Bekijk het origineel

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Dan de gemeene Gratie.

18 minuten leestijd

TWEEDE STUK.

X.

Zoo zijn zij wel vijanden aangaande het Evangelie, om uwentwille, maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden, oni der vaderen wille. Rom. 11; 28.

Alle voorstelling, als ware Palestina het eigenlijke lustslot des Heeren, en alle heidenland daarbuiten slechts wilde heide, valt derhalve onherroepelijlc weg. Niet de wereld bestaat om Israël, maar Israël om de wereld. Ware die wereld niet in zonde en dood verzonken, heel het volk van Israël zou zelfs nooit bestaan hebben. Dat God de Heere het volk Israël door de wondere geboorte van Izak in het leven riep, was uitsluitend om zijn heilsraad te volijrengen, en voor eeuwig te herstellen, wat in Eden voor eeuwig verloren scheen.

Uit deze geheel eenige en eigenaardige positie van Israël verklaart zich dan ook de houding, door Jezus tegenover Israël aangenomen. Eenerzijds de stiptste eerbiediging van der Joden hachlijke privilegie, en anderzijds het gestrengst oordeel over datzelfde Israël, in zooverre het tegen zijn roeping inging.

Zijn eerbiediging van het heilig privilegie door God aan Israël geschonken, gaat zoover, dat de Kananeesche vrouw uit het Sidonische gebied, het bijna tergende woord moet aanhooren : »Het is niet betamelijk, het brood der kinderen te nemen en den hondekens voor te werpen." Zonder voorbehoud spreekt Jezus het uit, dat > hij niet gezonden is dan tot de verlorene schapen van het huis Israels." Aan de discipelen wordt bij hun uitzending zelfs verboden, om hetzij aan de heidenen, hetzij aan de Samaritanen het Evangelie te prediken. In strak uitsluitenden zin wordt hun gelast, > veel meer henen te gaan tot de verlorene schapen van het huis Israels". En opdat niemand het doe voorkomen, alsof alleen de eerste drie Evangeliën in dien toon verhalen, zij er aan herinnerd, hoe ook Johannes, in wiens Evangelie Jezus zich zelven juist zóó duidelijk en omvattend mogelij Ic als »den Zaligmaker der wereld" aankondigt, ons bericht, hoe Jezus het der Samaritaansche vrouw aanzegt, »dat de zaligheid uit de Joden is".

Jezus, die als de Heiland der wereld optrad, heeft zich al dejaren van zijn aardsche existentie dan ook zoo goed als uitsluitend onder Israël opgehouden. Als klein kindeken is hij op Goddelijk bevel van de engelen naar Egypte gedragen, maar als jongeling en man heeft Jezus geen propagandatocht naar Griekenland, Rome of Egypte ondernomen. Nauwelijks heeft hij de grenzen van het Joodsche land overschreden. Zelfs heeft hij niet gepoogd edele jonge mannen uit de Grieken voor zijn apostolaat te winnen. Al zijn discipelen waren uit Israël, en nog wel qaar het getal van Israels stammen uitgekozen. En toen ten leste de »apostel der heidenen" geroepen werd, was ook wederom de man van Tarsen een Jood. Stipt wordt de heilige grenslijn dus geëerbiedigd. In Israël moet het heil voor de wereld bereid worden, en eerst als dat heil vol is, en de Christus ten hemel is gevaren, om uit den hemel de wereld te zegenen, valt de scheidsmuur, en vloeit de genade over den akker der 'wereld uit.

Maar even beslist staat hier tegenover, dat Jezus aan de Joden hun oordeel aanzegt, voorzooverre zij met deze hun roeping, om het heil der wereld te bedienen, onvoldaan, zich verhieven in hun hoogmoed. Er is geen volk waarop zulk een ontzettend oordeel rust als op het volk der Joden. Naarmate hun meer gegeven was zou te meerder van hen geëischt worden. En vlak tegen dien regel in, is er geen volk, dat in dieper zonde viel dan Israël. Hunner was het licht, terwijl de overige volken nog in de duisternis wandelden, en bij de genade die aan Israël is geschied, komt de gunst Gods, die andere natiën genoten, zelfs niet in vergelijking. En toch, dat rijkbegiftigde, wonderbaar begenadigde volk heeft meer dan eenig volk den nek verhard, zijn God verdriet aangedaan, de verzenen tegen de prikkelen gestooten, en van zijn God afgehoercerd, om ten slotte bij den keizerlijken rechter, die het leven van Jezus sparen wilde, onstuimig aan te dringen op zijn gewelddadigen dood. Het einde waarop hun verbasterde ontwikkeling uitliep was dan ook, gelijk Paulus zegt: idat se gedood hebben den Heere Jezus en hun eigen profeten, en de kerke Gods hebben vervolgd, en Gode niet behagen, en allen menschen tegen zijn, en Jezus' apostelen wilden verhinderen tot de heidenen te spreken, opdat de heidenen souden zalig worden."

In dit ééne punt trekt zich heel Israels oordeel saam. Israël bestond alleen om den Christus voort te brengen, opdat door Christus de wereld aan God zou worden teruggegeven; en toen eindelijk, na een voorbereiding van twee duizend jaren die Christus uit Israël geboren was, toen heeft Israël dien Christus niet aangebeden, maar den Zone Gods gedood, > opdat de erfenisse hunner zou blijven". Juist dus wat Paulus zegt: ze hebben den Heere Jezus gedood en hebben willen verhinderen, dat het heil tot de wereld zou uitgaan. Ze waren geroepen om vrucht voor Gods eere in het midden der wereld te dragen, en in plaats van aan die heerlijke roeping te beantwoorden, hebben ze den balsem van Gilead voor zich zelven willen rooven. De bij puurt honig, opdat anderen door haar zoetigheid gestreeld worden, en zoo ook had Israël moeten zijn. Maar in stee van aan die heerlijke taak lust te hebben, hing Israël als de spinne in haar web, om alles te behouden voor zichzelf.

Israels roeping rustte op het beginsel van liefde. Het moest er zijn willen om de wereld te dienen. En zie, het vertoonde zich in het meest starre egoïsme. Niet voor God en niet voor de wereld, maar voor zichzelven wilde het bestaan.

Zij, van wier lippen men in onze dagen dan ook nooit één enkel woord beluistert, waarin heilige toorn spreekt over »dit bederf van het beste", dat God in Israël bereid had, en die daarentegen steeds de Joden opvijzelen, mogen zich zelven wel eens afvragen, of hun liefde voor de eere Gods en voor den Christus Gods, dien de Joden aan het kruis geslagen en gedood hebben, geen schade lijdt door hun onevenredige nationale sympathie. Althans Jezus nam tegenover de Joden een geheel andere positie in. Tot Jeruzalem heeft Jezus gezegd: > Zie, uw huis worde u woest gelaten"; en over het Israël dat de profeten steenigde en doodde, en ook aan Gods lieven Zoon de wrake zijner hoovaardij zou koelen, sprak hij het ontzettende oordeel uit, > dat God den kwaden een kwaden dood zou aandoen en zijn wijngaard aan anderen geven". »Daarom, zoo voer hij voort, zeg ik ulieden, dat het koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden, en een volk gegeven, dat zijn vruchten voortbrengt; want wie op dezen steen valt, die zal verpletterd worden, en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen". »Voorwaar, voorwaar zeg ik u, het zal Ninevé en Sodom verdraaglijker zijn in den dag des oordeels dan ulieden".

Wel blijft daarom de roeping Gods onberouwelijk, maar juist dat onberouwelijke van Gods roeping beschaamt Israels hardnekkigheid en ontrouw slechts te dieper. In de twintig eeuwen die aan Bethlehem voorafgingen, is een breede schare van Gods uitverkorenen uit Israël zalig geworden, schier uit Israël alleen. En ook na Bethlehem zijn duizenden en nogmaals duizenden uit Israël in het koninkrijk der hemelen ingegaan, eer er nog één enkele uit de volken der wereld in den naam van God Drieëenig was gedoopt. Israël heeft zijn God, maar God heeft zijn volk niet verlaten. Nog wandelt het als een wonder teeken van Gods almachtig bestel onder de natiën rond, en terwijl Moab en Edom sinds lang zijn ondergegaan, en Babyion in puin viel, en Egypte aan de Halve maan is overgeleverd, blijft de tiatie der Joden voortleven, en is ze, niet meer door Jehova, maar door Mammon een macht in de wereld; en nog steeds gaat er geen scherper vijandschap tegen Christus' kerk uit, dan van datzelfde nu door Mammon machtige Israël. Op niet één punt der historie ziet ge de verachtelijke ontrouw des menschen zoo tergend en tastend uitkomen, als in de standvastige felheid waarmee de natie van Israël zich tegen den Gezalfde Gods en tegen de trouw des Heeren overw stelt. Het is één aangrijpende worsteling, waarin de eeré van Gods trouwe steeds hooger klimt, en de ontrouw van het eens door God verkoren volk op steeds ergerlijker wijze uitkomt. Zelfs doet zich het verschijnsel voor, dat die enkele Joden, die nog als een brandhout uit het vuur gered en tot den Christus gebracht worden, op enkele hooge uitzonderingen na, als ze bekeerd zijn, slechts zelden onder die vreeslijke schuld van het Jodendom wegzinken, maar veeleer geneigd blijken, om zich nog altoos min of meer op hun afkomst uit de Joden te verheflfen; iets waardoor helaas zoo ongelooflijk veel van den zegen dien ze aan Christus' kerk brengen konden en brengen moesten, te loor gaat.

We kunnen er daarom zeer wel inkomen, dat wie uit de Joodsche natie geboren is, n door wondere genade nochtans den Chrisus vond, zich in een eenigszins andere berekking tot den Christus gevoelt, dan wij, inderen der heidenen. De Joodsche natie s en blijft exceptioneel. Maar recht om aarin te roemen heeft alleen die zoon brahams, die eerst dieper dan eenig kind ods uit de heidenen onder de vreeslijke chuld zijner vaderen en van zijn geslacht ezweken is, ja, het nauwelijks verstaat dat an een geborene uit zoo diep schuldig volk ochtans zoo duizendwerf verbeurde genade ewezen werd. Van dien toorn nu hoort en zoo zelden, zoo bijna nooit. En in het ntbreken van dien toon der diepste zelfernedering en der bangste zellbeschaming ver Israels schandelijke ontrouw en verletterende schuld dat nu nog oud Israels onde in de hedendaagsche bekeerlingen it het volk der Joden nawerkt.

Toch zal daarom Gods raad bestaan. De Joden zijn niet een verdwijnend volk. Israël blijft. En als eens het getal der uitverkorenen zijn voleinding nadert, en het einde der wereld nabij is, zal de onberouwelijke verkiezing Gods nogmaals heerlijk onder diezelfde Joden uitbreken, om het getal der geroepenen en der verkorenen ook uit Israël vol te maken, opdat heel het voorverordineerde Israël zalig worde. Met de tienduizenden gezaligden uit Israël van vóór Bethlehem, en de tienduizenden die naden Pinksterdag in het Hosannah van den Zone Gods meê instemden, zal dan die nieuwe schare uit Israël tot God en zijn Gezalfde komen, en deze gansche breede schare van Israël uit het oude Londsvolk, zal met de gansche heirschare der toegebrachten uit de overige volkeren in de komende heerlijkheid van den Christus ingaan. Niet om in dat rijk der heerlijkheid alle verschil van volk en volk te doen wegvloeien. Het verschil van volk en volk rust evenals het verschil tusschen persoon en persoon op de voorverordineering en het bestel onzes Gods. En daarom gelijk de gezaligden persoonlijk ook in het rijk der heerlijkheid hun eigen karakter en hun onderscheiden plaats zullen behouden, zoodat een iegelijk den witten keursteen ontvangt met een naam er op gegrift, dien niemand kent dan God en hij zelf , zoo ook zal alle volk en tong en natie in dat rijk der heerlijkheid zijn eigen karakterstempel dragen, van allen valsehen bijsmaak gezuiverd. Aldus zal het dan ook met Israël zijn. Ook Israël zal in het rijk der heerlijkheid onder de schare die niemand tellen kan, zijn eigen type, zijn eigen stempel, zijn eigen karakter blijven dragen, niet gelijk de Jood het bedierf en verdierf, maar gelijk God het eens heerlijk aan Israël had toegedacht. Van voorrang daarentegen of van een verheffing boven de volken zal daarom in de toekomstige heerlijkheid van Israël geen sprake zijn, omdat in tegenstelling met wat de Jood beoogt, het echte Israël Gods juist daarin heerlijk zal uitblinken, dat het alle Joodsche vragen wie toch de meeste is, voor altoos zal hebben verleerd.

De ware positie neemt ge uit dien hoofde tegenover de Joden dan eerst in, zoo ge u terugvindt in wat op de voorzijde en op de keerzijde van den apostolischen gedenkpenning staat. Op de voorzijde: De Joden zijn vijanden aangaande het Evangelie, om uwentwil. En op de keerzijde: De Joden zijn beminden aangaande de verkiezing, om der vaderen wil.

Al wat daarbuiten gaat strekt niet om de Joden te kerstenen, maar heeft tot noodzakelijk gevolg, dat de Christenen weer verjoodschen.

Zoo is dan de slotsom licht op te maken.

Na den val in het Paradijs zinkt de wereld niet, gelijk Satan bedoeld had, in eeuwig verderf weg. Integendeel van stonde aan begint de werking der reddende genade. In het algemeen door de gemeene gratie in de stremming van zonde en bederf In het bijzonder, door de particuliere genade inde tocbrenging ten leven en het ontspringen van het heil dat bij Golgotha in den stroom van het volkerenleven zal uitvloeien.

Als dan toch zonde en verderf wild, roekeloos en onstuimig tegen de genade opbruist en haar dreigt te overweldigen, zuivert God de Heere ons menschelijk geslacht door in den Zondvloed zijn giftigen droesem te laten ondergaan, en ons geslacht een nieuwen loop te laten beginnen. Denkt ge u ons menschelijk geslacht als een hoog opgroeiende plant, dan werd in dfcn Zondvloed die plant tot den wortel toe weggesneden, niet opdat ze zou sterven, maar opdat ze uit den Noachietischen-wortel opnieuw zou opspruiten.

Ook in dat vernieuwde menschelijke geslacht kon echter nu het heil niet doorbreken, i^of er moest kracht in isolement worden "gezocht. De stroom der genade moest zich versmallen. Het mysterie der concentratie werkte, en die concentratie heeft plaats in Abrahams geslacht, uit Abraham door een wonder van Gods almachtigheid tot aanzijn geroepen.

Dat isolement, die concentratie is geen doel, maar middel, opdat de Christus zou geboren worden. Daarmee eerst zal het doel dezer concentratie bereikt zijn. Met de verschijning van den Christus heeft ze dan ook voor altoos haar reden van bestaan verloren. De voleinding van het heil is er nu. De sluizen gaan weer open, de dammen worden doorgestoken, het heil vloeit weer over heel ons menschelijk geslacht uit, en de wereldkerk wordt in het hart der volkeren geboren.

Ware het heil ook daarna nog aan het oodsche land, aan de Joodsche natie, aan en Joodschen naam verbonden geweest, oo zou de Christus niet gehaat zijn geworen, maar in Davids stad gezeten hebben J p zijn troon. Dat was dan ook der Joden droom, een droom die ook de discipelen langen tijd bevangen hield.

Maar zoo hoog de hemelen zijn boven e aarde, zoo hoog zijn de gedachten Gods oven de gedachten der menschenldnderen. een, de Gezalfde Gods moest niet Koning ver één, maar Koning over alle volkeren zijn, n Koning niet over hetjoodsche land, maar oning in heel de wereld, die God geschaen had. Dat nu kon hij niet zijn door in e hoofdstad van één enkel volk te zetelen. Uit de hoofdstad van één enkel volk heel de wereld te regeeren was wel de zondige eerschzuchtige gedachte van het keizerlijk ome, maar niet de zin van het Koninkrijk er hemelen. Om de wereld, om heel de enschheid te regeeren, moest de Christus erhoogd worden aan Gods rechterhand in den hemel. Zijn hemelvaart was een noodakelijkheid, en het is eerst die hemelvaart ie het Koningschap van Christus over heel e wereld inluidt.

En nu komt de Pinksterdag. Uit alle volkeren staan ze daar om en bij de Opperzaal, e Parthen met de Elamieten en de Kreensers met de Arabieren, mannen] uit Capadocië en Pontus en heel Klein-Azië, uit Egypte, uit Lybië, en uit de Romeinen, Joden en Jodengenooten, niet meer gescheiden, maar dooreengemengd, en met heel die schare heft straks een gansch groote menigte voor Jezus den lofzang aan, want de Heilige Geest is neergedaald, en in dien Heiligen Geest is God zelf weer tot de wereld, tot ons geslacht gekomen, en naar alle omstreken gaat welhaast de stem des roependen, de brenger van blijde boodschap uit.

Jaar in jaar ziet ge dan eerst nog afzonderlijk uit de Joden en afzonderlijk uit de heidenen mannen en vrouwen, met de kinderen hun van God geschonken, tot de kerk des Heeren ingaan. De beide stroomen uit Israël en uit de volken, zoo lang gescheiden, nu ineenvloetend, bruisen een oogenblik wild dooreen. Nog eens zelfs waagt wat uit de Joden is de zondige, de roekeloozc poging, om de kerk Joodsch te houden, en haar te beletten oecomenisch, Katholiek te worden. Maar^ die poging, van God gevloekt, is als de hand van het kind, dat den stroom in zijn vaart wil tegenhouden. Niet lang meer, of het Joodsche element laat zijn opzet varen. Het vermengt zich met wat uit de heidenen tot God bekeerd wordt, en in de wereldkerk van Christus, die welhaast positie neemt tegenover Romes wereldrijk, zijn beide elementen ten leste ganschelijk inééngesmolten. Jeruzalem wordt ingenomen. Der Joden volicsstaat verdwijnt van het aardrijk en Palestina verliest zijn beteekenis. Het zijn > de eilanden"" van Zuid-Europa waar de Christus zijn heerschappij doet uitbreken. En het mysterie ontsluit zich, en alle volk ziet den uitgang van het bestel des Heeren. Voor de wereld het heil in Israël bereid. En nu dat heil bereid is, nu treedt de Joodsche natie geheel op den achtergrond. Het oude is voorbijgegaan, ziet, het is alles nieuw geworden. De Doop der volkeren heeft de Besnijdenis van den Jood vervangen, en als geen Paaschlam meer geslacht wordt, komen ze uit alle natiën en tongen aan den Disch des Heeren saam, gedenkende het bloed des Nieuwen Testaments.

Slechts schijnbaar heeft dit in schets brengen van de grondtrekken der Israëlitische bedeeling ons afgeleid van het onderwerp, dat in deze artikelenreeks aan de orde is.

Dat onderwerp is en blijft de gemeene gratie, de algemeene genade Gods aan ons menschelijk geslacht bewezen, en thans zullen we er dan ook toe overgaan, om het bestel Gods over de volkeren na te speuren.

Maar het breedst en duidelijkst betoog j over die gemeene genade zou in het besef niet kunnen indringen, indien de valschparticularistische neiging, die uit het Judaïsme ook in Christus' kerk insloop, niet vooraf ware aan banden gelegd en teruggedrongen.

De onderscheiding tusschen de bedeeling van het Oude en die van het Nieuwe Verbond is bij velen nog zoo weinig scherp, dat ze, zonder zelfs te vermoeden in wat dwaling ze verloopen, gedurig uit het Oud Verbond allerlei aanhaling u voorleggen, om daarmede hun zienswijze over de dingen van Christus' kerk in het heden te verdedigen. Dat nu brengt het gevaar met zich, dat de oude Joodsche zuurdeescm ook bij ons weer insluipe; eenvoudig wijl ons hart even slecht is als dat der Joden oudtijds was, en dientengevolge hetzelfde misbruik van Gods openbaring in het Oud Verbond ook bij ons voor de deur van ons hart ligt.

Dat zonder onderscheiding opslaan van zijn Bijbel, om waarheid te bevestigen en den regel des levens te vinden, is echt Joodsch-nomistisch, en druischt regelrecht in tegen het rijk historisch en organisch karakter van de openbaring Gods. Gewisselijk is het Oud Verbond ook voor ons nog, en het is een gebrek in de belijdenis onzer Luthersche broederen, dat ze de bedeeling van het Oud Verbond te veel verwaarloozen, alsof ze zonder het Oud Verbond het Nieuwe Testament verstaan konden. Ook op dit punt grepen de Gereformeerden het juiste inzicht, en zij zijn het, die meer dan alle andere Protestanten, juist de hooge waardij en beteekenis van het Oude Testament hebben gemaintineerd. Maar ook over de Gereformeerde kerken is veelszins geestelijke traagheid gekomen. Uit traagheid vergat men op de dingen des Ouden Verbonds steeds de categorie van de schaduwen in haar tegenstelling met die der vervulling toe te passen. En zoo sloop ook ten onzent op gevoelige wijze het valsche particularisme, het valsch exclusivisme, de geest der inbeelding, der zelfvcrhefHng en der enghartigheid, of om het kort te zeggen, de sectarische demon, weer in.

Daarom moest die booze geest eerst ia zijn schuilhoek opgezocht, en dit kon niet gelukken, of de verwarring die nog altoos over heel Israels optreden in de historie voortwoekert, moest van Abraham af en tot op Golgotha tegengestaan. Niet alsof we ons vleien, dat die dwaling hiermede zal zijn uitgebannen. Op Zondagsscholen en in vraagboekjes, en in allerlei sectarischen kring zal die valsch-Oud Testamentische geest zich nog lange jaren blijven handhaven. Maar juist om de kracht en de taaiheid waarmee die geest zich handhaaft, mochten* we ons niet aan de moeite onttrekken, om te beginnen met Abrahams historie, den gang der openbaring Gods in het rechte licht te plaatsen; in dat licht dat onze Gereformeerde belijdenis er steeds op wierp.

Met dit laatste is niet te veel gezegd. Wie toch de Kantteékeningen in onzen Gereformeerden Statenbijbel, en evenzoo de op» schriften boven de kapittelen der Psalmen en Profeten met eenige nauwkeurigheid doorliep, zou de waarheid in het aangezicht weerspreken moeten, zoo hij niet voetstoots toegaf, dat in al deze verklaringen van onze vaderen steeds het breede, ruime, heel de wereldkerk omvattende gezichtspunt wordt vastgehouden. Van particularistische, sectarische neiging, waarin een Joodsche zuurdeescm nawerkt, is in dit alles geen zweem of spoor te ontdekken. Ëer zou de vraag kuanea rijzen, of in veel dat op den tekst der Heilige Schrift staat aangeteekend, de wereldkerk niet te absoluut op den voorgrond treedt, en of de geschiedkundige werkelijkheid, waaruit de openbaring opk\vam, niet al te zeer in de schaduw blijft. Bij Calvijn was dit niet zoo. Bij hem komt de universeele gedachte steeds uit de historie zelve op. En het is in dien geest, dat ook wij Israels optreden hebben toegelicht.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken