Bekijk het origineel

Ds. Bruna.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Ds. Bruna.

7 minuten leestijd

Niet zonder belangstelling zullen onze lezers kennis hebben genomen van het schrijven van Ds. Bruna, dat we een vorig maal opnamen.

Immers deze predikant in de Nederlandsche Hervormde kerk, zocht en verkreeg van haar de bevoegdheid om het Woord en de Sacramenten te bedienen, is volgens haar reglement bij de afdeeling Buurse van dat Genootschap beroepen, is door haar Besturen in zijn ambt ingezet, en leeft onder haar Bestuurshoogheid,

En nochtans komt deze predikant ons verklaren, dat hij de »Ned, Hervormde kerk" niet als een > Christelijke kerk" beschouwt ; dat hij de plaatselijke gemeente dier kerk, te Amsterdam in 1886, niet houdt voor een »zelfstandige openbaring" van de Christelijke kerk; dat hij den »kerkeraad" waarvan de geschorsten deel uitmaakten, niet aanziet voor > den kerkeraad eener openbaring van de Christelijke kerk"; en dat er z. i. geen Christelijke kerk genaamd de > Nederlandsche Hervormde" bestaat.

Voor hem is de > Nederlandsche Hervormde kerk" eene »inrichting die saamvat allerlei vereenigingen, broederschappen en kerken, benevens een aantal individuen zonder eenige overtuiging." »Dus ook kerken, " en ook »Gereformeerde kerken", > maar ook rechtens, uit haren aard, Modernen".

Op dien grond acht hij zich bevoegd en gerechtigd, om ook Modernen als leden der kerk in te schrijven. Hij acht toch, dat hij daarmede > absoluut niets verklaart" omtrent hunne belijdenis, en zegt er hun dat bij.

Komt. nu zulk een persoon ten Avond: maal, dan zegt Ds. Bruna hem: > Gij hebt daarop geen recht. Ga, zoo ge dit zoekt, elders waar Moderne Avondmaalnabootsing is."

Er is alzoo voor hem geen strijd.

Als men hem dwong, zou hij, het kostte wat het kostte, in verzet komen.

Nu men hem niet dwingt, blijft hij.

Waartoe zou men hem nu moeten dwingen, als hij in verzet zou komen?

Antwoord: Men zou hem dan moeten dwingen 1". te verklaren, dat alle Nederlandsche Hervormden ook Christenen of Belijders zijn; 2". te gelooven, dat de dusgenaamde bediening van het Avondmaal door een Moderne, Avondmaal is.

Hij voegt er ten slotte nog bij, dat zijn grondbezwaar tegen de doleantie is > het zoeken van het martelaarschap", en komt er voor uit, dat hij niet voor een »tegenstander" door ons wenscht te worden aangezien.

Al aanstonds stemt deze laatste verklaring ons dankbaar.

Het is, helaas, onder de Hervormden een zoogoed als vaststaande legende geworden, dat Dr. Kuyper hun kerk vernietigen wil. Hij is in hun oog een brandstichter van beroep, een geboren dynamietman, en steeds moeten de trouwe wachters van het Hervormd Sion rondkijkers op de been hebben, om wel toe te zien, dat deze nihilist niet hier of daar een gevaarlijke bom in de portieken van hun kerk legt.

Dat zij zich door dit oordeel bezondigen, kunnen ze niet inzien. Ze zijn ten deze ganschclijk verblind.

Ze kunnen zich geen voorstelling vormen van een geestelijk overtuigd man, die in zijn ziel zich ergerende, dat de dusgenaamde »vaderlandschc kerk" het heilige, eens haar toevertrouwde pand verwaarloost, dorst naar de bekeering van die kerk tot den Christus en de belijdenis der vaderen, en daarom het Genootschap, dat die kerk gebonden houdt, als een vloek voor die kerk beschouwt, en waar hij kan, spreekt en handelt, om die kerk uit de boeien van dat Genootschap te verlossen.

Laat morgen den dag die kerk tot de belijdenis en de tucht der vaderen terugkeeren, en ze zal geen ijveriger dienaar en lofzinger hebben, dan diezelfde Dr. Kuyper.

Zóó is de waarheid, maar dit kan men niet inzien, omdat men er zelf schuldig door zou worden, als men het toegaf. En uit dien hoofde moet nu, ter ontlasting van eigen consciëntie. Dr. Kuyper verdacht gemaakt, van allerlei booze en onedele bedoelingen beticht, en op alle manier gebrandmerkt worden.

Is het dan zoo onnatuurlijk dat schrijver dezes het steeds dubbel waardeert, dat er ook in de Nedcriandsche Hervormde kerk nog zoovele leden en ook predikanten zijn, die hem een warm hart toedragen, en hoe ook door den gang van zaken kerkelijk van hem gescheiden, niettemin niet zonder verontwaardiging dien oploop kunnen aanzien van heetgebakerde Synodalen, die bij dagen en bij nachten bezig zijn, ' om stecnen in zijn ruiten en over de muren van zijn huis te werpen?

Tc mogen ontdekken dat ook Ds. Bruna, van wien wij dit niet wisten, met het veiligheidskorps van Synodale detectieven en brandweerlieden niet meedoet, maar blijkt zich op ons standpunt te kunnen plaatsen, acht dat we bij onze overtuiging niet anders konden handelen dan wc gehandeld hebben, dat de doleantie in beginsel gelijk heeft, en deswege weigert onder onze tegenstanders gerekend te worden, kan ons uit dien hoofde wel niet anders dan een oorzaak vau vreugde zijn.

Dat hij bovendien, dit niet in de stilte ons toefluisterde, maar het openlijk uitsprak, is een daad van moed, waarin bewijs van zelfstandigheid van karakter ligt, b^j veel karakterschaarschte steeds een heuglijk symptoom.

Vandaar onze gereedc bereidwilligheid, om met dezen opponent in kalme, doorgezette discussie te treden; niet uit courtoisie, maar ter wille van de zaak, die hem en ons na aan het harte ligt.

Het geding neemt allengs hetzelfde verloop als na de actie van 1834.

In de eerste tien jaren na 1834 was geen Hervormde voor een Afgescheidene te spreken, en schrijver dezes, die reeds als knaap met eigen ooren de gesprekken beluisterd heeft, die een tiental jaren na de separatie door nobele, eerlijke mannen in de Hervormde kerk over de separatie gevoerd werden, weet en verstaat hoe het na zulk een actie in den eersten tijd niet anders kan, of uit reactie moet er dan zulk een exclusivistischc stemming der geesten opkomen.

Niet ieder kent in zulke oogenblikken de zelfbeheersching en broedertrouw van mannen als Groen van Prinsterer en Elout van Soeterwoude.

En vooral is het te begrijpen, hoe met name de Hervormde predikanten, vooral in plaatsen waar zulk een actie de Hervormde kerk eeaigszins gevoelig aangreep, zich niet licht tot edeler standpunt kunnen opheffen.

Zoo was het tien jaar na 1834, en zoo is het ook tien jaar na 1886.

Enkele nobele Hervormden, ook al mecnen ze onze actie niet te kunnen volgen, begrijpen toch ten volle, dat een ander oordeelde er toe te moeten komen, waardeeren den moed en de toewijding die ook bij de actie van 1886 aan het licht trad, en wenschen niets liever dan ook in de Gereformeerde belijders hun broeders in Christus te eeren; waar het kan zelfs op ander terrein met hen samen te werken.

Meer dan één Hervormd predikant stond zoo na 1834, en staat thans evenzoo na 1886.

Komt ge daarentegen te Amsterdam, dan kunt ge op straat keer op keer het waarlijk den Christen onteerend schouwspel zien, dat broeders die vroeger met ons in den kerkeraad zaten, hun broeders die kerkreformatie plicht achtten, zonder broedergroet voorbij gaan.

Niet allen doen zoo; maar Klikspaan zou toch zeggen; Zoo zijn er.

Intusschen, die eerste felheid hield na 1834 niet aan, en kon evenmin aanhouden na 1886.

Men zal ook nu allengs gaan inzien, dat aan de echte broeders in de Hervormde kerk de Gereformeerden veel nader staan, dan de Modernen, de Groningers en de Ethischen.

Dat zien velen thans nog niet in.

Een Modern, een Groninger collega zullen ze vriendelijk toespreken, terwijl ze een Gereformeerde als een melaatsche schuwen.

Maar allengs wijzigt zich dit.

De kruitdamp tfekt ten leste op.

En dan begint de verwantschap der beginselen, de eenheid in het geloof mee te spreken.

Zoo was het toen, zoo moet het uit reactie ook nu komen, en ook voor ons is de tijd aanstaande, dat wc met Gereformeerde broeders in de Hervormde kerk weer meerdere aanraking zullen krijgen, en allengs met hen over den gang van het kerkelijk leven zullen gaan redekavelen.

Tot dusver was dit nog niet gezien. Maar tien jaar na de doleantie treedt nu in Ds. Bruna reeds een Hervormd predikant op, die, boven alle kleinzieligheid en bitterheid verheven, toont samenspreking, ja zelfs publieke bespreking, te begeeren.

Het spreekt vanzelf dat onze kolommen voor zijn tegenbetoog, telkens na ons betoog, open zullen staan.

Voorshands bepalen we ons tot deze inleiding op het debat, er alleen de vraag aan toevoegende, of onze geachte opponent Art. 27 v.v. van onze Belijdenis met ons onderschrijft.

Bij elk ordelijk debat behoort eerst vast te staan, wat over en weer gemeenschappelijke overtuiging is.

Dan redeneert men van dat punt uit.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Ds. Bruna.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken