Bekijk het origineel

De uitgaande werkingen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De uitgaande werkingen.

12 minuten leestijd

De Conferentie te Groningen is uitmuntend geslaagd. Ze was het begin van een goed einde.

Dit is vooral daaraan te danken, dat die broederen, die van Prof. Bavinck verschilden, zich de moeite hadden gegeven, om hunne bedenkingen volledig te ordenen en zonder zweem van bitterheid in het debat te brengen.

Het ware daarom wel gewenscht, dat men bij een tweede conferentie een viertal stenografen uitnoodigde, om woordelijk op te teekenen, en dat men het opgeteekende uitgaf.

Immers verslagen zijn altoos gebrekkig, en moeten dat welzijn, vooral zoodra er zoo diepzinnige vraagstukken aan de orde komen.

Ds. Bos trachtte dit te verhelpen door zelf een verslag van wat hij gesproken had, aan de N. Prov. Gron. Cour. toe te zenden.

Die ééne rede beslaat in dat blad drie en een halve kolom.

Er valt daarom voor andere bladen niet aan te denken, om dit lange stuk over te nemen.

Nu reeds gaven we vijf kolommen aan deze conferentie. Gaat men nu van één der debaters een later ingezonden verslag opnemen, dan moet men natuurlijk dit profijt aan alle broeders gelijkelijk gunnen. En dan, het spreekt vanzelf, waren we er met geen vijfmaal drie kolommen van af.

Toch willen we in zooverre van deze

volledige mededeeling nota nemen, dat wij er een enkel punt uit ter toetse brengen. We geven daartoe eerst het woord aan Ds. Bos.

»De inhoud dezer openbaring" n.l. der openbaring Gods, »in den ruimsten zin, " d.i. generale en speciale, natuurlijke en bovennatuurlijke Godsopenbaring, > heeft haar archetype in de scientia libera in het bewustzijn Gods; berust op den grondslag der decreta in den wil Gods; is belichaamd in al wat buiten Gods wezen door Zijn wil als creatuur bestaat."

Dus »is belichaamd in al wat bestaat. Dus niet: wat als creatuur bestaat is de openbaring zelve^ maar God openbaart zich in den kosmos. God bestaat in zichzelven, ook buiten den kosmos; ofschoon de kosmos niet zonder en buiten God bestaat. God is immanent w en transcendent boven de wereld.

»En vormt om al deze redenen één organisch geheel." Wat vormt één organisch geheel ? »De inhoud der openbaring." Dus niet de kosmos en de Theos; ook niet de kosmos en de openbaring, maar de openbaring Gods in den kosmos. Die éénheid der openbaring Gods, in den ruimsten zin, berust op de eenheid Gods. »Vormt één organisme." De kosmos vormt één organisme; doch die kosmos, als organisme, is te onderscheiden van God, Die zich in den kosmos openbaart, en dus is de kosmos als een organisme ook te onderscheiden van de openbaring Gods in den kosmos. Dat vormt samen nooit één organisme.

Of dat dualistisch is ? Ja: God en kosmos. Schepper en schepsel zijn twee en niet één organisme. Niet zooals de Dooperschen, en vóór hen de Doceden wilden, alsof de kosmos per se onrein zou zijn: het is Gods werk, waarin God zich openbaart, waarin Gods deugden uitblinken, waarin God te eeren en te verheerlijken is. Doch men mag uit de eenheid Gods en de eenheid der openbaring Gods, daarop gegrond — en uit den organischen samenhang van den kosmos, en de openbaring Gods in heel den kosmos, niet besluiten tot de organische eenheid van al het bestaande^ om zoo te komen tot het organisme van alle wetenschap.

Te zeggen, dat de inhoud der openbaring Gods één organisme is, en dat die inhoud de kosmos is, is niet juist. De openbaring Gods is de openbaring van Zijn wezen; in zichzelf onkenbaar; voor zoover God zich heeft willen openbaren, en de mensch God kan leeren kennen, en moet leeren kennen, opdat hij zijnen God verheerlijke. De H. Schrift spreekt daarvan: ïOpdat wij den Waarachtige kennen". »Dit is het eeuwige leven, dat zij U kennen". Wij kunnen God echter niet tot in het oneindige doorzoeken.

Beter ware dus gezegd: »de inhoud dezer openbaring vormt één geheel, omdat God één is, en om het organisch verband van den kosmos, waarin God zich geopenbaard heeft.

» Kosmos" en «openbaringsinhoud" — is niet hetzelfde. De openbaring, en ook de openbaringsinhoud is in den kosmos. In de 2de stelling staat dat »de inhoud dezer openbaring belichaamd is in al wat buiten Gods Wezen door Zijn wil als creatuur bestaat, d. i. in den kosmos." Dus in den kosmos is de inhoud der openbaring. De kosmos zelf is de openbaring niet. Daarom niet één object: > dien kosmos, " maar twee objecten de openbaringsinhoud, of God, voor zoover Hij zich geopenbaard heeft, en de kosmos, waarin Hij zich heeft geopenbaard, of waarin de openbaring belichaamd is. Men kan dus eigenlijk niet zeggen dat »alle wetenschap des menschen den kosmos tot object heeft", want God is ook een object der wetenschap, n.l, der wetenschap, die men Theologie noemt. In de Theologie is niet de kosmos object, maar de Theos, Die zich geopenbaard heeft in dea kosmos,

In zoover is er dus verband in alle wetenschappen, dat er geen wetenschap is buitenden kosmos, omdat wij niets weten zonder den kosmos, waartoe ook de mensch zelf behoort. Er zou dus geen wetenschap zijn, als er geen kosmos was, en alle wetenschap bepaalt zich tot den kosmos en wat van God in den kosmos is gelegd en uit den kosmos van God kan worden gekend. Ook moet alle wetenschap in alles God zien en verheerlijken. Doch het is niet juist uitgedrukt, dat in alle wetenschap de kosmos het object is, want dan wordt óf alle wetenschap kosmologie en is er geen Theologie, óf alle wetenschap wordt Theologie en zijn er geen kosmologische wetenschappen meer, maar wordt de kosmos Theos.

»En hangt daarom objectief m al hare deelen organisch samen". Deze conclusie is natuurlijk niet zuiver als de praemisse niet opgaat. Als niet organisch samenhangt: de kosmos en de openbaring Gods — ofschoon er verband tasschsn beide is — dan is ook niet bewezen, dat »alle wetenschap" organisch samenhangt, want als er geen organisch verband in de objecten is, dan ook niet in de wetenschap dier objecten.

Over dit hoogst gewichtige pnnt nu veroorloven we ons een korte opmerking.

In den Heere onzen God zijn inblijvende en zijn uitgaande werkingen, en alle openbaring behoort tot de laatste; ook de openbaring over de inblijvende werkingen.

De eeuwige generatie is een inblijvend werk. Als zoodanig viel dit dan ook geheel buiten onze kennis. En kennis van deze > inblijvende werking" ontvangen we eerst daardoor, dat een uitgaande werking ons dit eeuwig aanbiddelijke mysterie openbaart, en ons oproept om het te belijden.

Zoodra men op ons ketmen komt, moet men derhalve bij de inblijvende werkingen onderscheid maken tusschen die inblijvende •werkingen, waarover door uitgaande werking iets aan ons menschen geopenbaard werd, en die andere waarover geen uitgaande werking ons eenigc openbaring bracht.

Stel nu, er is zulk een inblijvende werking waarover ons niets geopenbaard is door een uitgaande werking, dan blijft dit voor ons een volstrekt mysterie, een volkomen geheimnis, en noch van het feit dat er zulk een inblijvende werking bestaat, noch van de wijze hoe ze werkt, weten wc iets hoegenaamd af.

Ze valt buiten alle menschelijke besef, begrip en wetenschap.

Menschelijk besef, Icennis of wetenschap kan nooit iets anders tot inhoud hebben dan de uitgaande werkingen Gods.

Met opzet voegen we er besef bij, en nemen dit in den wijdsten zin^als; alle aandoening, gewaarwording en mystiek der ziel omvattend, dus ook de inwoning in ons en de inwerking van den Heiligen Geest,

Als ^ God Drieëenig mij wederbaart ten leven is dit een uitgaand werk. Als Hij mij den Heiligen Geest schenkt is dit een uitgaand werk. En evenzoo is het een uitgaand werk, als God de Heere den sensum Divinatis, gelijk Calvijn het noemde, d. i. > het gevoel van Gods aanwezigheid" in mijn hart doet werken.

Uitgaand is eindelijk evenzeer de zending van den Middelaar tot deze wereld door de vleeschwording. Niemand toch, der zake kundig, zal zeggen, dat er na Bethlehem een verplaatsing van den Tweeden Persoon heeft plaats gehad, zoodat in het Eeuwige Wezen alleen maar de Eerste en de derde Persoon zouden zijn overgebleven.

Ook de Vleeschwording is een werk der openbaring, evenals de uitgang van den Heiligen Geest, en beide ziyauitgaande, daden.

Elk inblijvend werk staat derhalve, als zoodanig, geheel buiten ons. Voor ons besef, voor onze kennis, voor onze wetenschap gelden alleen de uitgaande werkingen. En tot die uitgaande werkingen nu behoort zoowel de schepping en herschepping, als het zich openbaren van God in die schepping en herschepping.

Nu noemt men dit alles saam het of den kosmos. heelal

Edoch (en hier komt nu het misverstand op, wat maakt dat men elkaar niet verstaat) dit woord kosmos kan in meer dan één zin gebezigd worden.

Men kan van kosmos in deïstischen zin spreken, en dan wordt er onder verstaan de geschapen dingen, zonder meer, en ligt de openbaring als zoodanig er buiten.

Of men kan het woord kosmos ïapantheïstischen zin verstaan, en dan valt elke onderscheiding tusschen de dingen die bestaan en de openbaring in die dingen weg.

Of eindelijk men kan het woord kosmos in theïstischen zin meenen, en dan heeft men onder kosmos te verstaan tweeërlei: i". de zijnde dingen als openbaringsinstrumenten en 2". hetgeen in dit zijnde van God gekend wordt.

Neemt men het nu deïstisch, dan natuurlijk is > de wetenschap" niets dan de wetenschap der geschapen dingen, en ligt daarnaast en daarbuiten de vraag, wat men van God kent. Wetenschap en Theologie staan dan los naast elkaar.

Verstaat men het pantheïstisch, dan is de kennis der bestaande dingen zelve de kennisse van God. Wetenschap en Theologie zijn dan hetzelfde. Voor Theologie als afzonderlijk deel van kennis is dan in de wetenschap geen plaats.

Maar begrijpt men den kosmos in theïstischen zin, dan heeft de wetenschap tot inhoud alle uitgaande werkingen Gods, in schepping en herschepping en in de openbaring door en over die beide, en is de wetenschap derhalve de wetenschap van deze uitgaande werkingen, maar in twee samenhangende deelen uiteenvallende, 1°. de wetenschap van die uitgaande werkingen als openbaringsinstrumenten; en 2", de wetenschap van hetgeen God ons in die uitgaande werkingen aangaande zichzelven openbaart, Alzoo de Theologie als zelfstandig lid in het lichaam der wetenschap.

Geheel dit verschil van gevoelen hangt derhalve uitsluitend aan de vraag, hoe ge den kosmos opvat.

Is onder het heelal metterdaad alles, niet alles te verstaan ?

Enkel al het geschapene ? Of ook de herschepping ? En met schepping en herschepping ook alle openbaring die God in en door en over beide aangaande zich zelven geeft?

En dan is ons antwoord: Dat alles sa am is de kosmos, want dat alles zijn zijne uitgaande daden. En alleen alle uitgaande daden Gods saam stellen het onderscheid tusschen God in zijn verborgen wezen en hetgeen van Hem uitging of uitstraalt.

Er moet dus wel misverstand in het debat blijven, zoolang de één kosmos in den éénen, en de andere kosmos in den anderen zin begrijpt.

Dan raken over en weer de argumenten niet.

En mogen we het nu ten slotte theologisch uitdrukken, dan zeggen we; Er is openbaring en er is instrument van openbaring. Instrument van openbaring nu is alle product van schepping en van herschepping.

De wetenschap nu buiten de Theologie onderzoekt het instrument der openbaring dat in het geschapene ligt als zoodanig. De Theologie onderzoekt 1°. het instrument dat in de herschepping ligt, en 2^. de openbaring omtrent Gods wezen en werk, die in het instrument van schepping en herschepping beide spreekt. En de Philosophie stelt de uitkomst van beider onderzoek in verband.

Die wetenschap buiteti de Theologie nu, die wetenschap der Theologie, en die wetenschap der Philosophie saam vormen met elkander de wetenschap, niet door een optelsom, maar als saam het ééne lichaam onzer kennis vormend. En die kennisse is één, omdat er noodzakelijk organisch verband bestaat, ten eerste tusschen de openbaring en het instrument van die openbaring, ten tweede tusschen de schepping en de herschepping, en ten derde tusschen Gods wezen en zijne volgens zijn Besluit uitgaande daden.

Hiermede is, zoover we zien kunnen, dit geschilpunt wel kortelijk, maar toch volledig toegelicht.

Alle wetenschap heeft tot hoogste doeleinde de verheerlijking van onzen God te dienen; de buitcn-theologische wetenschap door ons het instrument van Gods openbaring in het geschapene, en dus ook van het historisch gewordene te doen kennen; de theologische wetenschap om ons de openbaring in het geschapene, de herschepping en het geopenbaarde in de herschepping te doen kennen; en de philosophische wetenschap, om beider resultaat ineen te zetten.

Zeer zeker moet steeds, gelijk Ds, Bos terecht opmerkt, streng en scherp het onder­ scheid tusschen God en den kosmos in het oog worden gehouden. Wie dit niet doet is pantheïst. Maar voor ons menschen is geen andere kennisse van God dan uit het geopenbaarde en door openbaring mogelijk. En mits nu maar duidelijk en sckerp tusschen het instrument der openbaring en] de openbaring in en door dat instrument onderscheiden worde, blijft alle grens hier scherp gcteekend en onverflauwd.

Buiten de tdtgaande daden Gods is er voor ons geene kennis van den Eeuwige, noch mystieke noch noëtische; en alle uitgegane daad Gods is buiten God, niet in God, en behoort daarom tot het mystiek begrip van kosmos.

Geheel hier buiten ligt de afzonderlijke vraag naar den Logos in God, den Logos in het geschapene, en den Logos in onzen menschelijken geest; de drie gegevens die onze menschelijke kennis en dej wereld van ons denken beheerschen; op grond waarvan Prof. Bavinck zeer terecht staande hield, dat er in ons denken zelf en alzoo in alle wetenschap openbaring is.

Met opzet echter Heten we dit afzonderlijk punt buiten het geding; natuurlijk bereid om ook hierop nader in te gaan.

Alleen door zich telkens tot één enkel punt van het debat te bepalen, komt men tot helderheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's

De uitgaande werkingen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken