Bekijk het origineel

Vrije Universiteit.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Vrije Universiteit.

8 minuten leestijd

Amsterdam, 30 October 1896.

Twintig October ligt weder achter ons, en verblijdend was het te zien, hoe de belangstelling van het Publiek in het leven der Vrije Universiteit nog steeds toeneemt.

Bij onze laatste Jaarvergaderingen op Seinpost en te Leeuwarden, hadden we een opkomst zooals vroeger nooit. En ook nu, op 20 October, was in de ure des gcbeds de schare breeder dan ooit te voren, en bij de oratie heel de ruime Keizersgrachtkerk goed bezet.

Vooral dit laatste is daarom te hooger te waardeeren, daar uit den aard der zaak, de oratiën op dien dag • voor het groote publiek al minder genietbaar worden.

Hoemeer toch de studie aan onze Universiteit dwingt, om tot op de diepste beginselen door te dringen, komen onderwerpen aan de orde, waar de mecsten nooit aan gedacht hebben, die hun geheel vreemd zijn, en waar ze niet plotseling in kunnen komen.

En toch komt het volk, en hoort het niet maar met ernstig geduld, maar tevens met klimmende belangstelling aan, omdat het gist en voelt, dat alzoo de fundamenten zelf onderzocht worden van het huis waarin we geestelijk te zamen wonen.

Prof. Woltjer had een diepzinnig onderwerp gekozen, de beteekenis van wat onder re'éel en van wat onder ï^/^^^/te verstaan zij, en beider verhouding, ook in hun toepassing op onderscheiden wetenschappen.

Door deze oratie is thans weer op een uiterst gewichtig punt door onze Universiteit positie genomen, en dat niet willekeurig, maar met bondige opgave van redenen ; terwijl tevens heel de oratie door duidelijk blijkt, hoe deze wijsgeerig ingekleede bewijsvoering op alle punten in de openbaring der Heilige Schrift, in haar zuivere opvatting, d.i. naar de Gereformeerde overtuiging, wortelt.

Waande men anders vaak, dat een Christen zich »maar aan de Schrift moet houden", en zich met zoo splinterige vraagstukkeu niet moet inlaten, hier blijkt ons hoe op deze als splinterig gewraakte vraagstukken, de Schrift zelve als op hoogst gewichtige problemen haar zuiver licht werpt.

Menig prediker zal dan ook ontwaren, hoe tal van uitspraken in de Heilige Schrift die hij dusver als onvruchtbaar voorbijging, bij dieper indenken een rijke bron van mild vloeiende gedachten ontsluiten.

Dr. Woltjer preekt niet, maar hij toont hoe de Schrift heel het terrein des levens, ook dat der diepste levensgedachten bestrijkt. Bovendien heeft een oratie als deze nog het groote voordeel, dat zij een eind maakt aan allerlei oppervlakkig getwist.

Op tal van punten bestond tot voor kort onder Gereformeerde belijders verschil van inzicht. Dat kon niet anders, omdat we allen uit een ongereformeerde school opkwamen, en dus allerlei onjuiste gedachten in ons denken hadden .opgenomen.

Zulke geschillen nu zijn niet voor ontleding vatbaar, zoolang men niet tot den wortel der vraagstukken doordringt.

Anders denkt de één zus, en de ander zoo, en beiderzijds strijdt men met argumenten, die het geschil niet oplossen kunnen.

Dringt men daarentegen tot den wortel zelf der beginselen door, en ziet men in welke richting die beginselen daar uit ontkiemen, dan blijkt aanstonds welke de ware en welke de verkeerde opvatting der beginselen was; alle verschil valt weg; en men bouwt in geestdrift en uit volle overtuiging voortaan samen aan denzelfden muur voort.

Het kan daarom niet genoeg op prijs gesteld, dat Dr. Woltjer den tijd heeft uitgewoekerd, om zoo diepzinnig stuk ter sprake te brengen, en ter sprake te brengen op zoo heldere wijze als hij het deed.

Ons dunkt dan ook, dat de heeren Lohman, Hovy en Van' Beeck Calkoen, als ze tijd kunnen vinden, om dit schoone stuk, we zeggen niet te lezen, maar te herlezen, ten derden male te lezen, en zóó lang in te denken tot ze het doorgronden, in de stille binnenkamer wel voor hun God zullen moeten belijden, dat ze te overhaast te werk gingen, toen ze, zonder zelven ook maar van verre tot die diepte der gedachte te zijn ingedaald, óf tegen deze beginselen partij kozen, óf in goede trouw waanden, dat de gerezen geschillen van bijkomstig en aard waren, en niet welterdegc het merg der waarheid golden.

Had onze Universiteit kunnen beginnen, met terstond bij haar optreden, de, volledige uiteenzetting en klare toelichting van hare meer verwijderde en naaste beginselen te geven, dan, wij zijn er zeker van, zoude ook de heer Lohman terstond in het goede spoor zijn gekomen, en het zich een eere voor God hebben gerekend, er in te blijven wandelen. En ook, hadden de heeren Hovy en Van Beeck Calkoen waarlijk doorzien wat in het hangende geschil op het spel stond, ze zouden den heer Lohman door hun openlijk partij kiezen voor hem niet zedelijk hebben verzwakt, maar met gespannen ernst in het goede spoor hebben teruggedreven, en .... allicht.... zou onze broeder, voor ons behouden zijn.

Thans heeft niet het minst het feit, dat én de President-Directeur én één der Curatoren, niet gevoelden, wat op het spel stond, en diensvolgens niet, zoo in het bijzonder ais in het openbaar, zich schaarden aan de zijde dergenen die voor het beginsel pal stonden, wel moeten medewerken, om het klare en heldere inzicht ook bij den heer Lohman nog meer te verduisteren.

Op een oogenblik dat de overtuiging in ons kantelen gaat, doet ons niets zooveel kwaad, als te ontwaren, hoe invloedrijke vrienden onze wankeling zoo bedenkelijk niet vinden.

Ware dit anders geweest, de ingebeelde waan, alsof niet besliste overtuigingsdrang, maar partijzucht en rivaliteit de Vrije Universiteit tot verweer drong, zou dan allicht als een inblazing uit den Booze met een: Satan, ga achter mij, door hen zijn afgewezen.

Toch werpen wij daarom allerminst op deze broederen den eersten steen.

Volkomen te goeder trouw waanden deze heeren dat ze recht zagen, en achtten ze zich op dien grond gerechtigd en verplicht, om de overige Directeuren, Curatoren en Hoogleeraren, die voor de waarheid opkwamen, niet alleen niet te helpen noch te steunen, maar soms zelfs in hun strijd te bemoeilijken, ja één, zoo niet twee hunner, zelfs persoonlijk te verdenken.

Ze waanden dit aan den heer Lohman uit ridderplicht verschuldigd te zijn.

Nu, - ook wij hebben dien beker der verdrietelijkheid, soms met zeer bittere droppelen gemengd, tot den bodem toe geledigd. Maar na dien beker uitgedronken te hebben, zijn wij de eersten om te erkennen, dat deze broederen, zoodra het vertrouwen hun ontzonk in de mannen, die geestelijk deze stichting in het leven riepen, uit zich zelven niet in staat konden zijn, om den waren stand der zaken te beoordeelen. Dit lag niet aan hen persoonlijk.

Zóó diep in den wortel der beginselen in te zien, is, waar het instinctief besef niet spreekt, geen eisch die aan den niet wijsgeerig gevormde, eij zulks wel in hoogeren zin, kan gesteld worden. Daarvoor is een diepzinnige studie noodig die niet aller is.

Dat inzicht had hier alleen kunnen aangebracht worden, indien de Universiteit vroeger met de uiteenzetting van haar beginselen gereed ware gekomen.

En ditnu/è< 7W ze niet, en dit was ze niet. Ons blijft dan ook niet anders over, dan op terugkeer van hun liefde en van hun vertrouwenvoor de toekomst te blijven hopen.

Te blijven hopen, omdat we des gewis en zeker zijn, dat ze het "buiten onzen kring toch niet zullen kunnen vinden.

Te blijven hopen ook, omdat ze niet zullen kunnen nalaten kennis te nemen van stukken, gelijk nu weer Prof. Woltjer er een in het licht gaf; en naardien het indringen in zulke stukken, ten slotte hen toch voor God op de knieën, en voor menschen in het publiek tot de waarlijk niemand onteerende bekentenis zal moeten uitdrijven: In het hachelijk oogenblik hebben we ons in onze keuze vergist.

Ook tegenover trouwe vrienden als deze beide mannen aarzelen we niet, ons met beslistheid uit te spreken, nu de waarheid der beginselen, die Godes is, ons hiertoe noodzaakt.

Maar geen oogenblik vergeten we daarbij, dat ze onze broeders zijn, mannen die veel van het beste hunner krachten, jaren lang, met een vaak beschamende toewijding aan de Vrije Universiteit ten beste gaven. Hun Gereformeerde belijdenis verdenken we geen oogenblik, al staat het voor ons vast, dat ze, door verduistering van inzicht, den plicht die voor hen uit die belijdenis ten deze voortvloeide, niet doorzien hebben.

Natuurlijk, vestigden ze bij heel het vaderlandsche publiek den indruk, alsof zij door hun uittreden partij kozen voor de afdolingen van den heer Lohman, en tegen de beginselen der Vrije Universiteit, en zoolang ze dit niet openlijk anders verklaren, dragen zij er de schuld van, dat die indruk blijft voortbestaan.

Maar wij, die anders en beter vertrouwen durven, voelden ons gedrongen, duidelijk uit te spreken, dat we de houding van beide heeren voor de rechtbank der beginselen op alle manier onverdedigbaar achten, maar dan ook om uiting te geven aan ons gevoel van dankbaarheid voor wat ze voor ons-waren, aan ons geloof in hun broederzin, en aan onze stellige verwachting, dat ze eerlang, hun ongelijk inziende en openlijk erkennende, ons zullen hergeven worden door de genade Gods.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Vrije Universiteit.

Bekijk de hele uitgave van zondag 1 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken