Bekijk het origineel

Standpunt.Bruna.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Standpunt.Bruna.

11 minuten leestijd

II.

Welke is dan nu de lijn, die Ds. Bruna trekt, om het plan te schetsen, dat tot zuivering van toestanden in de z. i. tot een leugen geworden Hervormde kerk leiden zal?

Ge herinnert u, hoe hij ontkent dat dit kerkgenootschap nog kerk zijn zou, en dat het deswege z. i. eisch van eerlijkheid en goede trouw is, om aan deze innerlijke onwaarheid een einde te maken.

Daartoe nu stelt hij in de eerste plaats voor: dat aan de gemeente de blinddoek van de oogen zal worden genomen, vooral doordien de Moderne en Ethische predikanten geen slag om den arm houden, maar uitkomen voor wie ze zijn.

Nog altoos, zoo zegt hij, zijn er duizenden en tienduizenden in de Hervormde kerk, die geen onderscheid kennen tusschen-hun rechter-en linkerhand, en die om beurte een Modernen en een Calvinistischen predikant gaan hooren, zonder ook maar te gissen dat dit niet hetzelfde is.

Er zijn nog talloos velen, leden van die kerk, die het essentiëele onderscheid tussclien de prediking van den modernen Ds. A. en den Gereformeerden Ds. B. niet onderkennen.

Dit wijt hij i". aan de gebrekkige catechisatie en aan de flauwheid der prediking.

Het antwoord op deze vraag is niet anders dan een aanklacht.

Een aimklacht tegen hen, die als geestelijke opvoeders en onderwijzers geroepen waren en een aanklacht tegen den prediker, die afwijkende gevoelens voorstond.

Daarin ligt een beschuldiging van ondiepte van het gegeven godsdienstonderwijs en van flauwheid en weekheid in prediking en gesprek.

Maar hij wijt het 2", en veel meer nog aan het gemis van moed in de predikanten van Moderne en Ethische richting.

Maar de zwaarste aanklacht wordt ingebracht tegen den prediker, die uit valsche verdraagzaamheid of ook uit verachtelijke overwegingen, niet beslist partij kiest tegenover zijn geestelijke vijanden, maar er zoowat naast en tegenaan gaat staan.

Dat een Moderne predikant op den kansel den Bijbel openslaat en er een tekst uit voorleest, acht hij ^moraal der Jezuieten"

Het altijd weer nemen van een tekst uit dien Bijbel riekt dan ook Jiaar de moraal der Jezuïeten.

Maar nog sterker geldt deze aanklacht z. i. tegen de Ethischen.

Wat in dezen van het modernisme geldt, dat geldt in nog veel sterker mate van de ethische richting.

Of mag het eerlijk worden genoemd, wanneer een predikant zich rechtLvaxA^, noemt, poseert als verdediger van het geloof en feitelijk hetzelfde standpunt inneemt, dat de vijand bezet houdt en om welk standpunt hij juist vijand is.

Welnu, de ethischen zoowel als de modernen ontkennen het gezag der Schrift, Gelooven sommigen wellicht nog aan en in de geheele Schrift als Gods Woord, dan is dit geloof gegrond op eigen zielsbehoefte of eigen inzicht, in elk geval gegrond op een ander gezag.

En velen zijn reeds veel verder; velen critiseeren, hand aan hand met de modernen, de Schrift naar hartelust en critiseeren er dan ook heel wat uit.

Evenals door de modernen, alleen niet zoo consequent, worden werkelijke feiten tot ideale voorstellingen verdampt. Nu staat dit in onze kerk vrij om voor te staan en te propageeren, even vrij als het modernisme hierin is, maar dit moet uitgesproken worden.

De ethischen noemen zich orthodox en onder orthodox verstaat de grootste helft der gemeente, ook de modernen en Groningers, menschen die (o, a.) zich onderwerpen aan Gods Woord, die, wanneer er strijd bestaat of ontstaat tusschen 's menschen kennis en begrip aan de eene zijde en de Schrift aan de andere zijde, altijd de waarheid van de Schrift en de zonde van den mensch belijden, die den Bijbel nemen, niet uit behoefte of inzicht, maar uit gehoorzaamheid.

En daarom is het onafwijsbare eisch der waarheid, dat de ethischen hun erkenning van het recht der schriftkritiek idtspreken.

Het doet er niets toe, of men dit onnoodig acht, of men meent, dat 't geloof er niet door wordt geschaad, dat staat ter beoordeeling van de leden der kerk, wier voorgangers zij als primi inter pares zijn. Dit denkbeeld van geoorloofde restrictie is Roomsch.

In naam der waarheid eischen wij, dat allen, waar en wanneer ze openbaar spreken, beslist en' scherp zullen zeggen, wat ze van de Schriften, van den Christus, van den mensch, van de eeuwigheid belijden. Wie dat niet wil is oneerlijk, en de eenige weg, die dan ook ingeslagen kan. worden, indien niet 't inzicht alleen van eigen positie voldoende zou zijn, is het aan de gemeente meedeelen, wat de moderne en ethische predikanten in hun tijdschriften en op hun vergaderingen beweren en belijden.

Ook tegen deze beschouwingen bestaat onzerzijds geen bezwaar. Wie sinds 1878 onze jaargangen meelas, weet hoe wij ook onzerzijds tegen deze onoprechtheden optraden en toornden.

Ook wij hebben Moderne predikanten op zulk een wijze hooren spreken, dat als we niet geweten hadden dat de spreker Modern was, het vermoeden er van niet bij ons zou zijn opkomen. En hoezeer men van Ethische zijde termen en klanken gebruikt heeft en uit de Schrift argumenten heeft voorgelegd, die op het Ethische standpunt ö«(5^jtó««^«^r waren, is ons zoogoed bekend als den geachten schrijver.

Waren dan ook zulke waarschuwende roepstemmen niet uitgegaan, we zijn overtuigd, dat nog een veel grooter deel der gemeente het slachtoffer van deze misleidende predikatiën zou geworden zijn. Had men twintig jaar vroeger cordaat en trouw op de bazuin geblazen, velen die nu voor altoos insliepen, zouden zijn wakker geschud.

Ook tegen dit deel van Ds. Bruna's betoog bestaat bij ons dus niet de minste bedenking. Wat hij saamreeg was een tuil geplukt van gelijksoortige planten, als die wij in onzen eigen hof hadden zien bloeien.

Zijn tweede eisch is, dat de Ned. Hervormde kerk beginnen zal met al wat op de leer betrekking heeft of aan de leer herinnert uit haar Reglementen weg te nemen.

Hij zegt er dit van:

Het spreekt vanzelf, dat ook in de wetten en reglementen van het Genootschap zoodanige wijzigingen moeten worden aangebracht, als overeenkomen met het doel, waarnaar wij streven.

Deze reglementen veronderstellen altijd nog een zekere leer, een zekere belijdenis, die den geestelijken band der leden vormt. Nu moet al datgene wat op die leer betrekking heeft, er in elk geval uit. Al hoopt men op herstel van de Ned. Herv. kerk als geestelijke unie of als kerk, dan nog moet, zoolang de toestand feitelijk anders is, ook de wet in overstemming zijn met de praktische interpretatie, van die wet gegeven.

Ook dit is aannemelijk, mits het nog iets scherper worde geformuleerd en iets verder doorgetrokken.

Zal het Genootschap met zijn Bestuur niets zijn dan een administratieve band, om voorshands de burgerlijke positie te verzekeren, en inmiddels tijd voor losweking van wat niet saamhoort te laten; dan moet het Reglement ook niets meer inhouden, dan hetgeen daarop betrekking heeft.

Alsdan echter moet er volstrekt niet alleen uit verwijderd worden, wat met name op leer en belijdenis doelt; maar evenzoo al datgene wat wel aan een kerk, maar niet aan een genbotschap eigen is, en met name al datgene wat uit het wezen der kerk voortvloeit, en waarover Jfereformcerden, Ethischen, Groningers en Modernen tegenover elkander gestelde inzichten hebben. We noemen slechts den dienst des Woords en der Sacramenten, de kerkelijke tucht, het te zingen lied enz.

Nu kan het zijn, dat Ds, Bruna dit ook zoo bedoelt, maar hij zal ons toestemmen, dat men om duidelijk te zijn en klaren wijn in te schenken, dit er dan toch beter bijzegt.

Doch neem nu aan, dat dit alzoo geschied is, dat i*. Gereformeerden, Ethischen, Groningers en Modernen alle verbloeming aan den kant zetten, en ruiterlijk en ridderlijk voor hun gevoelen uitkomen, zoodat elk lid in de gemeente ten leste weet en merkt, wat soort man hij voor zich heeft; en 2". dat de reglementen alle geestelijke elementen loslaten en puur administratief worden, wat dan?

Dan natuurlijk wil de geachte schrijver van lieverlede ook dien laatsten, administratieven band losmaken, maar eer hij hieraan toekomt, rijst zeer natuurlijk voor zijn geest een andere vraag op: waarom dan niet u gevoegd bij de bestaande Gereformeerde kerken ?

Geheel in onzen geest zegt ook hij te steunen op »souvereiniteit in eigen kring", eilieve waarom dan niet aanstonds als souverein in eigen kring opgetreden ?

Hierop nu luidt zijn antwoord: i". dat een predikant ook denken mag aan zijn traktement en pensioen; en a£. dat men de groote massa prijsgeeft.

Over het eerste punt zegt hij:

Zeer zeker zoude hierin, vooral voor de predikanten, het financieel bezwaar mogen meespreken, daar de uittredenden alle recht op bezittingen en uitkeeringen verliezen.

Maar moge dit medespreken, dit stoffelijk bezwaar alleen zou geen oogenblik tegen geestelijk voordeel mogen opgewogen worden,

Onzerzijds hebben wij er niets tegen, en achten het zelfs plicht, dat een predikant ook aan de »rekening van ontvangst en uitgaaf' denke. Soms zelfs komt de wenscli op, dat ze van rekenen meer werk maakten. En nu er bijstaat, dat, zoodra geestelijke eisch spreekt, het stoffelijk belang moet wijken, zijn wij ook in dat opzicht voldaan.

Slechts komt het ons voor, een leemte in het betoog te zijn, dat Ds.Brünahet vrijwilligheidsbeginsel hier over het hoofd ziet, en er zelfs niet van spreekt. De vraag, of de kerk van Christus om geestelijk te bloeien en haar zelfstandigheid te handhaven, niet bekennen moet dat alle Staatsgeld haar steeds ten verderve was, en diensvolgens de traktementstheorie van den apostel Paulus in toepassing behoort te brengen, had de schrijver niet onbesproken mogen laten. Vooral niet waar hij stoffelijk belang en geestelijken eisch tegenover elkander stelde.

"Doch nu dan het geestelijk belang waarop hij wel let.

Hij formuleert het aldus;

Er is echter een geestelijk verlies bij zulk een handelwijze, dat medewegen mag.

Omdat in groote kringen van leden der Ned, Herv, Kerk nog geloof aan die kerk als geestelijk instituut gevonden wordt en de oogen voor de onwaarheid daarvan gesloten zijn, daarom wordt in die kringen ieder die de kerk verlaat, voor een scheurmaker of afvallige gehouden. De geschiedenis der doleantie wijst dit uit.

En het uittreden van b, v, de Gereformeerden zou dan ook geen ander gevolg hebben, dan dat men groote scharen, die nu nog met de waarheid bereikbaar zijn, aan niét-Gereformeerden invloed moest overlaten. En dit geldt evenzoo van de modernen en van de Groningers en van elke andere richting; die uittreedt verlaat eer arbeidsveld en verliest het.

Eerst als er geen spartie grise" meer is, als tot in alle kringen de scheiding der belijdenissen in 't bewustzijn is doorgevoerd, eerst dan kan er sprake zijn van andere scheiding.

Het grondbezwaar tegen de doleantie bij vele Gereformeerden is dan ook niet het beginsel, maar alleen de uitvoering, toen het nog te vroeg was, een goede, maar onrijp geplukte vrucht.

Over dit punt wenschen we gaarne afzonderlijk te discussieeren, , als we eerst mogen vernemen, of de geachte schrijver met ons de stelling belijdt, dat ^ziende hi het, gebod en blind in de uitkomst" deregel der Gereformeerden, en daarentegen ^zonder gebod op de uitkomst turen", de evolutie-leuze der Ethischen en Modernen, natuurlijk voor elk van hun eigen standpunt is.

Dit laatste versta men niet verkeerd.

Een Moderne en een Ethische oordeelt, dat de gemeente achtereenvolgens verschillende stadiën van ontwikkeling doorloopen moet, en dat wie nu nog confessioneel orthodox is, niet opeens Modern of Ethisch kan worden. En hieruit yolgt voor hen de theorie, dat zij beginnen moeten met zich zooveel mogelijk naar de oude Orthodoxie der gemeente te schikken, haar sympathie moeten pogen te winnen, en alzoo ze van lieverlede Modern of Ethisch moeten maken.

Dit is bij de Modernen en Ethischen geen zwakheid, maar stelsel. Ze doen het zoo opzettelijk. En ze meenen dit te mogen doen, omdat hun moraal een andere is dan de onze.

Niet de vastheid van het gebod is voor hen uitgangspunt, maar het zich voegen naar de gewilde uitkomst, die ze bereiken willen.

Ds, Bruna, hoewel ook dit punt niet principieel besprekende, gaat toch in hoofdzaak, ook hierin met ons mede.

Hij schrijft toch;

Dit bezwaar bestaat bij modernen en Groningers niet; ze zien niet 't minste bezwaar er in, om een kind van geloovige ouders te doopen of een orthodoxe aan het Avondmaal toe te laten Maar bij de orthodoxe richtingen bestaat dit bezwaar wel; op grond van hun beginsel mag de Gereformeerde geen kind van ongeloovigen doopen noch een niet-belijder van den Christus toelaten tot het Heilig Avondmaal. En nu is de vraag: kan dit beginsel gehandhaafd worden door die Gereformeerden, die-Onder het verband der Ned, Herv. Kerk leven ? xZoo ja, dan blijven om de mogelijke winst, zooeven genoemd, zoo neen, dan uittreden, wat het ook koste,

Alleen zal Ds, Bruna, om verdere bespreking doeltreffend te doen zijn, behooren te verklaren, of hij den regel dat J gehoorzaamheid beter dan offerande" is en dat het »zien in het gebod" en niet het rekenen met de »uitkomst" ten richtsnoer moet zijn, met ons, naar Gereformeerden trant, beaamt.

Tegen zulk een verklaring kan hij niets tegen hebben.

Immers hij wil zelf juist, dat een zich kloek en vierkant uitspreke.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 december 1896

De Heraut | 4 Pagina's

Standpunt.Bruna.

Bekijk de hele uitgave van zondag 6 december 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken