Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de Pers.

10 minuten leestijd

In het Holt. Kerkblad wordt gewezen op de klacht dat de Boeren in Transvaal nog zoo weinig zendingsvrienden zijn.

We lezen daar:

Ora nu echter den gang der overweging onzer broederen ginds recht te kunnen beoordeelen, lette men op het feit, dat de belangen der Zending onder de Kaffers eenerzijds en die der bevrijding van het juk der Engehchen anderzijds voor onze Gereformeerden in Zuid-Afrika veelszins met elkander in strijd zijn. De Standaard heeft indertijd hierop ten ernstigste gewezen. Zending onder de Kaffers wordt van Engelsche zijde gedreven, en dan wordt die Zending gebruilct, om de Kaffers op te zetten tegen de Boeren en hen te brengen onder Engelschen invloed tot bedreiging en bestrijding van de eer, de onafhankelijkheid en de rust der Afrikaansch-Hollandsche republikeinen.

Hoe verontwaardigd en geprikkeld onze Transvalers daartegen zijn na de geschiedenis van Jameson en Rhodes, begrijpt ieder, die met hen meeleeft.

Daarom volge hier een stuk uit het Kerkbl., waarin deze dingen besproken worden, en waarin het onverdragelijk optreden der Engelsche Zending geteekend wordt.

Het luidt aldusi

DE ZENDING.

Onder dit hoofd hebben wij een tijd geleden aangetoond, hoe de Gereformeerde kerk een stap vooruitgegaan is om het Evangelie van onzentwege te verspreiden onder de gekleurden. Dit gaf aanleiding aan een schrijver in de Bazuin, om den toestand van zaken alhier te betreuren. Als men eenigszins omstandigheden in Zuid-Afrika wil in acht nemen, zou men niet zoo lichtelijk zich uitspreken over wat hier al dan niet gedaan wordt. Wij hebben gezegd, dat de Gereformeerde kerk begonnen was met de Zending en wij hebben dit toegejuicht, omdat wij door 's Heeren genade eene geopende deur gevonden hadden. Verder schreven wij over de huivering die er bij velen bestond, om deel te nemen in het werk, en trachtten wij aan te toonen, hoe er eene vervreemding, ook op godsdienstig gebied, ontstond tusschen de blanke bevolking en de gekleurden.

Wij hebben dien toestand ten deele betreurd maar ook eenigszins gebillijkt. Wij wezen er op, hoe dat de Zendeling en de EngelSchman voor een groot deel daartoe aanleiding gaven. En nog kookt het bloed van den welmeenenden Afrikaner, als hij bemerkt, hoe nog heden op onrechtvaardige en onchristelijke wijze de kleurling tegen hem aangehitst wordt.

Waar dat vuur bijna uitgedoofd is, wordt het weer op verschillende wijzen opgewakkerd.

Om te staven wat wij zeggen laten wij hier ver­taald volgen een kort stukje uit de »Cape Argus."

»DE SOUTH AFRICAN LEAGUE EN KLEURLINGEN."

»Daar Dr. Darley Hartley (voorzitter van S. A. L.) ontkent, dat er in zijne toespraak aan de kleurlingen »iets is dat rassen-haat zou kunnen verwekken/' geven wij ^weer een kort uittreksel uit het Queenstown Free Press-verslag van wat hij gezegd heeft: xGij zijt ten volle bewust van de bedoeling van de Bondpartij, wier groote oogmerk is, om de verbinding tusschen de Kolonie-en de Britsche regeering te verzwakken; om dit eeneHoUandscheRepubliek te maken en om op andere wijzen den vooruitgang van dit land te stremmen. Nu, zou zulk een ongelukkige toestand voorvallen in dit land, zoudt gij, kleurlingen, de gevolgen van deze verandering ten zeerste ondervinden. Gij zoudt een weinig beter zijn dan de slaven, die gij waart onder de Kaffers; uw land zal u ontvreemd worden; gij zoudt uwe stem verliezen en behandeld worden als de kleurling in den Vrijstaat en de Transvaal.

Laat mij u zeggen, indien gij het niet reeds weet, dat uwe hoogste belangen bevorderd zullen worden door Engelschen, die een vrijgeboren volk zijn, vrijheid en vrije instellingen lief hebben. Onze Koningin die onderdanen heeft over de geheele wereld, van alle kleur en stand, maakt geen onderscheid; zoolang het volk zich goed gedraagt, worden zij allen' onder hetzelfde rechtvaardige bestuur behandeld. Gij, oude mannen vóór mij, weet meer van de moeilijkheden en onrechtvaardigheid die gij te verduren hadt vóór Britsche bezitneming dan de jonge mannen, en gij zijt het, die hen moest zeggen welke partij te kiezen. Ondersteunt Britsche belangen op elke mogelijke wijze. Een middel ter uitvoering hiervan wordt u aangeboden, en gij zijt gretig om het aan te nemen; maar ik zou u aanraden de zaak ernstiglijk bij uwe huizen te overwegen. Bespreekt het goed onder elkander, vóór dat gij tot eenig besluit komt."

»'t Is politiek gebied" zegt iemand wellicht. Kerk en Staat zijn nauw aan elkander verbonden. Niet te verwonderen is het dus, dat menig Afrikaner, niet alleen van de Gereformeerde kerk, aarzelt zijn 6d af te zonderen voor de Evangelisatie onder de Heidenen. Het is ons doel niet om gemoederen op te wekken, maar slechts om aan te toonen, welke zienswijze men krijgt als men bekend is met den toestand van zaken alhier. Maar voor de waarheid wiUen wij bukken.

Dit alles is geen reden, om onze plicht na te laten. Wij zullen ons niet op dit voorwendsel voor God kunnen rechtvaardigen. Jezus' gebod ligt daar: «Predikt het Evangelie aan alle creaturen." Daarom ligt deze zaak den leden van het Corps als toekomstige leeraren zoo na aan het hart.

En een ieder, die zich kant tegen de prediking onder de Heidenen, blijft eene verantwoording schuldig bij God. Wij hebben niets te maken met de vervloeking van Cham; dit blijft Gods zaak. Jezus' gebod j> Predikt het Evangehe" moet elk lid der kerk gehoorzamen. Wij zullen ons niet kunnen verontschuldigen voor God met te zeggen: »Heere, Gij hebt Cham vervloekt" of »de kleuriingen zijn altoos tegen ons opgestoken."

Dit stuk verdient onze aandacht.

In verband nu met een en ander zal het onzen lezers duidelijk zijn, hoe gewenscht het is, dat de Zending onder de Kaffers van Hollandsch Gereformeerde zijde uitga tot verzoening met onze Transvaalsche broeders en opdat de dienst des Evange-Hes liet werk van Gods voorzienigheid in de vrije ontwikkeling van Afrika van de Kaap tot aan den Nijl niet hindere, maar diene.

Te opmerkelijker is daarom de roepstem uit den kring cler Kaffers zelf, voorkomende in het vorige nummer van de Heraut, waarbij 'de bede der Kaffers tot HoUandsche dienaren des Woords komt, om tot hen met het Woord Gods over te^komen. Zijzelven bieden hierbij voor het onderhoud van een dienaar 150 pond d. i. 1800 gulden 's jaars aan. Prof. Kuyper is in staat en bereid hierover nadere inlichtingen te geven.

Zij die roepstem niet te vergeefs.

De zaak is volkomen duidelijk.

Zoolang de Boeren hun eigen'leven en'dat van vrouw en kind met het zwaard tegen^de Kaffers moesten verdedigen, kon er geen zendingsgeest opkomen. En toen rustiger dagen aanbraken, kenden de Boeren geen'andere dan de Engelsche missie, die steeds vijandig tegen hen overstond.

Thans echter breken betere tijden aan, en zal ook in Transvaal Christenplicht betracht^worden.

Men leest in de Hervorming:

De Revue Historique, LX, 2 (Mars-Avril), 1896 deelt op blz. 371 het volgende mede:

In de Collection des grands écrivains de la France, eene uitgaaf die tegenwoordig onder leiding van Brunetière staat, is o a. Pascal van Faugcre verschenen. In deel I daarvan werd op bl. 203 eene vergissing, die allesbehalve nieuw is, nog eens herhaald. Pascal haalt daar n. 1, de meening van den Jezuïet l'Amy aan, volgens wien het geoorloofd is een lasteraar te dooden. Naar aanleiding daarvan beweert Faugère, dat Kalvijn in zijn 15de Aphorisme in De modo propagandi Calvinismum, zou hebben geschreven: «Jezuïeten met het zwaard te dooden of hen door leugen en laster onschadelijk te maken is plicht." Maar ongelukkig heeft Kalvijn in 't geheel geen werk onder dien titel opgesteld. De aanhaling, die heet van Kalvijn te wezen, is ontleend aan de Aphorismen van den Jezuïet Martinus Becanus, die in i649jgoedvondiaan Kalvijn eene meening toe te', dichten, ^welke|infstrijd^is met al wat Kalvijn ooit schreef. Immers deze' heeft, terwijl-hij steeds aan den Staat het recht toekende om ketters te bestrijden, zich te gelijk'altoos''verzet tégen alle persoo7ilijk plegen van geweld. Zelfs om aan de vervolging weerstand te bieden liet hij dat niet toe. — Faugère heeft blijkbaar zijn aanhaling ontleend aan Audin's leven van Kalvijn. Maar Audin was nauwgezet genoeg geweest om aan te geven: »Calv. apud Becan, t. I. op. 17. app. ijt. De modo propagandi Calvinismum." Faugère liet »apud Becan" weg, en deed nu als eene aanhaling uit Kalvijn voorkomen wat Becanus zelf alleen als zijne opvatting van Kalvijn's gevoelen geeft.

Doch niet om Faugère's oppervlakkigheid is het mij te doen, nu ik dit bericht uit de Revue overneem. Deze voegt daarbijjhet? volgende :

Die valsche aanhaling van Kalvijnj^heeft'eene'geheele geschiedenis. Hij doet reeds lang in Roomsche strijdschriften de ronde en even lang is' de valsch» heid daarvan duidelijk aangewezen. Naar aanleiding van Alzog's Kerkgeschiedenis weerlegde Baur die beschuldiging tegen Kalvijn reeds in 1851. In 1855 deelde Réville in deel IV van het Bulletin de la Soc. du Prof, franfais die weerlegging mede. Faugère zal dit misschien niet hebben gelezen? Mogelijk; maar nu komt een staaltje van de wijze, waarop Katholieke schrijvers soms met de waarheid omspringen als het Protestanten, en hun goeden naam betreft.

De bekende in Frankrijk zoo hooggeschatte geschiedvorscher Weiss maakte de firma Hachette, de uitgevers van de Collection, opmerkzaam op Faugère's fout. Men verwachtte dus, dat de redacteur, Brunetière, voor eene rectificatie in deel II zou zorgen. De heer Brunetière vond dat echter — 't gold immers maar een Protestant, al was die Kalvijn, — de moeite niet waard. Hij heeft, over de zaak geraadpleegd, als volgt geantwoord: »al moge Kalvijn »de woorden, waarvan Faugère hem beticht, niet «hebben geschreven, men kan zonder eenige moeite »in zijne werken een en ander vinden dat op het-»zelfde neerkomt. En gingen wij de vergissing van «Faugère herstellen, dan zouden wij dat moeten «gaan aantoonen; opzettelijk moeten gaan uiteen-«zetten, hoe hij in die dwaling heeft kunnen vcr-«vallen en dat deze ten slotte al heel weinig be-«duidt. Stel dan, dat de aanhaling uit De modo «propagandi Calvinismum plaats maakt voor eene «uit de weerlegging van de dwalingen van Michael «Servetus, ubi docetur jure gladii coërcendos esse «haereticos: en ik"begrijp niet, wie ter wereld iets «daarbij wint."

Tot dusver Brunetière.

De verslaggever in de Revue, G(ustave) M(onod), weigert aan te nemen, dat een man als Brunetière het onderscheid niet zou inziert tusschen het i6de eeuwsche staatsrecht, dat lijfstraf voor ketters billijkte, en de verachtelijke casuïstiek, volgens welke doodslag, leugen en laster geoorloofde middelen zullen zijn, om het waar geloof over het onware te doen zegepralen. Hij heeft blijkbaar alleen uit de hoogte 't afgewezen aan de waarheid te geven wat haar toekomt.

Maar juist dat is het: Dat in een invloedrijk werk Kalvijn ten onrechte gebrandmerkt wordt, kan Brunetière zoo weinig schelen, hem den leider, den verantwoordelijken persoon voor dat werk, dat hij, schoon opzettelijk daarop attent gemaakt door wie ook in zijn oog de bevoegde persoon is, schoon met de stukken van dat onrecht overtuigd, het nietwz? herstellen, nu hij 't kan doen.

Dat de nieuwe roomsche historici bij hunne reconstructie derj geschiedenis het niet nauw nemen met de waarheid als 't geldt Protestanten donker, Roomsche zaken licht te kleuren, is bekend. Dat ook een man alsJBrunetière daaraan meedoet, is, geloof ik, niet nieuw. Dat hij aan overtuigingen weinig of geen waarde hecht, juist in 't godsdienstige goede trouwiien waarheidszin minacht, wisten wij na zijn bezoek aaia 't Vatikaan. Dat hij zijn cynische beschouwing gebruiken zou om groote Protestanten te helpen'ii^verachtelijk maken bij het Fransch lezend publiek, dat hij te frivool is om van juister inzicht teïwillen^'gediend zijn, wisten wij nog niet.

De brief van Brunetière, schrijlt de Revue Inter' nationale de Théologie (1896, p 309^ verdient te worden bewaard tot schande van zijn schrijver en ten bewijze van de geringe waarde, die aan zijn kritischen arbeid toekomt, willekeurig en fantastisch als die is. Maar dat de firma Hachette tegen beter wetenjin een uitgemaakte onwaarheid in èenharer uitgaven"'duldt, .mag bevreemding wekken. «La vérité objective'', zeggen wij liever: de goede trouw is immers tegenwoordig de wet, die overal in de historische kritiek geldt; overal, behalve naar 't schijnt infde'Revue'Mes deux Mondes en te Rome, waar men nu eenmaal geen-wetenschappelijk geweten bezit.

Laat ons~voortaan, als we ons op Brunetière beroepen, aan deze bewuste vervalsching van Calvijns|nagedachtenis2denken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 november 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken