Bekijk het origineel

Provinciale Groninger Gerefor meerde Predikantenconferentie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Provinciale Groninger Gerefor meerde Predikantenconferentie.

28 minuten leestijd

Vele predikanten, kerkeraads-en gewone leden van Gereformeerde kerken in de provincie Groningen waren Dinsdagmorgen, den aosten dezer, op de bovenzaal van het Militair Tehuis te Groningen bijeen, om de gepubliceerde conferentie bij te wonen.

Na', ïpsalmgezang en gebed, werd door Ds. Geerds van Appingedam, voorzitter van het moderamen, een openingswoord gesproken, waarna Prof. Bavinck verzocht werd zijn referaat te houden over de onderstaande stellingen:

1. Dewijl het Goddelijk Wezen oneindig boven alle schepsel verheven en dus in Zichzelf voor alle schepsel onkenbaar is, berust alle kennis in alle wetenschap des menschen op bewuste en vrije openbaring Gods.

2. De inhoud dezer openbaring, genomen in denf ruimsten zin, heeft haar archetype in de scientia libera in het bewustzijn Gods; rust op den grondslag der decreta in den wil Gods; is belichaamd in al wat buiten Gods Wezen door Zijn wU als creatuur bestaat; d. i. in den kosmos; en vormt om al deze redenen één organisch geheel.

3. Alle wetenschap des menschen heeft dien kosmos, d. i. dien openbaringsinhoud tot obiect, en hangt daarom objectief in al hare deelen organisch samen; terwijl ook subjectief deze organische samenhang van alle wetenschap door de eenheid van den menschelijken geest wordt geëischt en bevestigd.

4. Gelijk in alle werken Gods verscheidenheid met eenheid gepaard gaat, zoo sluit ook de organische eenheid der wetenschap de verscheidenheid harer deelen niet uit; en bekleedt met name de theologie in het organisme der wetenschap, vooral ook krachtens de bijzondere openbaring, welke door de zonde noodzakelijk werd, eene eigene en zelfstandige plaats.

5. Als wetenschap is de theologie uiteraard onderscheiden van de kennisse Gods, die het deel aller geloovigen is; heeft ze tot subject niet de kerk als instituut maar als organisme; en eischt hare beoefening de toepassing eener wetenschappelijke methode, welker aanwijzing behoort tot de taak der Christelijke philosophie.

6. Het kenmerk der Gereformeerde theologie ligt in haar theologisch karakter, en stelt mitsdien aan haar beoefenaar den eisch, om dit karakter over heel haar terrein, met name ook in de verschillende loei der dogmatiek (zooals b.v. verkiezing, rechtvaardigmaking, wedergeboorte, doop) te handhaven; te meer wijl het anthropologische (christologische, soteriologische) uitgangspunt blijkens de historie tot allerlei dwalingen leidt.

Nadat Prof. Bavinck zijn hartelijken dank had uitgesproken voor de uitnoodiging, om in deze conferentie zijn gevoelen te mogen uiteenzetten over de vraagstukken van den dag, die ons kerkelijk leven betreffen, en daaraan den wensch had toegevoegd, dat het resultaat van deze samenkomst mocht zijn, dat, hoewel wellicht geene overeenstemming op ieder punt, toch meerdere toenadering mocht verkregen worden, ging de referent in op zijne eerste stelling.

Inderdaad — zoo zeide spr. — de jaren, welke wij doorleven zijn een gewichtige tijd. Het karakter van dezen tijd is wel eens omschreven, dat wij kwamen op andere rails, dat de wissels waren verzet. Hoewel spreker zich niet geheel met dit beeld kan vereenigen, moet hij toch de waarheid erkennen, welke in dit beeld schuilt.

En al zijn wij. Gereformeerden, nu niet op andere rails gekomen; al streven wij geene andere richting uit; toch moet gezegd, dat in deze dagen onze overtuiging moet worden verbreed. Al zijn wij over het algemeen zeer goed Christologisch geweest, het fundament van den theologischen grondslag mag daaraan niet ontbreken. En dit nu is in onzen tijd niet in het licht getreden, als dit volgens onze Gereformeerde belijdenis had moeten zijn.

In alle stellingen is neergelegd, dat het theologisch standpunt tot zijn recht moet komen; alle stellingen dragen een. Gereformeerd karakter. Het is volkomen waar, dat deze stellingen niets nieuws bevatten. Jaar en dag zijn de zaken, daarin vervat, reeds aan de orde geweest.

Op den voorgrond dient te worden gesteld, dat God de Heere in Zich heeft alle hoogheid en verhevenheid, maar ook in Zich bezit

wat ons zoo schoon wordt geteekend in Jesaia 57; jWant alzoo zegt de Hooge en Verhevene, die in de eeuwigheid woont, en wiens naam heilig is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien die eens verbrijzelden en nederigen geestes '[is, opdat ik levend make den geest der nederigen, en opdat ik levend make het hart der verbrijzelden."

Allereerst dient dus op die hoogheid, op die Souvereiniteit Gods de aandacht te worden gevestigd. De Heilige Schrift leert ons, dat God de Heere woont in het donkere, in het heilige, in het verhevene, dat Hij absoluut Souverein is, en dat er tusschen Hem en ons eene absolute klove bestaat. Het staat vast, dat God een ontoegankelijk licht bewoont; dat Hij niet te bereiken is door ons, ook niet door onzeverbeeldmg, door onze gedachten; ook niet door een Engel. God de Heere gaat ons denken verre te boven. Van die volstrekte Souvereiniteit, van die hoogheid Gods zijn onze kerken, de theologie, in vroeger dagen veel beter overtuigd geweest dan thans. Wanneer wij de boeken der dogmatiek van onze Gereformeerde vaderen, maar ook van de Roomschen opslaan, dan zien wij, dat daarin is voorgestaan de gedachte, dat God boven alle voorstelling, boven alle gedachten verheven is; dat Hij niet omschreven kan worden. Dat uitgangspunt nu moet meer tot zgn recht komen. Het karakter van ons Gereformeerd beginsel ligt juist in dat theologisch standpunt, dat eveneens erkent, dat wij slechts zooveel wetenschap van God hebben als voor ons bestaanbaar is, zooveel als Hij voor ons noodig oordeelt.

Alle kennis, al ons weten berust op de openbaring Gods, is door Hem ons medegedeeld, is nooit door ons verzonnen. Die kennisse Gods nu draagt in de eerste plaats het karakter van bewustheid. Wanneer iets onbewust is, kan het uit den aard der zaak zich niet openbaren. Het onbewuste verschijnt wel, maar kan nooit zichzelf openbaren.

De spreker toondG hierna aan, dat God Zichzelf volmaakt, Zichzelyen absoluut kent; wij daarentegen kennen ons slechts ten deele. Het is daarom voor den Heere niet mogelijk Zichzelf aan ons mede te deelen; het eindig; kan het oneindige niet bevatten.

Maar in de tweede plaats, die openbaring Gods moet ook zijn eene vrijwillige. God heeft het vermogen over Zichzelf; Hij kan Zichzelf openbaren, zooals het Hem behaagt. Dat openbaren wordt dus door Zijn bewustzijn, maar ook door Zijn vrijen wil kenbaar, Eene absolute mededeeling van den Heere aan ons is niet mogelijk; deze is slechts denkbaar in de drieëenheid van het Goddelijk Wezen. Zoodra God zich aan het schepsel mededeelt, draagt het het karakter van accommodatie. Maar terwijl de Heere God is de absoluut Hooge, is Hij ook tegelijkertijd de Genadige, zoodat Hij zich tot zijn schepsel, in zijne breede geledingen, nederbuigt.

Overgaande tot de tweede stelling, wees Prof. Bavinck op den inhoud van die openbaring, waarbij de referent God als het subject van die openbaring aanwees, wijl Hij Zichzelf aan ons mededeeJt. De inhoud van die openbaring moet nimmer Pantheïstisch worden opgevat, maar theïstisch, waaruit spr. resulteerde dat die openbaring eindig moest zijn. Volgens het Pantheïstisch standpunt gaat God in het geschapene op, is God de substantie, en de kosmos de openbaring; die beiden dekken elkaar; is er geen onderscheid tusschen het absolute Wezen Gods en het geschapene. Op Pantheïstisch terrein vallen de begrippen van mogelijkheid en werkelijkheid samen. Het theïstisch standpunt leert geheel iets anders. Het stelt vast, dat de inhoud der openbaring Gods niet gelijk aan Hem wezen kan; wijst ons op het organisch geheel van het geschapene; toont ons aan, zooals ook de leer geweest is van alle Christenen en Gereformeerden, dat God alle schepselen ziet in één oogenblik; God doet zijne kennis niet op van buiten, zooals bij ons, bij wie de kennis van buiten wordt ingedragen. Omdat God absoluut is, ziet Hij alle dingen in één oogenblik, vormt daardoor al het geschapene een samenhangend geheel.

Prof. Bavinck vestigde er met nadruk de aandacht op, en dit grondende op de Heilige Schrift, dat in den Raad des Heeren slechts één besluit is, al mag dat besluit dan ook door ons onderdeeld worden; een kosmos is niet denkbaar dan als organisch geheel; de Heilige Schrift bewijst ons dit. Alle schepselen en al het geschapene vormen één .organisch geheel. Al wat bestaat, behoort men onder het woord kosmos te verstaan. Als wij lezen: »Alzoo lief heeft God de wereld gehad", de bekende tekst uit Johannes' Evangelie, dan hebben wij te denken, dat God die wereld als organisch geheel heeft liefgehad, dus geheel die wereld met dat rijke leven, met hare schepping van planten en dieren, met hare maatschappij, met haren Staat. En een Franciscus van Assise heeft zich zeker aan overdrijving schuldig gemaakt, als hij ook aan de vogelen het Evangelie ter redding predikte, maar er lag toch eene waarheid in, dat die wereld in zijn geheel zal worden gered. En in den strijd dan ook tusschen God en den Satan, gaat het dan ook niets minder dan om de groote vraag: Of die rijke wereld het eigendom zal zijn van Satan of van God den Heere. Het gaat dus ook om de kunst en de wetenschap.

De Pantheïsten verstaan onder het organisch geheel, dat de dingen met elkander ineenvloeien; maar het begrip, zooals wij ons dat vormen over organisme, sluit dit niet in. Als wij beweren, dat de geheele wereld in een organisch verband bestaat, dan ligt daarin opgesloten, dat ieder schepsel zijne zelfbewustheid behoudt. Het woord organisch moet dus niet pantheïstisch, maar theïstisch worden gedacht.

En wat de derde stelling aangaat, de belijdenis van het theïsme is het, dat God de Heere het leven geschapen heeft in zijn eigen aard. Het Darwinisme zoowel als het Pantheïsme wischt alle lijnen uit; daartoe mocht het Darwinisme en de evolutieleer wel komen. Indien er toch geen wezenlijk verschil is tusschen God en het schepsel, dan kan er ook geen onderscheid zijn tusschen de schepselen in hun onderling verband. Ook op het terrein der wetenschap en kunst is er onderscheiding, ja zelfs op het terrein der wetenschap zelve. Zoodra men dan ook de grenslijn uitwischt tusschen wetenschap en kunst, gaat men principieel mank aan het pantheïsme.

De wetenschap heeft een eigen terrein. Zij is ook weder onderscheiden; zij vormt een element in den kosmos. Zoo komen wij tot verschil van wetenschappen. Van die onderscheidingen kan men een vijftal noemen, omdat de Universiteit het ons zoo voorstelt. De gang, welke die verschillende geledingen der wetenschap hebben doen ontstaan, is voortgekomen uit ééne wetenschap. Waarom — zoo vraagt het kind reeds — zijn toch al die dingen, die ik aanschouw ? De wijsbegeerte is gekomen met de groote vraag: Vanwaar zijn de dingen ? Wie die eene vraag kan beantwoorden, heeft de geheele wetenschap. In die wetenschap^nujis^-j^ookjdey^, theologie opgenomen. In de Grieksche philosophie waren alle wetenschappen opgesloten. Wanneer dan ook Piato en Aristoteles spreken van de wetenschap, '^hadden zij [daarin wel terdege de theologie|opgenomen.

Toen dan ook het Christendom kwam, heeft het de wetenschap als zoodanig niet verworpen, maar het is zijne taak geweest, om die wetenschap [wederJHe'] enten, te doen wortelen op het geloof.flZoo "is er gekomen eene Universiteit; eene vrucht van het Christelijk geloof. Tegen het begrip van Universiteit hebben dan ook nimmer kerken van eenige beteekenis eenig bezwaar gehad. De theologische wetenschap was opgenomen fin het |corps gderjiwetenschap. De theologie heeft een eigen plaats aan de Universiteit.|Zij_heef^ieen eigen karakter, een eigen object, een" eigen methode en een eigen doel aan de Universiteit. Prof. Bavinck zette deze bewering nader uiteen, waarbij hij liet uitkomen, dat, : dej; theologie een soteriologisch karakter draagt, |dat verloopt tusschen den val en het eind der eeuwen.

De jtheologie, die aldus een zelfstandig karakter draagt in het corps der Universiteit, is ingelijfd en opgenomen in den cyclus der wetenschap; de theologie is een zelfstandig onderdeel der wetenschap. Dat wordt door de theïsten dan ook niet bestreden.f Het verschil dat bestaat over de theologie als vak van wetenschap is noch principieel noch essentieel. De spr. maakte de opmerking, Tom|het ^verschil nader te verklaren, dat de theologie van niets anders uitgaat, dan de kennisse Gods, IVelke^een deel is van alle geloovigen. In één vak der theologie' bestaat tusschen de theologen en het ander deel der geloovigen slechts een gradueel verschil, nl. in het vak der dogmatiek, maar in andere vakken gaat dit verschil verder. Een kind des Heeren, die niet gestudeerd heeft, heeft] materieel geen verstand van de vakken, welke aan de theologische faculteit worden gedoceerd.

Het verschil bestaat dus alleen in methode. De eenvoudige menschen weten niet alleen iets van theologie af, maar wel terdege ook iets van andere vakken van wetenschap. Een landbouwer b.v. weet practisch zeer veel van natuurkunde af, menigmaal meer dan de man van den katheder. De practische landbouwer stelt zich echter altijd voor ^e.vraag: Wat zijn de dingen? m? «ir de geleerde zegt: Waar0771 zijn de dingen zoo? Zoo ook in de theologie. De] beoefenaar der theologie «lOet eindigen met aanbidding en bewonderen; ' de theologische wetenschap is het te doen om de oorzaak der dingen.

Wil men alzoo theoloog worden, dan dient m.en opleiding te genieten. Voor den theoloog is dit h^t gy77i7tasium. Een theoloog moet hebben een warm hart en een goed hoofd, en daarom is voor hem noodig een Christelijk gymnasium. De theoloog moet alles bestudeeren, maar in het bijzonder de philosophie. Er is geen echt theoloog denkbaar, die niet echt philosoof is. Dat is de kracht van het Jezuïtisme, dat onder hen zulke uitnemende philosofen gevonden worden. En het is de grootste fout geweest van de wetswijziging op het hooger onderwijs in 1876, dat de philosophie van het propaedeutisch examen is geschrapt.

Wij menschen zijn klein geschapen, klein ook in begrip; alles moet aan ons bewustzijn worden kenbaar gemaakt; van buiten worden ingedragen. Alzoo hebben wij veel te leeren, maar ook veel af te leeren. Wij hebben daarvoor noodig de Christelijke philosophie, n.l. dat wij zoo en niets anders moeten denken in de Heilige Godgeleerdheid. Wij moeten niet in de leer gaan bij de pantheïstische, noch bij de deïstische, maar bij de Christelijke philosophie, die opgekomen js in den loop der eeuwen. Wij he'b'ben noodig de realistische philosophie, die niet anders voor ons moet zijn dan om te leeren denken. Vooral na Kant is het zoo broodnoodig om de philosophie te bestudeeren. Na dezen wijsgeer toch moeten onze theologen niet alleen de wet van het denken, maar ook de wet van het kennen, bestudeeren. Tegenover Kant zijn wij-allen geroepen positie te kiezen.

Het kenmerk der Gereformeerde theologie ligt in haar theologisch karakter; elk ander standpunt, ook dat der Christologie, leidt tot dwaUngen. De Soteriologie heeft tot standpunt: Wat zegt de mensch ervan, en leidt tot pelagianisme. Het Christologisch standpunt vraagt: Wat zegt de Christus ervan ? De ervaring heeft geleerd, dat dit tot allerlei oppervlakkigheid leidt, en men altijd in de war geraakt wat nu toch wel de Christus zelf in de Schrift gezegd heeft. De Gereformeerde daartegenover vraagt: Wat heeft God gezegd in Zijn gansche Woord. En daarmede staan wij gedeeltelijk ook tegenover Luther, die ook de Christologische leer was toegedaan.

De Gereformeerde vraagt: Wat zegt God van den mensch. Wat heeft Hij daaromtrent geopenbaard in de Heilige Schrift. Dat Woord is een licht' opl^onsl^pad, en een lamp voor onzen voet, niet alleen voor 'de theologie, maar ook voor den'£Staat en de Maatschappij op ieder terrein des levens. Daarop moet dan ook de eere Gods gebracht worden op ieder terrein des levens, op ieder gebied der wetenschap. Wij moeten hebben eene Gereformeerde belijdenis, maar ook Gereformeerde beginselen, ook voor ons wetenschappelijk denken. Het Gereformeerde standpunt is zoowel katholiek als universeel. Op het gebied van de rechtswetenschap b. V. heb'ben wij ons af te vragen: Wat wil God, dat als recht moet uitgeoefend worden.

En ten slotte iets over de supra en infra. Ook op dit terrein geldt het: Wat zegt God van de verkiezing der dingen. In de Gereformeerde kerk is nooit verschihfgeweest over de natuur en den inhoud der decreta, maar alleen over de orde der dingen.. De infra zegt"zóó, terwijl de supra beweert: alzoo moet de orde der dingen gesteld worden. De infralapsariërs hebben wel terdege den val van Adam in het Godsbesluit vastgesteld. Alleen Augustinus, de eerste infralapsariër, beweerde het tegendeel. Er is dus ook hier alleen verschil van methode. De infra-noch de supralapsariërs mogen elkander uitsluiten in de Gereformeerde kerk; dat is ongereformeerd, daar beiden het over den inhoud en de natuur der dingen volmondig eens zijn.

Onder diepe stilte werd de redeTaangehoord, waarna een zeer belangrijk debat : j, volgde.

Debat.

Na een uur pauze, werd de gelegenheid tot debat geopend.

Het eerst maakte hiervan gebruik Ds. Bos van Bedum, die bijna tegen alle stellingen in oppositie kwam.

Bij de twee eerste stellingen liet Ds. Bos uitkomen, dat het organisme in de wetenschap, zooals dit verklaard is door den referent, hem niet duidelijk is. De eerste stelling toch gaat uit van-de onderstelling van het organisme aller wetenschappen Alle kennis en wetenschap , — aldus Ds. Bos — is daarom nog geen kennis van God, hoewel alle gave van God is. Ook met de tweede stelling kon Ds. Bos zich niet vereenigen. Volgens spr. bestaat God in Zichzelven en openbaart zich uit zijn wezen, terwijl in de stelling is belichaamd, dat God zich openbaart in den kosmos.

En wat nu de derde: 'stelling aangaat: De openbaringsinhoud en de kosmos is niet hetzelfde; met andere woorden: de kosmos is de openbaring niet. Men kan dus niet zeggen, dat er geene wetenschap des menschen zoude zijn als er geen kosmos was; het is dus niet juist, dat alle kosmos den openbaringsinhoud tot object heeft. En nu het tweede deel der stelling: »en hangt daarom objectief in alle hare deelen organisch samen, terwijl ook subjectief deze organische samenhang van alle wetenschappen door de eenheid van den menschelijken geest wordt geëischt en bevestigd." Dit tweede deel der stelling gaat niet op, als het eerste deel niet opgaat. Men mag niet uit de eenheid der menschheid besluiten tot de eenheid der dingen. Er is eene eenheid der menschen, o. m. omdat zij uit ééne bloede zijn geschapen; bovendien staat het nageslacht der menschen weder op dat van het voorgeslacht. Die eenheid der menschheid leidt wel tot conclusiën, maar daaruit en daarmede kan men nog niet besluiten tot de eenheid der dingen.

Wat nu de vierde stelling betreft: dat de theologie in het kader der wetenschap ligt, moet, volgens Ds. Bos, nog bewezen worden. De theologie beslaat een eigen terrein, een eigen wetenschap, omdat zij een eigen object heeft, nl. God, maar dat object had zij ook buiten de zonde. Wij beweren, dat de theologie is eene eigen zelfstandige wetenschap, die wel invloed uitoefent op de andere vakken van wetenschap, maar dat verband is niet organisch, omdat de theologie God tot object heeft en de andere wetenschappen den kosmos.

En nu de 5e stelling. Wat is de theologie — zoo vraagt spr. — als wetenschap, in ondeischeiding met de kennisse Gods, die het deel aller geloovigen is ? De theologie zou volgens den referent als subject hebben 7iiet de kerk als i7istituut^ maar als organisme. Die onderscheiding vindt men in de Heilige Schrift niet. De kerk als instituut zou dus als subject geen theologie mogen beoefenen. Waarom mag een leeraar, een bedienaar des Woords, geen theologie beoefenen ? Heeft de kerk als instituut alleen een soteriologisch of philantropisch, en geen theologisch doel ? De beoefening der theologie als zoodanig, is beweerd, ligt niet in de ambten. Maar is een predikant niet geroepen om theologie te beoefenen ? Dat terrein is zoo groot, is gezegd; maar moeten de leeraren dan alleen dogmatiek beoefenen ?

Wat is er tegen, dat eene kerk een dienaar afstaat voor de beoefening der theologie, om tevens dienaren des Woords op te leiden ? Het doel der theologie is niet om de wetenschap, maar om God beter te leeren kennen; ook voor de gemeente des Heeren. Eindelijk: is de theologie veiliger binnen de kerk, dan buiten de geïnstitueerde kerk ? Is de beoefening der theologie veiliger aan de Vrije Universiteit, of aan de Theologische School ? Als de kerk als instituut geene theologie mag beoefenen, wordt haar de eerekroon ontnomen en zou de kerk, in Synode vergaderd, over theologische quaestiën niet kunnen oordeelen.

En wat nu de laatste stelling betreft: Alleen de toepassing kan aanleiding geven tot misverstand. Spr. vraagt ten slotte: Leidt de notie (het verstandsbegrip) terug naar God ?

Ds. Hulsebos heeft met genoegen — evenals dit door den vorigen spr. is geconstateerd — het referaat gehoord. Hij wenscht te constateeren, dat de referent de beoefening der philosofle heeft noodig geoordeeld als hulpmiddel in het denken, dus als geestelijke gymnastiek; en nu wenscht spr. er op te wijzen, dat door den referent daarmede is bedoeld, dat de philosophie niet gebruikt mag worden om theologische vraagstukken op te lossen; dat toch zou een gevaarlijk standpunt zijn. Spr. heeft zich onder het hooren van het referaat afgevraagd: Of de mensch alleen beschouwd moet worden bij zijne geboorte als eene onbeschreven tafel ? Volgens zijne meening heeft de mensch ook eene ingeschapene kennis. En wanneer hij dan vraagt in ver'band met de verklaring van den kosmos: Alzoo lief heeft God de wereld gehad, moet daarmede dan verstaan worden alles wat 'bestaat, of heeft hier het woord kosmos een andere beteekenis ?

Voorts wenscht spr. te vragen, of de welenschap een creatuur moet zijn ? Vervolgens is het spr. nog niet duidelijk, dat de kerk niet als instituut, maar als organisme de theologie moest beoefenen. Spr. vraagt: Is de kerk als instutuut minder dan als organisme ? Als de kerk als organisme de theologie kan beoefenen, dan kan zij het volgens spr. veel beter doen als instituut. En ten slotte zou hij willen vragen, of de bewering wel opgaat, dat de heilsopenbaring zoude zijn een tijdelijke weg?

Prof. Bavinck beantwoordde eerst den laatsten spr.. Ds. Hulsebos. Met de opvatting van Ds. Hulsebos, dat de philosophie moet beschouwd worden als een geestelijke gymnastiek, kan Prof. Bavinck zich wel vereenigen. Alleen wenscht spr. er aan toe te voegen, dat die geestelijke gymnastiek tot ontwikkeling dient te komen in de praktijk, dat wil zeggen, dat de leerstukken met elkander, als geestelijk denkvermogen, in verband gebracht moeten worden. De philosophie is eene ontwikkeling van het denken; spr's. antwoord is daarom ontkennend op de vraag, dat de theologie door de beginselen der philosophie moeten uitgewerkt worden.

En nu de vraag: Heeft de ziel geene ingeschapene kennis? In strikten zin genomen: neen. Alle kennis, die wij van God hebben, van den Christus en van de natuur heeft geen schepsel alleen van zichzelf. Om dit duidelijk te maken wenscht spr. een beeld te gebruiken. Bij het aanschouwen der zon zijn twee dingen noodig: nl. de zon en het oog; indien een van deze beiden wordt gemist is het zien onmogelijk. Bij het verkrijgen van kennis zijn twee dingen onmisbaar: de 2iel en het denken, waardoor het in de ziel wordt opgenomen; het objectief is de Heilige Schrift, het subjectief is de Heilige Geest, die ons de dingen indachtig maakt; nooit zijn deze twee van elkander te scheiden. \

Op de vraag naar aanleiding van de tweede stelling, over den inhoud der openbaring, of hierbij ook opgesloten is de bijzondere openbaring, is spr's. antwoord: Zeer zeker. De kosmos heeft in de Heilige Schrift meer dan' eene beteekenis. De kosmos kan van de zijde der menschen én van de zijde Gods, in den staat der rechtheid en in den staat van het bederf beschouwd worden. God heeft den kosmos lief, ondanks de zonde. Dat wil niet zeggen, dat iwij nu ook die wereld der zonde moeten liefhebben. Neen; daartegenover laat God de bedreiging hooren: Die een kind der wereld wil zijn, enz.

En nu de vraag: Is de wetenschap een creatuur? De wetenschap is niets anders dan de gedachtenwereld in de tnenschen. Het Darwinisme wU het ons anders voorstellen, nl. dat de wetenschap iets zoude zijn buiten de menschen om. Tegen deze voorstelling kwam Prof. Bavinck met kracht op, en beweerde, dat, indien de wetenschap bestaat in het menschelijk bewustzijn, zij ongetwijfeld is een creatuur. De gedachtenwereld in de menschen is een creatuur. De wetenschap van het geloof is eene realiteit., evenals dit de liefde is. Het Darwinisme hecht alle waarde aan de zienlijke dingen; daarom hecht zij alles aan magnetisme en electriciteit, daarmede bewerende, dat de zienlijke dingen de wereld beheerschen. En ofschoon spr. magnetisme en electriciteit in hare waarde wenscht te laten voor wat zij zijn, staat hij tegenover de Darwinisten met de bewering: Niet de zienlijke, maar de onzienlijke dingen beheerschen de wereld, en het geloof is van veel grooter waarde, dan de genoemde factoren van het Darwinisme.

Wat is het orgaan voor de openbaring Gods in den mensch ? Het menschelijk verstand. Het geloof is eene acte van het intellect; het geloof is geene aparte grootheid, maar geloof is gehoorzaamheid des verstands.

Wat is — zoo is gevraagd — van grooter waarde: De kerk als instituut of als organisme? Dat is dezelfde opmerking als wanneer men zou vragen: Wie is grooter: Vondel of Bilderdijk ? Spr. beweert: Op dit terrein is de kerk als instituut grooter, op een ander gebied is zij grooter als organisme.

De kerk als instituut — en dit ook in antwoord aan Ds. Bos, hoewel spr. daar straks nog nader op terugkomt — de kerk als instituut is dan aanwezig, als men optreedt in de ambten en als lid der kerk. Een enkel voorbeeld. Wanneer b. V. de gemeente des Heeren onder de prediking des Woords samen is, is zij bijeen als geïnstitueerde kerk; maar wanneer straks die gemeente uiteengaat, en de leden bij elkander komen te kofïïe drinken, dan is men samen niet als geïnstitueerde kerk, maar als leden van de organiseerende kerk. Wanneer iemand, een ouderling, op de markt eene koe verkoopt, dan doet deze man dit niet in de kwaliteit als ouderling, maar als Christen, als lid der georganiseerde kerk. Op het terrein van het publieke leven: Staat en maatschappij enz. hebben de geloovigen hunne roeping te verstaan en te vervullen; op deze terreinen treedt de kerk op als organisme.

En nu de vraag|: |Mag de kerk geen scholen hebben? Zeker.

Komt de theologie uit de kerk als instituut voort? Wel neen. Heeft God id de kerk als instituut eene gave gelegd om theologie te beoefenen? Neen. In de Gereformeerde belijdenis staat dan ook nergens, dat de ambtsdragers geroepen zijn de theologie als wetenschap te 'bestudeeren. De kerk als instituut heeft daarvoor geene gave. Wanneer dan toch een predikant theologie beoefent, doet hij dit dan als ambtsdrager ? Wel neen. Maar dit doet hij omdat God speciaal aan hem daarvoor eene gave heeft geschonken, en daarmede staat hij dan ook gelijk met ieder ander lid der gemeente, maar indien men deze gave beoefent, doet men dit niet als lid der geïnstitueerde kerk, maar als geloovige.

Is de theologie niet veiliger aan een school dan aan de Vrije IJniversiteit ? Best mogelijk. Tusschen de theologische School en de Vrije Universiteit is geen principieel verschil. De theologie gaat echter niet uit van de geïnstitueerde kerk. Dit heeft de kerk ook goed ingezien. Wij hoogleeraren, zijn ambtsdragers geweest. Maar alvorens wij ons ambt als hoogleeraar hebben aanvaard, zijn wij geworden e77ieriti-predikanten. Ging nu de beoefening der theologie uit zoowel aan de Vrije Universiteit als aan de theologische School van de geïnstitueerde kerk, dan behoefde aan de hoogleeraren geen emeritaat te worden verleend. De Theologische School staat wel onder toezicht van de kerk, maar behoort niet tot de geïnstitueerde kerk.

Nadat nog door Prof. Bavinck een antwoord gegeven was op de laatste vraag over de tijdelijkheid van de bijzondere heilsopenbaring, waarbij de spr. o. m. liet uitkomen, dat de natuur des menschen is om God eeuwig te loven in heerlijkheid, en er slechts ééne zedewet voor den mensch is gegeven, beantwoordde de referent nog nader Ds. Bos.

Prof. Bavinck beweerde, dat Ds. Bos tegen zijne stellingen eene serie van gedachten had opgeworpen; de tijd liet niet toe op deze allen in te gaan.

Spr. wenscht slechts te constateeren, dat deze serie van gedachten zijn voortgekomen uit de gedachte: God en de wereld zijn twee; zoo is het betoog van Ds. Bos. Tegen die stelling nu heeft spr. ernstige bezwaren. Wat de eerste stelling aangaat: Inderdaad, niet alleen de theologie, maar alle wetenschap die wij hebben, berust op openbisring. Waarom ? Omdat alle wetenschap op ieder terrein heeft te doen met de openbaring Gods. God heeft alles geschapen door den logos; dat wil zeggen, dat God geschapen heeft na gedacht te hebben; al het geschapene gedacht heeft naar den kosmos. De openbaring is de kosmos, en omgekeerd de kosmos is de openbaring. Wanneer de dingen uit het o/ibewuste waren opgekomen, zouden zij als ongerijmde dingen bestaan. Alle dingen "oerusten op gedachten Gods; in een bloem, in een dier is de gedachte Gods ingelegd. <

De eigenlijke gedachte van de wetenschap is dan ook om in te dringen wat God, heeft gedacht met de dingen die Hij schiep. Het doel der rechtswetenschap b.v. is om de gedachten Gods te peilen, wat Hij gewild heeft wat recht is. Zoo is het ook met andere takken van wetenschap, ook met de natuurkunde. Alle wetenschap heeft het met openbaring te doen. Wetenschap is niets anders dan vertolking van de gedachten Gods. De weg waartoe Ds. Bos moet komen — spr. zegt niet dat Ds. Bos dit wil — leidt tot daalis7ne van Gods openbaring. En daartegen nu heeft spr. groot bezwaar. Ds. Bos komt in conflict met de realiteit; hij doet te kort aan het theologisch karakter der wetenschap.

De leer der Schrift is, dat de Christus niet gekomen is in eene nieuwe menschelijke natuur, maar heeft aangenomen de menschelijke natuur, zooals deze reeds bestond bij Adam. De genade bestaat ook in niets dan in de herstelli7ig der natuur des menschen; door de mensch wording van Christus is niets nieuws in de schepping gebracht. De herschepping des menschen is niets anders dan eene ^-rformatie der schepping, welke aan de menschen ten goede is gekomen, welke tot hare genezing is aangebracht. De herschepping is geen indragen van eene nieuwe substantie, maar eene nieuwe vorming. Alle wetenschap moet het om God zelf te doen zijn. Het is dan ook onjuist hetgeen Ds. Bos beweert, dat de theologie God zoude hebben als object, en de andere wetenschappen een kosmos. 'VVanneer wij ons ideaal vaststellen in den Hemel, zal daar slechts wezen ééne wetenschap in de dingen, maar ook niet buiten de dingen om.

Ten slotte kwam spr. ten sterkste op tegen twee richtingen in de wetenschap: het Mystisisme en het Rationalisme. Voor den mysticus is God nergens te vinden dan in het diepst van zijn gemoed; daarom gaat hij zich dan ook opsluiten in zijn wezen; het rationalisme, dat beweert, dat wij God in ons gemoed niet kunnen vinden. Daarom moeten wij de wereld beschouwen, dan zien wij God. De mysticus houdt geene andere theologie over, dan in zijn gemoedsleven ; de rationalist beweert, dat God nergens andeis te vinden is, dan in de werken van Zijne handen.

Tegenover dit alles, verdedigde Prof. Bavinck het standpunt der Gereformeerden, bewerende, dat daaruit voortvloeit, dat de theologie als wetenschap dient te worden beoefent aan eene Universiteit, met een eigen doel en methode, en in verband moet staan met de andere faculteiten. Het einde van de wetenschap moet zijn de eere Gods.

Door Ds. Kouwenhoven van Groningen werd gevraagd in verband met stelling V: Of de referent aldaar bedoelt de philosofie in formeelen, of ook in materieelen zin, en ten ^tweeden of met het oog op Joh. 3 vs. 16, zij die verloren gaan ook behooren tot den kosmos, die God heeft liefgehad, en ten derde, of de theologie niet aan het hoofd moet staan, niet is de koningin der wetenschap.

Prof. Bavinck beweerde, dat hij bedoeld heeft de Christelijke philosofie in formeelen zin, waaraan door den spr. nog eenige nadere verklaring werd toegevoegd. Behooren in verband met Joh. 3:16, ook de verlorenen tot de wereld, die God heeft lief gehad? Neen. Het organisme kan blijven, al vallen er ook millioenen van dat organisme af. Spr. herinnert hier'bij aan het behoud der wereld als organisme door het behoud van Noach en de zijnen in de ark, terwijl alle anderen verdronken. Moet de theologie aan het hoofd staan der wetenschappen? Neen. Zij maakt deel uit van den kosmos, en staat in organisch verband met andere takken van wetenschap. Men kan aan den anderen kant wel beweren, dat de theologie andere takken van wetenschappen veel overtreft.

Aan het einde der beantwoording gekomen, deed Prof. Bavinck uitkomen, dat God tegenover menschen altoos om Zich aan ons te openbaren in eene menschelijke gedaante verschijnt; altoos met eene menschelijke stem spreekt; tot Engelen spreekt op Engelenwijze, en tot zijnen Zoon op Goddelijke wijze. Al onze kennis van God is analogisch.

Spr. wenscht niet gaarne te worden misverstaan, maar met eerbied gesproken: de schepping was de eerste menschwording Gods. De lleere verscheen aan Adam in eene menschelijke gedaante, sprak met eene menschelijke stem.

Met steeds klimmende belangstelling werden de debatten gevolgd, en met de zooveel gloed en bezieling uitgesproken beantwoording des spr. — evenals het door hem gehouden referaat door Prof. Ba'vinck — aangehoord.

Ds. Geerds, de voorzitter van het moderamen, bedankte den referent en de sprskers uit naam van alle aanwezigen.

Besloten werd een volgend jaar weder eene dergelijke conferentie te houden.

Ds. Kouwenhoven sloot met dankgebed. In de kosten der vergadering werd voorzien door eene lijst, die in de vergadering circuleerde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 oktober 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Provinciale Groninger Gerefor meerde Predikantenconferentie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 oktober 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken