Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de gemeene Gratie

18 minuten leestijd

TWEEDE STUK.

XI.

En liet licht scliijnt in de - duisternis, en de duisternis lieeft liet niet begrepen. Joh. I 5-

Uitkomst van het dusver ingestelde onderzoek is derhalve, dat de volkeren er niet waren om Israël, maar dat Israël door God tot aanzijn was geroepen om de volkeren. God zocht zijn eere, de eere zijns Naams, en Hij zocht die niet in wat door Izaks geboorte bij de volkeren bijkwam, maar in die menschheid zelve, die Hij in Adam schiep, en die sinds in de volkeren uitging. De > wereld" is volstrekt niet prijsgegegen, om er Israël voor in de plaats te schuiven; maar voor en na den Zondvloed, zoo voor als na Israels optreden, blijft het: > God heeft alzoo lief de wereld gehad." Uit liefde voor die »wereld, " als zijn maaksel, heeft Hij aan die »wereld", Israël gegeven, niet om Israël, maar om door en uit Israël aan die wereld, die Hij onveranderlijk liefhad en bleef liefhebben, zijn eengeboren Zoon te kunnen schenken.

Is dit nu zoo, dan volgt hieruit ook, dat God al die eeuwen door in die wereld werkzaam is geweest, die wereld geleid heeft, en die wereld heeft voorbereid op de ontvangst van wat uit Israël aan die wereld zou toekomen. Dit zou niet zoo behoeven te zijn, indien de Christus niet alleen tdt de Joden, maar in hoofdzaak in dien zin ook voer de Joden was, dat de bekeerde heidenen slechts als appendix, als toevoegsel en aanhangsel, bij Israël bijkwamen. Wie een lustslot in een woud bouwt, voltooit eerst dat lustslot, en ziet daarna, hoe hij de paden door het woud zal trekken, en van de toevallige positie van enkele groepen boomen, voor de omgeving van zijn lustslot partij zal trekken. Wie daarentegen een soort exotische planten laat overkomen, om er zijn hof mee te sieren, en weet dat die vreemde planten een eigenaardige toebereiding van den bodem vereischen, die wacht met die toebereiding van den bodem niet, tot het exotische plantsoen aankomt, maar draagt zorg dat tegen dat oogenblik de bodem gereed zij.

Ware dus het bestel Gods zóó te verstaan, dat Hij, aan de redding der wereld vertwijfelende, en als om zich voor het verlies der wereld schadeloos te stellen, in Israël een soort extra-heilig volk geschapen had.waar dan later hoogstens nog een brokstuk uit de volkeren bij zou komen, dan kon er van een voorafgaande werkzaamheid Gods onder de volkeren geen sprake zijn. In Israël zou God dan het eigenlijke volk bezeten hebben, waarom het Hem te doen was, en al het overige ware bijzaak geweest. Strekte daarentegen Israël alleen om die wondere Spruite te telen, die als een exotische hemclsche Wijnstok, in den bodem der wereld zou worden ingeplant, dan natuurlijk moest tweeërlei werkzaamheid Gods van meet af en gestadig in onderling verband plaats grijpen: i". de bereiding van den Wijnstok in Israël, en 2". de voorbereiding van de wereld om dien Wijnstok te kunnen ontvangen.

Reeds onder menschen zou, wie anders te werk ging, in wijsheid te kort schieten. En hier is sprake niet van menschelijke wijsheid, maar van de wijsheid onzes Gods.

Dat dit nu metterdaad ook zoo was, valt op tweeërlei wijze aan te toonen.

Ten eerste daardoor, dat ge nagaat, hoe, toen het Evangelie de wereld inging, het pad voor dat Evangelie op het erf der volkeren geheel geëüfend was. En ten tweede daardoor, dat ge vraagt, wat God zelf in zijn Woord u hierover aanzegt.

Beginnen we nu met het laatste, dan is te letten op het geheimzinnig begin van het Evangelie van Johannes.

Johannes doet niet als Markus, die, na eerst den Dooper vermeld te hebben, plotseling den Christus bij u inleidt. Ook niet als Lukas, die zijn uitgangspunt neemt in de verwachting die onder de vromen van Israël voortleefde. En evenmin als Mattheüs, die teruggaat op Abraham, om van Abraham over David op Maria, en zoo op den Christus te komen. Neen, Johannes spreekt ganschelijk niet over Abraham, en laat wel Johannes den Dooper aan den Christus als het klokgelui aan de komst des konings voorafgaan, maar dringt om ons den Christus te leeren verstaan, verre achter den Dooper in Israel, en achter Israël in de zvereld, en achter die wereld op den grond van het leven, en achter dien levensgrond der wereld tot in het Eeuwige Woord, en alzoo tot in het Wezen Gods terug.

Zijn begin is niet bij den Dooper, noch bij Abraham, zelfs niet bij het begin der Schepping, maar diep achter dien aanvang der geschapen dingen, neemt hij zijn begin in de eeuwigheid, vóór de grondlegging der wereld, en overmits er toen niets dan God was, neemt hij zijn begin in God zelven,

In dat eeuwige Wezen Gods nu doet Johannes ons, ook toen er nog geen geschapen wereld bestond, een wereld van rijk en heerlijk leven kennen. God van eeuwigheid zich in Zichzelven, in zijn Woord uitsprekende, of gelijk het in Spreuk. 8 : 30 heet: gt; Eer de bergen geboren waren, vóór den aanvang van de stofkens der aarde, zoo spreekt het eeuwige Woord, was ik als een voedsterling bij Hem, en ik was dagelijks zijne vermakinge, te allen tijd voor zijn aangezicht spelende". Dat is de teekening vol majesteit van het volmaakte liefdeleven in God, nog eer er iets was, en toen er nog geen wereld bestond, waarnaar zijn liefde kon uitgaan. Voor ons een mysterie, omdat alle vorm der gedachten ons ontbreekt, om ons die Goddelijke huishouding in het innerlijke wezen Gods voor te stellen; maar een mysterie dat daarom niets minder werkelijk bestaat. Niet eerst door het uitkomen der wereld, is er voor God een rijk en heerlijk leven ontstaan. Dan toch zou God van alle eeuwigheid een doode of eeii sluimerende, niets doende God geweest zijn. Hij zou zijn als der wereld behoevende. En die wereld zou eerst aan God zijn leven heerlijk hebben gemaakt. Eene omkeering der orde.

Neen, ge moet, om u het wezen en het leven uws Gods naar waardigheid te denken, u veeleer voorstellen, dat die wereld nooit gekomen ware, en dat er van eeuwigheid tot eeuwigheid niets, volstrekt niets geweest ware dan God en God alleen, en dan toch het u zoo indenken, dat uw God ook zonder schepping eeuwig alleen zijnde, zelfgenoegzaam en volkomen volzalig in Zichzelven zou geweest zijn; zóó, dat de schepping der wereld niets hoegenaamd aan die volzaligheid kon toevoegen of toegevoegd heeft.

Dit verstaat natuurlijk niet, wie zich God als starre eenheid des persoons denkt, want één enkel persoon, eeuwig alleen, hoe zou die volzalig zijn ? Maar dit verstaat wel, wie meer dan in naam de heilige Drievuldigheid onzes Gods mag belijden. Voor hem is de persoonlijkheid Gods niet gebrekkig en hulpbehoevend één, maar drie-persoonlijk, zoodat God het volle leven der persoonlijkheid in Zichzelven bezit. En als ge dan zelf reeds u zoover kunt opheffen, dat ge desnoods heel de wereld er aan zoudt geven, om Christus te gewinnen, en ge met Augustinus belijdt: »Mijn hart blijft onrustig in mij, tot het zijn ruste in God vinde, " dan verstaat ge het, hoe volheerlijk en volzalig van aller eeuwen eeuwigheid dat Goddelijk leven in Godzelven moet geweest zijn, dat heilig verkeer van God met God in de drievuldigheid der Personen.

Daarvan nu schrijft de heilige apostel: »In den beginne ivas het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God." In drie machtige trekken alzoo de afteekening van de volzaligheid in het Goddelijk Wezen, als een alle begrip te boven gaand zalig, heilig verkeer van God met God in Godzelven.

Eerst hierna komt al wat geschapeyi is aan de orde, de schepping, de wereld, het heelal, zienlijke en onzienlijke dingen, engel en mensch, in den mensch lichaam en ziel, en in die ziel zijn denken en willen, zijn loven en minnen. Dat alles is creatuurlijk. Dat alles is niet eeuwig. Het komt er, nadat God van alle eeuwigheid genoegzaam en volzalig in Zichzelven was. Het is niet het eigenlijke en wezenlijke. Dat wezenlijke is alleen ia God. Wat ge de wereld, het heelal of den kosmos noemt, komt er bij uit weelde Gods. Het had kunnen wegblijven, en onzen God zou niets ontbroken hebben. Maar het komt er, omdat de rijke en volzalige God er welbehagen in heeft, ook in deze overstelpende weelde van zijn eigen scheppingsmacht de afspiegeling van zijn eigen glorie te doen uitstralen.

Afspiegeling, dat is het.

Het is niet eeu schepping van nieuw verzonnen dingen, zooals de man van weelde onder menschen zijn zalen opsiert met meubel-en wandstukken en kostbaarheden, die met zijn wezen niets van doen hebben. Neen, al wat God schept, houdt met zijn eigen Wezen organisch verband. Dat organisch verband bereikt zijn toppunt in den mensch, die in vollen zin > naar den beelde Gods" geschapen wordt; maar ook hiertoe beperkt zich dit organisch verband niet. Het gaat ia alles door, want alles is geschapen door het Woord, en niets, niets is er onder het geschapene, dat niet in verband van oor-j sprong staat tot dat Woord, dat van eeuwigheid bij God en God was.

Al wat geschapen is, is niet ««/het Woord, Dan kon het nog voortbrengsel alleen van Goddelijke kracht zijn, maar toch bestaan uit verzonnen, uitgedachte, buiten verband met Gods Wezen staande dingen.

Maar zoo is het' niet: al wat geschapen is, is geschapen uit den Vader, en volstrekt niet uit den Zoon. > Nochtans hebben wij maar éénen God en Vader, uit Wien alle dingen zijn." En de Zoon is niet het Woord •wzzmit, maar het Woord vf3.axdoor alle dingen geworden zijn. »En éénen Heere Jezus Christus, door wien alle dingen zijn, en wij door Hem."

Het afdruksel van den Schepper staat dus in al het geschapene bgedrukt. De wereld houdt niets, houdt geen enkele gedachte in, die niet uit het Goddelijk Wezen genomen, en door het Woord, dat zelf God is, gewrocht werd. Daarom beantwoordt al het geschapene aan het Wezen Gods. Het is met het Wezen Gods in overeenstemming. Er niet vreemd aan. Het staat door het Woord met het Wezen Gods in onlosmakelijk organisch verband. In den mensch schiep God zijn beeld; in heel de schepping, op meer verwijderden afstand, een afspiegeling van wat in Hem aan gedachte, aan vwl en kracht verborgen is. Alle dingen zijn door het Woord gemaakt, en zonder het Woord is geen ding gemaakt, dat gemaakt is.

Na nu aldus eerst op den hoogen God in zijn zelfgenoegzaam en volzalig God-zijn, en daarna op de Goddelijke weelde der schepping te hebben gewezen, als een afspiegeling van Hemzelven, gaat de Evangelist Johannes er alsnu toe ovtr, om in die wereld, in dit geschapene, het centrum, het middenpunt te zoeken in den fi.nnsch. Eerst God in Zichzelven. Toen God in zijn Schepping. Nu in die Schepping het beeld Gods: de mensch. »En het Woord was het leven, en hèt leven was het licht der menseken."

Wat is hier licht? Licht is het licht in uw geest. Licht is uw bewustzijn. Leven is er in alle ding dat geschapen is, maar het goud, de zon, de palmboom of ceder, nauwelijks de leeuw of het paard weet van zijn eigen leven af. In al dat overige, ^ wat God schiep, is geen bewustzijn, geen zelfontdekking. Gewaarwordingen heeft het dier reeds, als praeformatie van wat ia den mensch zou zijn. Maar alleen de mensch ontving het woord, en daarom alleen in den mensch treedt de Schepping door het Woord aarxdea dag.

Er was in die Schepping leven. Het geschapene was niet een doode massa. Er zat leven in, en dat leven dat er inzat en inzit is het Woord zelf. »In hetzelve was het leven", of gelijk er letterlijk staat: In het Woord was leven." Dat de wereld leven bezit, ligt dus niet aan haar. Ze bezit dat leven niet uit zichzelf noch in zichzelf. Ze bezit het alleen daardoor, dat het Woord in die schepping in is. Niet er instraalt, alsof die wereld op zichzelve bestond, en er nu slechts de glans van het Woord in geworpen werd. Zoo is wel de zon voor onze aarde. Ze staat buiten onze aarde, maar straalt er haar glans in. Doch onze aarde is dan ook niet door de zongeschapen. Ze bestaat buiten de zon. Maar met het Woord staat het heel anders. Paulus zegt ons in Col. i : 16, 17 drie dingen: ^. dat de Christus er is vóór alle dingen; 2". dat alle dingen door het Woord geschapen zijn; maar dan ook ten 3". dat alle dingen ook samen bestaan door hem. Dat »samen door hem bestaan", drukt Paulus in het Grieksch met één woord uit: ynhestèke, en dit beduidt, dat alle dingen als één geheel, in hun organisch verband genomen, bestaan, nu en eeuwig, door het Woord. Trok het Woord er zich uit terug, het heelal zou als stof uiteenvliegen. Alleen het eeuwige Woord dat in de Schepping is, maakt ze tot draagster van de gedachten Gods, en daardoor tot een kosmos. Zoo is het eeuwige Woord in alle ding, ia sterren en in zonnen, in steen en metaal, in bloem ea tak ea wortel, in de vogelen des hemels en in de visschen der zee. Al wat is en leeft, werd door hem, en bestaat door hem. Hij is de spannende en bezielende kracht die het alles ophoudt, dat het staan blijft. En geüjk de prachtigste luchtballon tot een platten hoop doek iueenzinkt, zoodra het gas eruit ontsnapt, zoo ook zou heel dit Goddelijk kunstwerk van het heelal plat en vormloos tot niet ineenzinken, indien ook maar één oogenblik het eeuwige Woord er zich uit terugtrok.

Edoch dit leven dat door het Woord in de wereld is, daalt af en klimt op. In het Woord is dat leven als kristal zoo doorzichtig, als het goud glanzig, heilig als de heiligheden Gods. Maar in de schepselen dringt dit »eeuwige leven" onderscheidenlijk in. Niet in elk schepsel even klaar. Zoo daalt dit leven van het eeuwige Woord zeer laag af, om eersteen nog altoos overheerlijken, maar toch bloot stoffelijken rijkdom te scheppen, dien de scheikunde ook ons in het rijk der delfstoffen weet bloot te leggen. Een ondoorgrondelijke wijsheid ook in dat breede terrein der scheikunde, om er eeuwen op te turen, en er aanbidding door over de ziel te voelen komen, maar toch geheel buiten uw hooger, uw persoonlijk, uw innerlijk leven omgaande. Zelfs de hooge heerlijkheid van het organische ontbreekt in dien ondergrond der schepping nog geheel. Zeer diep moest daarom het leven van het eeuwige Woord afdalen, om zich ook in die lage sfeer uit te spreken, om ook daarin het Woord te zijn.

Maar uit die lage sfeer klimt dat leven van het eeuwige Woord tot steeds hooger heerlijkheid op.

Naar het organische leven. Van de spons tot den ceder en den palmboom. Van de schimmelplant tot roos en lelie. Van het koren tot de druif. Straks nog hooger in de organische wereld die aan geen plek gebonden is, maar zich vrij beweegt. Daar kruipt eerst de worm, het paard rent, de tijger doet zijn sprong, de adelaar doet zijn vleugelslag door de wolken ruischen. Eindelijk komt de mensch.

Steeds openbaart nu in die opklimmende reeks der schepselen het eeuwige Woord zich rijker en voller. Niet dat er meer komt, want het eeuwige Woord is ongedeeld en ongebroken, en is heerlijk in alle schepsel. Maar het ééne schepsel is doorzichtiger, laat meer dan het andere door. Altoos is het de stem van het eeuwige Woord, die in alles doortrilt, maar niet alle schepsel geleidt dat geluid even helder en zuiver. En zoo spreekt het eeuwige Woord zich in de opklimmende reeks der schepselen al voller, rijker, klaarder, helderder uit. Tot bij den mensch de laatste overgang komt. Het hoogste. In den mensch spreekt het eeuwige Woord tot zelfs door een creatuurlijk woord.

Niet alsof dat spreken van het eeuwige Woord zich tot de geschapen dingen in hun wezen en bestand beperkte. Integendeel. Dat eeuwige Woord is en spreekt evenzoo in al wat er in en met de geschapen diagen gebeurt. Lees van die stem des Heer en maar in Psalm 29: »De stem des Heeren is op de wateren. De stem des Heeren breekt de cederen. De stem des Heeren houwt er vlammen vuurs uit. De stem des Heeren doet de woestijn van Kades beven. De stem des Heeren doet de hinden jongen werpen." Aangrijpend betoon van Goddelijke almachtigheid is in den storm en ia den donder. Maar toch het rijkste, het volste spreken van de stem des Heeren is in de menschelijke stem. »Eerst ia zijnen tempel geeft het kind des menschen Hem eere."

Dit nu drukt de apostel Johannes aldus uit, dat het leven eerst in den mensch licht wordt; en wat beduidt dit nu anders, daa dat het leven alleen in den mensch zich verheldert en opklaart tot zelfbewustzijn en bewustzijn van de schepping om hem heen, een bewustzijn van zijn God door het eeuwige Woord dat in hem werkt, en waardoor hij bestaat.

Zuivere olij venolie is niets dan vloeiende lichtstof, want de allerbeste olie der olijven brandt geheel op, zonder iets achter te latea. Ia de steeaolie is ook licht, maar gebonden, en steenolie behoeft slechts hooger graad van warmte om zelf te ontvlammen.

Ea zoo ook is het levea niet van alle menschen evenzeer licht. Ook onder de menschen zijn er, die slechts over een deel en dan nog een onzuiver licht kunnen doen uitgaan. Er zijn er die als de olijfolie geheel licht kunnen worden, mits een ander het voor ea ia hea ontsteke. En ook zijn er verstandelijke en geestelijke virtuosen, die als de steenolie, mits de warmtegraad van het levea hoog genoeg stijge, vanzelf ontvlammen en licht geven.

Maar hoe verschillend ook de graad zij, lichdragend is het leven ia alle menschen want hoe ook ia graad van intensiteit verschillend, alle mensch heeft zelfbewustzijn, wereldbewustzijn en Godsbewustzijn. In alle mensch spreekt de rede. Alle mensch spreekt die rede in menschelijke taal uit. In alle mensc]^ komt het eeuwige Woord in het creatuurlijke woord, in de taal, en in de stem uit. •

Dit drievoudig bewustzijn van den mensch is geen nieuw iets dat bij zijn leven bijkomt. Als de olijvenolie licht geeft, komt dat licht uit de olie, in verband met de lucht natuurlijk, evengoed als ons menschelijk bewustzijn ondenkbaar is zonder hetgeen ons om­ geeft; maar toch zóó dat het niet als tweede iets bij de olie bijkomt, maar opvlamt uit de olie. De olie wordt licht. En zoo ook komt het licht van ons bewustzijn niet bij ons leven als tweede iets bij, maar het is ons leven, het is het leven der !, chepp!ng, het is het levea van het eeuwige Woord in de schepping, dat in ons hcht wordt, tot licht zich verheldert, en als licht glanst. Gelijk in God zijn leven en zijn Goddelijk bewustzijn niet twee, maar één zijn, zoo ook in ons het leven besloten licht, het licht ontloken leven.

Dat is het, wat Johannes zegt: In het Woord was het leven, en dat leven was het licht der menscfien.

De mensch heeft zijn licht niet van elders, noch uit zich zelf, noch schiep hij het. Hij leeft door het eeuwige Woord. Het eeuwige Woord, dat hem bestaan doet, is zijn leven. En dat leven verheldert in zijn bewustzijn tot licht. Tot alzijdig licht. Licht in het verstand, licht in zijn wilskeuze, Uchtinzijn gemeenschapsleven, licht in zijn zedelijk bestaan, licht in zijn kunst en wetenschap, licht in het oog der ziel, waarmee hij zijn God ziet.

Maar nu breekt die spiegel, waarjn het eeuwige Woord zich zelven afspiegelde. Er komt zonde. En die zonde doet den spiegel bersten en scheuren. Duizend lijnen over het eerst zoo heldere, gladde spiegelvlak.

Hoe nu?

Is nu met en door de zonde de openbaring van het eeuwige Woord uit de wereld, die den vloek draagt, en uit den mensch, die onder d«n doem komt, weg?

Dat nooit.

Immers ook de hel bestaat alleen door het eeuwige Woord. »Alle dingen", en daar behoort toch immers ook de plaatse toe waar weening is en knersing der tanden, > bestaaa te zamen_ door hem". Ook in de buitenste duisternis, evenals in den stikdonkeren nacht schuilt de majesteit des Keeren HEEREN.

Alleen maar, het is nu alles duisternis geworden.

Doch ziehier nu de »gemeene gratie" het eeuwige Licht heeft die duisternis op aarde niet tot »buitenste duisternis" laten worden. Ware er geen scheidende, geen weerhoudende genade uitgegaan, niets zou het zich al meer verdonkeren van de duisternis in stikdonkeren nacht hebben kunnen afweren.

Maar die stuiting der gemeene gratie is gekomen,

Het licht schijnt in de duisternis, maar de duisternis heejt het Licht niet begrepen."

In het Paradijs was geen duisternis. Zoodra er sprake is van «duisternis", treedt hiermee de wereld als in zonde verzonken, voor u.

En nu, ook in die duisternis was natuurlijk het eeuwige Woord cvenzoo als het eeuwige Woord in de buitenste duisternis der hel is.

Maar daarvan spreekt de Evangelist niet.

Hij spreekt van een opzettelijke daad wz.n het eeuwige Woord. Hij zegt niet dat het Woord ook in de duisternis was. Dit sprak vanzelf. Maar hij betuigt dat het Woord in de duisternis inscheen. Zoo inscheen, dat de verdenkering niet al door kon gaan. Dat er een schemering te midden van de duisternis overbleef.

En die schemering te midden van de duisternis, die stralen van licht door de nevelen heen in de duisternis geworpen, dat is de gemeené gratie.

Daarom in dieper zin gratie, erbarmende genade, omdat de duisternis zich sterkte tegenover dit uitstralend licht, het niet greep, niet indronk en niet inzoog, maar het veeleer, voor wat aan haar stond, in eigen zelfverdonkering poogde uit te bannen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken