zijn eigen wederopstanding uit de dooden. Hij voelt er zich, heel anders, nu reeds het leven zijner ziel uit toevloeien.

De worsteling tusschen dood en leven, gaal hem niet alleen om het lichaam, maar om ziel en lichaam beide.

Als de zonde den dood brengt, overstroomt die dood heel zijn existentie, en evenzoo vloeit aan heel zijn existentie uit de kracht van Jezus' verrijzenis het leven toe, aan zijn hart, aan zijn hoofd, aan zijn ziel en zijn zinnen, aan alle kracht en alle ding dat in hem is.

Ge kent drieërlei vorm waarin de dood u nog telkens met zijn sombere loodvale wateren overstroomt.

Ge voelt dat allereerst aan uw lichaam. Als ge moede wordt en u uitgeput voelt en zwak. Als ge door pijn overmand of door ziekte neergeworpen wordt. En ook als de oude dag komt en ge den dood zich nestelen voelt in uw verzwakte zintuigen en in uw afgaande levenskracht.

Ge voelt in de tweede plaats dien dood zich op u werpen in den gang van uw levenslot, als tegenspoed uw geluk verstoort, verdriet u kwelt, teleurstelling u het leven verbittert, en uw beste inspanning afstuit op onoverkomelijk bezwaar.

En in de derde plaats voelt ge die werkingen des doods in de verduistering van uw geest, in de matheid van uw hart, in het verdooven van uw geestdrift, in de onvastheid van uw wil, in booze zonden die u najagen, in uw kleingeloof, in uw vertwijfelen, in de armoede aan liefde in uw hart, en als gevolg van dat alles in het wijken der gemeenschap met uw God, en uw vervreemd raken van uw Heiland.

Dat alles ware in den staat der rechtheid ondenkbaar, en kan buiten zonde nooit bestaan. In dat alles werkt de-dood bij u na, gedurig dreigende u te verzwelgen.

En nu gelukt dat natuurlijk bij wie een kind van God is, en het zaad Gods in zich draagt, nooit. Het reddingskoord van eeuwige genade sloeg Jezus om uw hart, en Hij houdt dat vast, en niemand kan er u uitwringen; zijn hand laat nooit los.

Maar de adem des doods overkomt u nog telkens, in uw lichaam, in uw leven, in uw ziel, met drie bange golven die de dood nog telkens over uw gelaat doet kabbelen, en waaronder ge soms zoo tot stikkens tOe kunt benauwd worden.

En daarom nu komt het voor elk kind van God zoo voor alles aan o'^ & & kracht van Jezus' verrijzenis, op die nooit uit te putten bron, waaruit de kracht tot ïevensvernieuwing aan Gods kinderen toevloeit.

Toevloeit naar het lichaam, want het is het geloof dat ons met de kracht van Jezus' verrijzenis strijden en overwinnen doet, ook als de zv/akheid des lichaams ons deed inzinken. Wat men soms s wonderen van genezing door het gebed" noemt, is niets anders dan een werking van onze geloofskracht. Maar ook in het gemeene leven is het de geloofskracht in Jezus, verrijzenis, die u bij uitputting staande houdt en uw werkkracht verdubbelt.

Het is deze geloofskracht van Jezus' verrijzenis, die u evenzoo het op de borst gezonken hoofd weer met nieuwen moed doet opheffen, onder de bitterste teleurstellingen van het leven, en u den stroom van tegenspoed en zielsverdriet doorwaden doet, met de ster van het ideaal u tegenglinsterend in het oog.

En zoo ook is het de geloofskracht van Jezus' verrijzenis, die u de nevelen verdrijft van voor het verduisterd verstand, die uw hart uit matheid verlevendigt, en uw ziel weer doet opbloeien als ze verwelkt was en verdord. Het komt alles uit den wortel van uw leven, en in dien wortel ligt ge als kind van God mystiek in uw Jezus besloten, en uit hem vloeit door dien wortel de kracht der verrijzenis, de wondere kracht der opstanding uit hem die dood was, en nu leeft in eeuwigheid, u toe.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 oktober 1896

De Heraut | 4 Pagina's

„En de kracht zijner opstanding.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 oktober 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken