Bekijk het origineel

„Alle deze dingen zullen u toegeworpen worden.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Alle deze dingen zullen u toegeworpen worden.”

10 minuten leestijd

Maar zoekt eerst het koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, en alle deze dingen zullen u toegeworpen worden. Matth. 6:33.

Na de spanning van het Oudejaar pleegt de morgen van Nieuwjaar in wijden kring zekere ontspanning te brengen.

Want wel heeft ook de ernst van het Oudejaar iets dat ons aantrekt, iets dat ons bij elkander doet schuilen, iets dat ons gemoed roert, en den weemoed over het brooze onzes levens over ons hart doet vloeien; ja, ge kunt. er zelfs bijvoegen, dat een gedachtenisviering in de avondure reeds op zichzelf sterker aangrijpt, dan een herdenking in den vroegen morgen^ als ge pas wakker wordt en u nog stroef in uw zenuwen voelt; — maar met dat al blijft de Oudejaarsavond toch iets beklemmends hebben. Hg eindigt veelal meer in den traan der aandoening dan in den lach der onbedwongen vreugde. Het is en blijft een uitvaart^ gelijk de Nieuwjaarsmorgen u van nieuwe geboorte spreekt, van de geboorte van een jaar levens, dat voor u ligt als een korenveld om te oogsten, en waarin nog geen sikkel geslagen werd.

Zulk een jaar voor u te zien geett u zulk een gevoel van rijkdom. Wat een tijd is het niet, waarover ge te beschikken zult hebben. Het is of er geen einde aan komen zal! Wat zal men in dat lange eindelooze jaar niet uitrichten, niet afwerken, niet tot stand brengen ! Men kan htt niet overzien, en juist dat niet kunnen overzien wekt de poëzie der hope in het hart.

Ge ziet den menschén op den Nieuwjaarsmorgen die ontspanning dan ook aan. De plooi van het gelaat is vrijer, ongedwongener. Gelukwenschen vloeien over aller lippen. In giften is de hand gul en even gretig andercr hand, om die giften op te vangen. En vooral de jongeren van jaren, die den ernst van den avond die voorafging meer meemaakten dan zelven doorleefden^ voelen zich, nu het Nieuwe jaar er is, weer in hun element. Zij kennen nog den angstigen blik niet, waarmee de ouderen van dagen het hun toegemeten leven zien opkorten. Integendeel, het leven spoedt hun niet te snel^ maar eer te langzaam voort. Zij rekenen altoos vooruit. Dit nog en dat nog, en dan eerst zullen ze hun bestemming bereiken. En nu, ook dit Nieuwjaar brengt hun dit hartstochtelijk ingewachte doel immers weer nader. En daarom voorwaarts met rassche schreden. Ook dit jaar weer doorgespoed om te bereiken wat hun de verwezenlijking moet brengen van hun levensideaal.

Onder hen daarentegen die op meer gevorderden leeftijd zijn, vindt die blijde toon der luchthartigen als het weer één Januari is, lang niet altoos dien vollen weerklank.

Bij velen, voor een deel althans, wel, want ook dit 5Nieuwejaar" spreekt van de goedertierenheid onzes Gods. Het is zijn trouw dat we er nog zijn, dat we elkaar nog bezitten, dat nog zooveel goeds ons deel is. En gelijk in Israël zelfs elke nieuwe maan een dag van jubel voor het aangezicht des Heeren bracht, zoo vervult ook nu nog onder de kinderen Gods de dag van Nieuwjaar het hart met ean gevoel van dank en van aanbidding.

Maar vergeet niet, er zijn er ook zoovelen, ook wel in de kingen van Gods volk, die door het tobben en oproeien tegen den stroom, pas weer een jaar lang, zich zoo uitgeput en ontmoedigd gevoelen, dat reeds de enkele gedachte van weer zulk een tobben zonder eind tegen te gaan, hen doet terugschrikken; soms hen vragen doet: o. Mijn God, waartoe toch dat afmattende worstelen tegen den nooit eindigenden tegenspoed nog langer!

Juist het 5 Nieuwjaar" verhoogt voor deze kinderen van den tegenspoed het bang gevoel van angstige zorg, waarmee ze de toekomst tegenzien.

Het jaar is nu weer afgesloten, en de uitkomst er van was zoo droef'.

Dan nijpt het van alle kanten. Alles is reeds beproefd. Nieuwe uitwegen ziet men geen kans te ontsluiten. De zorgen en daarmede de nooden blijven klemmen. En toch, de dag van voorspoed waarop men steeds gewacht en gehoopt had, ja, dien men zoo vurig van zijn God had afgebeden, die dag komt niet.

En daarom nu het weer Nieuwjaar is, nu beproeft men nog wel uitkomst van zijn Gnd af te smeeken; maar, en dit is het bangst, onder het bidden voelt men aan zijn hart wel, dat het geen geloovig gebed meer is. Nog wel niet het gebed der wanhoop; maar dan toch een gebed zonder veerkracht om wezenlijk te bidden, en zonder in het Ajnen dat het gebed besluit, zekerheid van verhooring te profeteeren.

Mocht iemand, die dit leest, tot dezulken behooren, ziij hem dan, in die moedelooze stemming zijner ziel, het woord van Jezus herinnerd : »Zoek eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden.".

En dan is de eerste iniruk wel: PO, Tergmij niet met dat woord van Jezus, want ook \Yken dat woord wel, maar als ge betalen moet en ge kunt niet, wat vordert ge er dan mede? Ik dien den Heere, ik zou alles voor zijn Koninkrijk willen doen, maar eerst moet ik toch leven, zelf leven en meteere mijn gezin onderhouden. En, helaas, de zaken gaan niet, hoe ik mijn God ook heb aangeroepen. En daarom dring mij niet met dat woord van Jezus. Of zou het, zoo ge in mijn plaats waart, ook u niet veeleer worden tot een ergernis voor uw geloof."

Die taal van het opgekropte leed verslaan we en we begrijpen die zielsgesteldheid van het mismoedig geloof.

En het is ook zoo, als ge gedacht hebt: 'Voorspoed en gedijen en gelukken in huis en in zaken begeer ik, en nu zal ik God dienen, als middel om er toe te komen, en dan zal en moet God, zoo waarlijk Hij een waarmaker van zijn Woord is, mij dien voorspoed, dat gedijen en dat gelukken in huis en in zaken in den school iperpen, — dan moest ge wel bedrogen uitkomen, en die teleurstelling moest u schokken in uw geloofsvertrouwen.

In dien zin is het woord van Jezus dan dfek niet bedoeld, en zóó opgevat zou het niet waar zijn.

Neen, de dienst van God en van zijn Koninkrijk strekt om uw God tot zijn eere te brengen^ en volstrekt niet om het u hier beneden voor den wind te doen gaan.

Lees in Hebreen 11 maar van de wolke der getuigen, Düt waren nu de mannen en vrouwen die »God en zijn gerechtigheid hebben gezocht, " en van hen staat, dat zeer om geleden hebben, en szijn gesteenigd geworden, in stukken gezaagd, veracht, door het zwaard ter dood gebracht, verlaten, verdrukt, kwalijk gehandeld, en hebben in woestijnen gedoold, en in spelonken, en in de holen der aarde."

Zie, dat is andere taal!

Dit is nog anders > God en zijn gerechtigheid" zoeken, dan gij dusver gedaan hebt.

En toch dat zijn de mannen en vrouwen, die nooit den moed verloren, en die nu de kroon dragen voor den Troon.

Hier is een mysterie. van het kindschap. Het geloofsmysterie van het kindschap.

De knecht dient zijn heer en ontvangt loon, en van dat loon leeft hij. Maar het kind\xi\ms. dient vader en moeder, en vraagt niet naar loon, maar vader en moeder zorgen voor voedsel en deksel.

Dat is het verschil.

Want juist zóó zijn er ook hier twee die God dienen. De ééne dient Hem om het loon opdat het hem wel ga. Dat is de knechtelijke gestalte. En de andere dient God, omdat hij »Hem en zijne gerechtigheid" zoekt, en God zorgt voor hem. Dat is de gestalte van het kindschap.

sGod en zijn gerechtigheid zoeken", niet om daarvoor straks de welvaart des levens in te ruilen, maar omdat men God wil hebben en hongert en dorst naar zijn gerechtigheid. Wie hongert, zoekt geen brood, om dat brood voor een bloem uit te ruilen, maar om dat brood zelf, om het te éten, en er door verzadigd te worden.

En zoo ook hier, wie naar God en zijn gerechtigheid hongert, die grijpt er naar, al moest hij er ook alles orn verhezen, ja, al kwam het hem op levensverlies te staan.

In het gewone leven wordt dat dus, dat ge al uw kracht, al uw talent besteedt in den dienst des Heeren, en dat ge in al uw bedrijf en in al uw zaken voor God en voor God alleen werkt, zóó werkt, dat zijn goedkeuring er op mag rusten, en dat ge naar geen uitkomst vraagt.

En hoe ge dan leven moet?

Dat is het waar God dan voor zorgt, en zooals Hij er voor zorgt, zal het u dan goed zijn.

En, al hebt ge dan nog zoo hard gewerkt, dan zal toch elke dag uw gebed: sGeef Gij mij mijn dagelijksch brood", oprecht en geen vorm zijn, en ge ztïlt eiken dag uw God, onverschillig of ge rijk of arm heet, er hartelijk voor kunnen danken.

En wat ge daardoor wint ?

"Veel op alle manier. Laat ons u op tweeërlei winste wijzen mogen.

Vooreerst zult ge uw werk beter doen, en zal daardoor uw arbeid ook in zaken hooger waarde hebben.

Wie in zijn zaken voor zichzelf werkt, kan uitstellen, van zich afschuiven, slap er in verkeeren, er ook onedele en oneerlijke dingen in doen. Maar hij, die bij eiken arbeid weet en voelt: sik ben voor God en z jn dienst bezig", kan nooit oneerlijk zijn, kan niet in schulden komen, en legt in de hand die schuurt die dubbele kracht, dat het metaal dat hij schuurt, gansch blank en blinkend wordt.

Om een uiterst eenvoudig voorbeeld te nemen. Een kok in een hotel, die weet dat een vorst in dat hotel zijn intrek nam, zal ter wille van dien voïstelijken persoon zijn spijzen nog beter dan anders bereiden. De wetenschap dat hij voor een koning kookt, spant zijn kracht en verhoogt zijn vindingrijkheid.

En zoo ook zal een kind van God, dat weet: sik werk, ik arbeid voor mijn Koning, " juist deswege beter werk leveren, scherpzinniger en handiger te werk gaan, en juist dank zij dien prikkel zal hij anderen, die voor zichzelven werken, in deugdelijkheid overtreffen.

Zoo verstonden het onze vaderen, die juist dank zij hun geloof andere natiën vooruitstreefden, en het ondervonden, dat de godzaligheid een belofte heeft ^ook voor het tegenwoordige leven."

Dat in dï eerste plaats, en nu het tweede.

Ook voor uw welslagen in uw zaken en onder menschén hangt zoo ongelooflijk veel af van de stemming uws gemeeds.

Is die stug, dof en mat, ingezonken en moedeloos, dan zal uw arbeid er de sporen van dragen, er zal bezieling in ontbreken, en juist door dien gedrukten zielstoestand, zal in alles de veer ontbreken, die krachtig opspringt.

Zijl ge daarentegen in hooge stemming des harten, voelt ge u door bezielende denkbeelden gedragen, dan leeft de veerkracht in u op, het werk vlot en gelukt u, en met lust vat ge den arbeid telkens weer aan, om dien met innerlijk welgevallen te volbrengen.

En die laatste energieke stemming des gemoeds, die is het nu juist die Jezus in u wekken wil.

Hij weet het, dat, zoolang ge moedeloos turen blijft op uw positie in de wereld, o, zooveel loodzwaar op u drukken, u benauwen, en den moed benemen zal.

En daarom rukt Jezus nu met forsche hand aan uw hart, om uw oog van die neerdrukkende zorgen geheel af te trekken, en zegt u: Laat dat aan mij over.

En nu richt hij uw hart op een hoog, op een bezielend, op een hartverheffend doel, op de vraag namelijk, hoe gij in uw hart, in uw huis, in uw bedrijf en in al uw zaken den Heere uw God vinden en in Zijn gerechtigheid u verlustigen zult.

Wie nu ooren heeft om te hooren, en dat woord van Jezus verstaat, die werpt zich daarop, en begint aanstonds zijn God en diens gerechtigheid te zoeken.

Dat maakt hem rijk, dat maakt hem moedig, dat bezielt hem.

En de wondere uitkomst is, dat nu het werk vanzelf beter vlot, en dat er een zorge Gods over hem en de zijnen waakt, waarvoor hij straks, met de zijnen neergeknield, zijn God o, zoo innig dankzegt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 december 1896

De Heraut | 4 Pagina's

„Alle deze dingen zullen u toegeworpen worden.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 27 december 1896

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken