Bekijk het origineel

De Kinderdoop en de Heidelberger.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Kinderdoop en de Heidelberger.

4 minuten leestijd

Sommigen beelden zich nog altoos in, dat de Heidelberger een Kinderdoop leert, die enkel slaan zou op de toekomst van het kind, en niet ook op zijn verleden, of op hetgeen achter den Doop ligt.

Toch is dit gevoelen verstrekt onhoudbaar.

Let slechts op het volgende:

i". De Kinderdoop is Doop, en de Doop is een Sacrament. En nu leert de Heidelberger in Vraag 65, dat het Sacrament dient, om het geloof niet uit te lokken, niet voor de toekomst als mogelijk te stellen, maar om »het geloof te sterken."

Nu laat geen kerkeraad iemand ten Avondmaal toe, om een geloof te sterken, dat hij misschien in de toekomst krijgen zal; maar om eea geloof te sterken, dat verondersteld wordt in hem te zijn.

Overmits nu de Catechismus deze bedoeling van het Sacrament om het geloof ie sterken niet slechts van het Avondmaal, maar van beide de Sacramenten in het gemeen uitspreekt, dus ook van den Doop, en in de dagen van Ursinus en Olevianus zoogoed als alle Doop Kinderdoop was, zoo volgt van tweeen één, óf men beschuldigt hen van gedachteloos schrijven, óf er staat in Vraag 65 duidelijk, dat volgens den Heidelberger óók de Kinderdoop strekt, om een aanwezig »geloof te sterken."

2". In Vraag 69 wordt gevraagd, hoede Doop mij verzekert, dat mij de offerande van Christus ten goede komt. En hierop nu wordt geantwoord, dat zoo zekerlijk als ik door het uitwendig water de onreinheid des lichaams verlies, ik > zoo zekerlijk ook door het bloed en den Geest van de onzuiverheid mijner ziele gewasschen ben."

Let op dit laatste.

Er staat niet: gewasschen zal worden Er staat niet: gewasschen kan worden. Maar er staat zoo beslistj mogelijk: »gewasschen ben^

Wordt iemand gedoopt, dan verzekert alzoo, volgens den Heidelberger, God hem door dit Sacrament, dat hij van zijn zonde gewasschen is.

Natuurlijk mits hij geen verworpene zij.

Daarop nu wordt in Vraag 70 gevraagd, wat dat zegt: gewasschen te zijn. En nogmaals antwoordt de Heidelberger: »Het is de vergeving der zonde van God uit genade te hebben; daarna oök door den Heiligen Geest vernieuwd (d. i. wedergeboren) en tot lidmaten van Christus g^€X\^& .te zijn, "

Ook hier is dus geen sprake van iets in de toekomst, maar van een vergeving der zonde, een wedergeboorte en eea inlijving in Christus die men bezit, heeft en ontving.

3". In Vraag 73 wordt gevraagd of de Doop dan alleen een /^^ÏTIPWÜ? karakter heeft. En het antwoord is: Neen, de Doop strekt in het minst niet alleen om ons te leeren, dat de afwassching van onze zonde door het bloed van Christus geschiedt, maar veelmeer om ons > door een pand en waarteeken te verzekeren, dat wij zoo waarachtiglijk van onze zonde geestelijk gewasschen zijn, als wij met het uitwendig water gewasschen wordend

Ook hier dus, teeken, pand en verzekering, dat de doopeling geestelijk gewasschen niet zal worden, maar is.

hij nu pas gewas­ gewasschen is hij Met het water wordt schen, maar geestelijk reeds.

En 4°. wordt nu, nadat aldus de beteekenis van den heiligen Doop in het gemeen is vastgesteld, nogmaals opzettelijk uitgesproken, dat hetgeen van den Doop der volwassenen geldt, evenzoo geldt van den Doop der kinderen, indien het kinderen van geloovige ouders zijn.

Volwassenen en kinderen worden, wat den Doop betreft, gelijk gesteld.

Ten eerste: én aan de volwasseaen éa aan de kinderen wordt het Verbond Gods toegezegd, en beiden zijn dus én in het Verbond én in de kerke Gods begrepen.

Ten tweede: niets weiniger, niets minder dan aan de volwassenen, wordt ook aan de kinderen der geloovigen, i". de vergeving der zonde, en 2". die werking des Geestes die het geloof werkt, d. i. de wedergeboorte, toegezegd. Natuurlijk ziet dit niet op de toekomst, ihaar op wat ze hebben. Immers een volwassene wordt niet gedoopt op wat komen kan, maar op wat hij heeft. De gelijkstelling eischt dus, dat dit ook bij de kinderen zoo zij. De kinderen ziyanietsweiniger, niets minder dan de volwassenen.

En ten derde: omdat nu de kinderen met de volwassenen alzoo gelijk staan, én in hun aanhoorigheid tot het Verbond én in hun bezit van den Heiligen Geest, daarom moeten ook de kinderea evenals de volwassenen gedoopt worden.

De Doop onderscheidt de geloovigen van de Heidenen en Turken. De kinderea der geloovigea behoorea niet tot de Turken of Heidenen, maar tot de geloovigen. Dicnsvolgcns moeten ook zij gedoopt worden.

En wel geldt de realiteit van dit alles alleen voor de uitverkorenen, voor de anderen niet.

Maar dit is precies evenzoo bij de volwassenen.

Al is eea volwassene op belijdenis gedoopt, toch bestaat ook voor hem de realiteit van dit alles niet, zoo hij niet uitverkoren is, maar verworpen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 oktober 1896

De Heraut | 4 Pagina's

De Kinderdoop en de Heidelberger.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 oktober 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken