Bekijk het origineel

Gereformeerde beginselen van Staatsrecht.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Gereformeerde beginselen van Staatsrecht.

10 minuten leestijd

Amsterdam, 20 November i8g6.

De Vrije Universiteit heeft bij haar oprichting het standpunt ingenomen, dat het onderwijs, ook over het Staatsrecht, in hare scholen, ^geheel en uitshcitend rusten 2ou op de Gereformeerde beginselen"

Wat is onder deze formule te verstaan?

Stellig dit, dat het wetenschappelijk onderzoek, dat zal worden ingesteld, niet vrij is in zijn iiifgangspnnt.

Is toch zulk onderzoek ook in sijn uitgangspunt vrij, dan legt de onderzoeker zelfi naar eigen goedvinden, den groiidslag, waarop hij bouwen zal; en hier was hem een reeds gereed liggendfiindament^ax\%fi^Gz^j\, opdat hij daarop zou bouwen.

Dat fundament waren: de beginselen. Gereformeerde

En op dat fundament moest hij bouwen. Daarop geheel. Daarop uitsbiiterid.

Aldus zegt het Art. 2 der Statuten, aldus luidende:

De Vereeniging staat voor alle onderwijs, dat in hare scholen gegeven wordt, geheel en uitsluitend op den grondslag der Gereformeerde beginselen en erkent mitsdien als grondslag voor het onderwijs in de Godgeleerdbcid de drie Formulieren van eenigheid, gelijk die in den jare 1619 door de Nationale Synode van Dordrecht voor de Nederlandsche Gereformeerde kerken zijn vastgesteld; een zoodanig gezag daaraan hechtende, als genoemde Synode, blijkens hare eigen handelwijze en hare acten, aan de belijdenisschriften der Nederlandsche Gereformeerde kerken heeft toegekend.

In verband hiermede is het van het uiterste gewicht, helder ia te zien, wat b.v. voor het onderwijs in het Staatsrecht de beduidenis is van deze woorden. Welk het fundament, de grondslag is, waarop het onderwijs in het Staatsreckt geheel en uitsluitend moet rusten.

Die vraag nu acht men van zekere zijde in dien zin te moeten beantwoorden, ^dat het onderzoek gebonden zij aan Gods Woord, opgevat naar de Belijdenisschriften der Gereformeerde kerken."

Dit antwoord schijnt ons onaannemelijk. i". Statutair.

Ware toch de bedoeling van de stichters der Vrije Universiteit geweest, den hoogleeraar in het Staatsrecht te binden aan sGods Woord, opgevat naar de Belijdenisschriften der Gereformeerde'kerken", zoo zouden zij zulks in het Statuut aldus hebben uitgedrukt.

Dit deden zij echter niet.

Zij hebben in het Statuut wel de hoogleeraren in de Godgeleerdheid, maar niet den hoogleeraar in het Staatsrecht gebonden aan die Belijdenisschriften.

Sterker nog, zij hebben ook de hoogleeraren in de Godgeleerdheid niet aan die Belijdenisschriften als zoodanig gebonden. Dit zou ongereformeerd zijn geweest. Maar onder het voorbehoud, dat het gezag van deze Belijdenisschriften niet verder strekking had, dan dit naar Gereformeerd kerkrecht mocht.

Daar alzoo in het Statuut bij wijze van uitzondering alleen de hoogleeraren in de Godgeleerdheid aldus gebonden werden, zoo volgt hieruit logisch, dat de overige hoogleeraren er niet aan werden gebonden.

Voor alle hoogleeraren werd slechts één band gelegd, t. w. aan de Gereformeerde beginselen, en met deze algemeene stelling werd door het woordeke mitsdien voor die in de Godgeleerdheid afgeleid, dat zij, overmits zij evenals alle andere hoogleeraren gebonden werden aan de Gereformeerde beginselen, zich te gedragen hadden naar de Belijdenisschriften.

Die conclusie werd er voor hen uit afgeleid; niet voor de overigen. En hiermee werd alzoo uitgesproken, dat de gevolgtrekking uit de algemeene stelling wel voor hen, maar niet voor de overige hoogleeraren, gereed lag in de verwijzing naar de Belijdenisschriften.

Hieruit volgt, dat het zeggen: een hoogleeraar in het Staatsrecht is aan de Gereformeerde beginselen niet anders gebonden, dan naar de Belijdenisschriften, het Statuut onjuist uitlegt.

Art. 2 der Statuten sluit deze uitlegging door haar duidelijke bewoordingen uit.

En evenmin kan men zeggen: Dus is de hoogleeraar in het Staatsrecht uitsluitend gebonden aan Gods Woord, en niet eens aan de Belijdenisschriften.

Humers, de volstrekte gebondenheid aan Gods Woord is één der Gereformeerde beginselen; is wat men noemt: het formeele beginsel der Gereformeerden.

Ware dat bedoeld, dan had er diensvolgens moeten staan, dat het onderwijs in het Staatsrecht alleen rust op het beginsel der Gereformeerden.

Maar dit staat er niet.

Er staat: op de Gerelornieerde beginselen, in het meervoud.

Hieruit volgt, dat er behalve het formeel beginsel in het gezag van Gods Woord, tiog andere beginselen bedoeld zijn, die ook voor het onderwijs in het Staatsrecht tot uitgangspunt moesten strekken.

Statutair is het alzoo uitgemaakt en bewezen, dat de gegeven uitlegging onhoudbaar is, en niet kan bestaan.

20. Krachtens den aard der zaak.

Moet naar den eisch van art. 2. het onderwijs in het Staatsrecht geheel en uitsluitend rusten op den grondslag der Gereformeerde beginselen, dan mag in den bouw van dat Staatsrecht geen enkele muur, geen enkele zuil omhoog gaan, die met het grondvlak niet rust op die beginselen als fundament.

Men mag dus ook niet op eigen gelegenheid bouwen, en voor zooveel noodig de Gereformeerde beginselen slechts als toetssteen bezigen, om zijn bouw^te keuren.'

Toetssteen en grondslag verschillende begrippen. zijn twee geheel

Als ik een toetssteen bezig, werk ik eerst zelf naar eigen aandrift, eli keur daarna hetgeen ik werkte met dien toetssteen.

Is mij daarentegen een fundament, een grondslag aangewezen, dan mag ik niet bouwen naar eigen inzicht, maar heb ik eiken muur dien ik o'ptrek, op te trekken op dien grondslag, en moet ik alzoo voor eiken muur een aanwijsbare plaats op dien grondslag vinden.

Anders kan ik niet bouwen.

Bij dusdanig onderwijs in het Staatsrecht moet derhalve het begin zijn, dat ik aantoon : > Daar en alzoo ligt de grondslag. Dat is op dien grondslag de plek voor dezen muur. En op die plek van den grondslag bouw ik."

Bij wat mogelijkheid zou men nu kunnen zeggen, dat die deelen van den grondslag waarop de Staatsrechtelijke muur moet worden opgetrokken, genoegzaam in de Belijdenisschriften eener kerk zouden zijn aangewezen ?

Een keik belijdt wat op kerkelijk terrein thuis hoort, en omtrent hetgeen niet rechtstreeks tot de kerk behoort, alleen datgene wat met het kerkelijk leven in nader verband staat.

Slechts in drie artikelen roert de Belijdenis der Gereformeerde kerken Staatsrechtelijke vraagstukken aan ; t. w. in Art. 28, 36 en 39.

In Art. 28 wordt beleden, dat men de Overheid weerstaan moet, zoo ze den Christen 'dwingen wil in een valsche kerk te blijven of hem beletten zich bij de ware kerk te voegen.

In Art. 36 wordt de plicht der Overheid jegens de kerk en van de leden der kerk jegens de Overheid beschreven. Het opschrift alsof dit Artikel van »het ambt der Overheid" handelde, is, gelijk men weet, onecht.

En eindelijk wordt in Art. 39 beleden, dat in het jongste oordeel Christus zijn martelaren tegenover de tyrannische Overheden in het gelijk zal stellen.

Evenzoo wordt nog in den Catechismus der Gereformeerde kerken alleen in Vraag 104 en 105 deze materie aangeroerd, In Vraag 104 om ons den plicht der gehoorzaamheid op te leggen jegens »allen die over ons gesteld zijn"; en in Vraag 105 om te erkennen, dat de Overheid gehouden is den moordenaar met den dood te straffen.

Wel wordt nog ook in Vraag 110 van de Overheid gesproken, maar niet belijdend, doch alleen om het feit te constateeren, dat de Overheid den diefstal straft; evenals in Vraag 101 vermeld wordt, dat, als de Overheid dên eed vergt, wij dien afleggen mogen.

In de Canonés van Dordrecht komt niets voor.

Wat vooraf te vermoeden viel, wordt j alzoo door inzage dezer Bclijdenisschrifteitbevestigd, t. w. dat in zake het Staatsrecht alleen die algemeene en bijzondere gegevens in de Belijdenisschriften voorkomen, die betrekking hebben op hetgeen de Overheid aan de kerk of de kerkleden aan de Overheden schuldig zijn.

De vorm waarin enkele dier bepalingen zijn ingekleed, is voorts uitsluitend als tegenstelling tegen de Dooperschen genomen. Deze wilden geen eed, geen doodstraf, geen Overheid.

En de Belijdenisschriften willen doen uitkomen, dat men met het drijven der Wederdoopers geen gemeenschap had.

Hieruit nu ontstaat de vraag, of een Staatsrecht kan worden opgetrokken op een grondslag, die uitsluitend een fundament aanbiedt voor de wederzijdsche verhouding van Overheid en kerk.

Natuurlijk niet.

Een onderwijs in het Staatsrecht, dat geen ander fundament had, zou dus óf uitsluitend de verhouding van iSrr/è en Overheid raoe\.Qn behandelen, óf ook het overige geven, maar dan voor dat onderwijs zelf het fundament niet bezitten der Gereformeerde beginselen, en alzoo zou zulk een onderwijs niet 1)geheel en uitsluitend", zooals Art. 2 eischt, maar slechts voor een zeer klein deel op de Gereformeerde beginselen rusten.

Hieruit blijkt derhalve, dat Art. 2 zeer terecht voor het niet-theologische onderwijs, en dus ook voor dat Staatsrecht een breederen grondslag heeft aangewezen, door voor grondslag te nemen, niet de Belijdenisschriften, maar de Gereformeerde beginselen.

Hiermede is natuurlijk niet ontkend, dat er in onze Belijdenisschriften niet allerlei gegevens omtrent God, de schepping, den mensch, de zonde, het recht enz. voorkomen, waarmede allerlei onderwijs, en zoo ook dat in het Staatsrecht te rekenen heeft; maar er is meê bewezen, dat hetgeen de Belijdenisschriften over zaken van Staatsrechtelijken aard geven, op verre na niet genoegzaam is, om er een Sta^itsrecht op te doen rusten.

En 3". Concreet.

Een hoogleeraar in het Staatsrecht, die oordeelde dat de constitutioneele staatsinstellingen verkeerd zijn, en dat een bestuurswijze gelijk die in Rusland bestaat, ook ten onzent, ja, allerwegen behoorde te worden ingevoerd, zou niet in strijd komen met de Belijdenisschriften der Gereformeerde kerken, eenvoudig wijl deze zich met geen woord over dezen vorm van het Staatsbestuur uitlaten.

Een hoogleeraar in het staatsrecht, die oordeelde, dat alle kiesrecht moest worden afgeschaft, en dat de Overheid zelve de leden der Staten-Generaal zou hebben aan te wijzen, zou met geen enkel artikel der Belijdenisschriften in botsing geraken, eenvoudig wijl deze geschriften zich met geen woord over het kiesrecht uitlaten.

Een hoogleeraar in het Staatsrecht, die leeraarde, dat alle budgetrecht moest worden afgeschaft, en dat de vorst des lands mocht opleggen en innen wat hem noodig dacht, zou niet met één artikel der Belijdenisschriften in strijd komen, eenvoudig wijl geen enkel artikel dier geschriftten zich met het budgetrecht inlaat.

Een hoogleeraar in het Staatsrecht, die leeraarde, dat de gewetensvrijheid alleen aan de leden van een bepaalde kerk mocht worden gegund, zou in gelijk geval verkeeren.

Zoo ook een hoogleeraar, die de instelling van een onafhankelijke rechterlijke macht afkeurde.

En zoo zou men kunnen voortgaan met allerlei leeringen van Staatsrechtelijken aard in de school der Vrije Universiteit te leeren, waar niemand iets tegen zou kunnen doen, bijaldien de gegevene explicatie van Art. 2 der Statuten doorging.

Erkent nu intusschen een ieder, die de historie kent en deskundige is in de historie van het Staatsrecht, dat juist in die landen waar het Calvinisme invloed oefende, de constitutioneele Staatsinstelling, de keuze van het parlement door het volk, het budgetrecht, de gewetensvrijheid, de onafhankelijkheid der rechterlijke macht, en zooveel meer, of ingevoerd of bevestigd werden, dank zij den invloed der Gereformeerde beginselen, dan zal het toch wel zonneklaar zijn, dat al zulk onderwijs niet alleen niet op de Gereformeerde beginselen rusten zou, maar er lijnrecht tegen zou ingaan.

En toch, met de aangeboden formule in de hand, d. i. met geen anderen band dan aan de Gereformeerde Belijdenisschriften, zou zulk een anti-Gereformeerd onderwijs aan de Vrije Universiteit niet te weren zijn.

De Vrije Universiteit zou zich gedwongen zien, zulk een hoogleeraar te laten voortdoceeren en voor haar eigen geld, en op haar eigen naam, in haar eigen scholen, de Gereformeerde beginselen moeten Xs-Xfaonder-

Humers of men hier al tegen inwerpt, dat de aangeboden formule, niet zegt: aan de Belijdenisschriften, maar aan Gods Woord naar de Belijdenisschriften, baat niets hoegenaamd.

Men weet hoe van zekere zijde de stellige uitspraak der Heilige Schrift over de doodstraf is uitgelegd.

Maar bovendien de Russische politiek, evengoed als de politiek van I'ilips en Alva beriep zich steeds op Gods Woord.

Hier is alzoo nadere bepaling noodig-

En als nadere bepaling wordt ons op niets anders gewezen dan op de Belijdenisschriften der Gereformeerde kerken, die omtrent al deze hoofdpunten van Staatsrecht eenvoudig niet het minste uitsluitsel geven.

Hiermede achten we én statutair, éo wat den aard der zaak betreft, én concreet te hebben aangewezen:

1°. dat de stichters der Vrije Universiteit Art-'a zoo niet hebber, bedoeld;

2". dat op deze voorstelling geen vrije Gereformeerde Universiteit zou kunnen rusten;

en 30. dat naar de gegeven explicatie de Vrije Universiteit gedwongen zou kunnen worden, om de Gereformeerde beginselen op Staatsrechtelijk gebied te ondermijnen en te bestrijden.

Een betoog waaruit volgt, dat de voorstelling, alsof onder »Gereformeerde beginselen" als grondslag voor het Staatsrecht te verstaan ware: gebondenheid aan Gods Woord naar de opvatting van de Belijdenisschrifteii der Gereformeerde kerken, een uitdenksel is, dat in 1879 niet kan bedoeld zijn, en in zich zelf volstrekt onhoudbaar is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Gereformeerde beginselen van Staatsrecht.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken