Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Dan de gemeene Gratie.

17 minuten leestijd

TWEEDE STUK.

XIV.

En gelijk het hun niet goed gedacht heeft. God in erkentenis te houden, zoo heeft God hen overgegeven in eenen verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen. Rom. I : 28.

Is alzoo, ook na den val, dank zij de algemeene genade, de kennisse Gods nog tot de menschen blijven doordringen, een geestelijke vrucht is uit die natuurlijke Godskennissc niet geboren. Ook al moet met Rom. I : 19 beleden, dat > hetgeen van God kennelijk is, nog in de zondaren openbaar is", zóó zelfs dat tzij het werk der wet in hun hart geschreven hebben, " en al moet cvenzoo erkend, gelijk Rom. i : 20 ons leert, dat »de onzienlijke dingen Gods van de schepping der wereld af tot nu toe, nog altoos uit de schepselen verstaan en doorzien worden", toch is ook na den Zondvloed ons menschelijk geslacht niet in den dienst van God en in de vreeze des Heeren staande gebleven. Integendeel, schier terstond is de afdoling van dien God, die ons geslacht in de Arke gered had, in den boezem van dat geredde geslacht ingetreden, en steeds schriklijker is onder de volken de oude zonde weer uitgebroken, de natiën steeds van kwaad tot erger verleideiide. _

Dit nu verklaart de apostel Paulus daaruit, dat het Gode behaagd heeft, allengs zijne ïgemeene gratie" te doen inkrimpen. Die gemeene genade was verruimd na den Zondvloed, nu kromp ze weer in, en dat weer inkrimpen van dé gemeene gratie teekent ons de apostel in deze woorden, dat God ons menschelijk geslacht i> heeft overgegeven in een verkeerden zin."

Tot drie malen toe legt Paulus op dit feit nadruk.

Eerst schrijft hij in vs. 24:

Daarom heeft ze God ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinigheid, om hunne lichamen onder malkanderen te onteeren.

Vervolgens in vs. 26:

Daarom heeft ze God overgegeven tot onteerende bewegingen; want ook hunne vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature.

En ten derden male in vs. 28 aldus:

En gelijk het hun niet goed gedacht heeft. God in erkentenis te houden, zoo heeft God ze overgegeven in eenen verkeerden zin, om te doen dingen, die niet betamen.

Over deze daad Gods moogt ge dus niet heenlezen. Het geldt hier een daad Gods van hooge beteekenis, waarmede rekening dient te worden gehouden, wil men dé geschiedkundige ontwikkeling, verbastering en achteruitgang der volken, vóór de komst van den Christus, verstaan. Van een daad, een werk Gods hierbij te spreken is niet te sterk. Er staat niet zonder zekeren klem, tot drie malen toe, dat God de volken heeft overgegeven. Alle overgeven nu van de leiding van een volk is een bepaalde daad. Dank zij de gemeene gratie, was God na den Zondvloed begonnen de leiding der volken nog zelf ter hand te nemen; maar toen nogmaals uit den wortel der zonde een algemeene afval voortkwam, heeft God de natiën overgegeven aan andere leiding, t. w. aan de leiding van hun eigen verkeerd hart, en daardoor feitelijk aan de leiding van Satan.

Dit overgeven door God van de volken, mag dus niet verstaan worden in den zin van gewone verstokking. De eigenlijke verstokking en verharding toch prikkelt tot verzet en vijandschap tegen God, terwijl ^overgegeven worden" op zichzelf alleen inhoudt, dat het kwaad der • zonde niet meer zoo sterk als vroeger door God gestuit werd, en dientengevolge op hoogst gevaarlijke wijze doorkankerde. Als gevolg van dat •i overgeven" der volken wordt dan ook tot drie malen toe, niet een vermetele, Godtergende hoovaardij als van Farao, vermeld, maar steeds O"^ zedenbederf, d. i. op wegzinking van het menschelijke in het dierlijke gewezen. En wel stelt Paulus tusschen die verdierlijking van ons menschelijk leven en de afgoderij een onloochenbaar verband, maar steeds zoo, dat er eerst de afgoderij is, dat deze afgoderij den toorn Gods opwekt, dat die toorn Gods er toe leidt, dat nu de volken in een verkeerden zin worden overgegeven, en dat als gevolg van deze overgave de verwildering en verfijnde verdierlijking intreedt. Om het kort uit te drukken, het bederf begint met de zonde tegen de eerste tafel der Wet, en het gevolg van die zonde tegen de eerste tafel, is dat God de natiën, als straf hiervoor, in de zonde tegen de tweede tafel der Wet laat verkankeren. Eerst hebben ze > de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis en het beeld van een sterfelijk mcusch, van een vogel of van een dier dat liep of kroop" (vs. 23). Daarop en > daarom heeft God hen overgegeven aan de begeerlijkheden huns harten", zie vs. 24. Nadat God ze aldus losliet, zijn ze gekomen > tot onreinigheid om hun lichamen onder elkander te onteeren", en > hebben ze het natuurlijk gebruik veranderd in een gebruik tegen nature", zie vs. 26. En ten slotte zijn ze er toe vervallen, niet alleen om dierlijkheid te bedrijven, maar om zelfs »een welgevallen te hebben", aan wie aldus zijn menschelijke eere wegwierp, zie vs. 32.

Dit stuk der historie, zoo schijnbaar eenvoudig als het daar staat, vereischt intusschen op meer dan één punt, nadere toelichting.

En dan zij er in de eerste plaats op gewezen, dat hier sprake is, niet van hetgeen plaats greep met eiken mensch, maar van hetgeen geschied is met ons menschelijk geslacht buiten Israël, gemeenlijk genoemd ïde volken." Dit onderscheid te maken is hier van belang, om gevrijwaard te blijven tegen geheel valsche voorstellingen. Op zichzelf toch is het volkomen waar, dat in Rom. i niet ééne zonde genoemd wordt, die niet evenzoo in Israël voorkwam, en niet eveneens ook in Christelijke landen nu nog het verbond Gods ontheiligd heeft. En al is ons van het menschelijk leven van vóór den Zondvloed op dit punt niets naders tot in bijzonderheden bekend, toch zal wel niemand betwijfelen, of ook in die dagen der algemeene ontreddering zal gelijke zonde om wrake geroepen hebben naar den Hooge. Maar als dit nu zoo is, indien aï de hier opgenoemde zonden en gruwelen ook vóór den Zondvloed, óók onder Israël, óók bij de gedoopte natiën, kortom in alle eeuwen en onder alle volken voorkwamen, hoe, zoo vraagt men zich af, is het dan te verstaan, dat Paulus het ons voorstelt, alsof deze verdierlijking eerst het gevolg ware van een latere loslating der volken door God? Immers vóór den Zondvloed Jezen we niets van afgoderij. Al wat Paulus in Rom. i zegt, kan dus niet slaan op de periode vóór den Zondvloed, maar moet doelen op den gang van het menschelijk leven «aden Zondvloed.

Deze schijnbare tegenstrijdigheid nu lost zich vanzelf op, zoodra slechts behoorlijk onderscheid wordt gemaakt tusschen het leven van de enkele personen op zich zelf, en dat gemeenschappelijk leven, dat ze als volken leiden. Zelfs in de' beste gezinnen en geslachten komt nu en dan een verloren zoon voor die verloren blijft. Voorbeelden van persoonlijke verbastering en verwildering vindt ge in de hoogste en in de laagste klassen der maatschappij. Zedelijke monsters zijn er altijd geweest. Maar natuurlijk is het heel iets anders, of ge uit een nobel geslacht een enkel slecht persoon ziet voorkomen, terwijl het geslacht nobel blijft, of wel dat ge zulk een geslacht zelf ziet verwilderen, en van den adel, die het eens kenmerkte, ziet vervallen in wereldzin, gelddorst, bedriegerij en onzedelijkheid. In het eerste geval houdt God door zijn gemeene gratie zulk een geslacht nog op, in weerwil van dat ééne kwade lid; maar in het andere geval is het geslacht zelf losgelaten. Het is heel iets aijders of er aan een overigens goeden boom een enkel waterlot uitschiet, of wel dat de.hooigj^ zelf verkankert. En dit zelfde ondersclicid gaat nu evenzoo bij de volken door. Onder geen volk, hoe hoog het ook sta, kan de lijfstraffelijke rechtspleging worden gemist, want onder alle volken staat nu en dan een moordenaar op; maar dit feit op zichzelf bewijst niet, dat daarom het volk als zoodanig verdorven is. Integendeel juist het feit, dat het volk den moordenaar met den dood straft, toont dat het nog geen gemeenschap wil hebben met zijn werken, maar die veroordeelt. Treedt daarentegen een toestand in, dat rooven en moorden dagwerk wordt, dat geheel de bevolking voor den moordenaar partij kiest, en dat niet de moordenaar, maar de rechter, die hem vonnist, dreigbrieven ontvangt, dan natuurlijk is het kwaad in het volk zelf ingeslopen, en is dat volk ingezonken en vervallen tot verwildering.

Hetgeen Paulus ons in Rom. i bericht, ontkent dus in het minst niet, dat al de daar opgenoemde zonden en gruwelen ook van te voren bekend waren, noch ook dat diezelfde zonden en gruwelen niet ook in Israël meermalen zijn voortgekomen, maar het stelt vast, dat alle deze zonden, die vroeger slechts sporadisch, d. i. een enkel maal, hier en daar, en bij enkele personen voorkwamen, en toen nog door de wet, door de publieke opinie en door de volksconsciëntie werden gewraakt en afgekeurd, van de ure af dat God die volken losliet en overgaf, het hart zelf dier volken hebben ingenomen, en de natiën zelven in haar levenskracht hebben aangetast.

Dit is zoo waar, dat, toen in Jesaja's dagen diezelfde ommekeer in de publieke opinie ook in Israël insloop, zoodat men ook te Jeruzalem in de gelagzalen de zedelijke orde omkeerde en het kwaad goed en de duisternis licht ging noemen, juist dit ergerlijke de verwerping van Israël en de Babylonische ballingschap ten gevolge had. Juist toch door dezen boozen ommekeer in het volksbewustzijn van Israël, maakte Israël zich aan de Heidenen gelijk, verviel daardoor met de Heidenen onder hetzelfde oordeel, en kon nu alleen homoeopathisch genezen worden. Israels hunkeren naar de levenswijs der Heidenen heeft het eerst afgeleerd, toen God het dwong, om in een heidensch land al de ellende vandeheidensche levenswijs van nabij te zien en zelf te ondergaan. Dat, en dat alleen, heeft, niet heel Israël als volksmassa, maar het > heilige zaad dat in Israël was overgebleven" (zie Jes. 6:12, 13) voorgoed van den gruwel der afgoderij genezen, en een opnieuw uitschieten van den afgehouwen tronk des volks mogelijk gemaakt.

Over de juiste beteekenis van dat 1: overgeven der volkeren" kan alzoo geen twijfel hangen. Het wil niet zeggen, dat er ook vroeger niet allerlei persoonlijke voorbeelden van verdierlijking en verwildering waren voorgekomen, maar, heel anders, dat er na den Zondvloed eerst een periode is doorleefd, waarin de natiën als zoodanig zulke gruwelen nog wraakten, straften en te keer gingen; maar dat er daarna een tweede periode intrad, waarin God ze losliet, zoodat de natiën zich tijdelijk met het kwaad verzoenden, het gif in het bloed van de leden des volks druppelden, en ten slotte als natiën geheel verwilderden en rijp werden voor den ondergang.

Een tweede toelichting, die hier niet kan gemist worden, is van geheel anderen aard. Ze betreft de vraag, of deze loslating van de volken, d.i. deze inkrimping en beperking van de gemeene gratie, plotseling zal zijn ingetreden, of wel van lieverlede, en alzoo van minder tot meerder zal zijn voortgegaan. En dan is er geen twijfel, of deze vraag moet in laatstgemelden zin beantwoord worden. Niet op eenmaal trok de gemeene gratie zich in die mate uit het leven der volken terug. Die terugtrekking had langzamerhand plaats, en zelfs moet er bijgevoegd dat ze in het ééne volk sterker was dan bij het andere. Op zichzelf weten we dat reeds uit de historie der volken. Te Sodom en Gomorra was het kwaad reeds in de dagen van Abraham zoover voortgeschreden, dat alleen de Doode zee ons nog heugenis brengt van de plek waar deze steden eens gebloeid hebben. En terwijl nu te Sodom en Gomorra het kwaad reeds tot dat uiterst was uitgebroken, vinden we in denzelfden tijd, vlak bij de Doode izee, een man als Melchizedek, die als priester-koning den Allerhoogste nog dient en den patriarch Gods zegent. Wie den toestand van de Negervolken, van de kannibalen, en zoo velen meer eenerzijds, met den toestand in Perzië, in Griekenlands heldentijdperk, en in de eerste tijden der Romeinsche republiek, anderzijds vergelijkt, ziet als voor oogen, hoe het bederf onder' verschillende volken op zeer onderscheiden tijden doorbreekt, en hoe het allerminst aangaat, al het leven der volken na den Zondvloed over één kam te scheren.

Er moet hier dus wel onderscheiden worden tusschen stam en stam, tusschen volk en volk, tusschen staat en staat, en dat op tweeërlei wijze.

Er zijn stammen en natiën, die naar hun zwakken aanleg altoos lang blijven staan, en er zijn andere volkeren aan wie van meet af een hooge roeping onder de volkeren beschoren, was. Laag stonden en bleven staan de Kanaanietische volkeren en de Negerrassen in Afrika, hoog stonden en tot groote dingen bestemd waren de Egyptenaren, de Perzen, de Grieken, de Romeinen. Vandaar dat bij de laag staande volken het booze kwaad zich veel spoediger, bij de hoog staande volkeren veel langzamer ontwikkeld heeft. Die laag staande volkeren zijn reeds melaatsch en verkankerd als de hooger staande volkeren nog eeuwen lang, dank zij de gemeene gratie, veelszins een nobel gelaat vertoonen. Maar ook in de tweede plaats moet bij elk volk onderscheid worden gemaakt tusschen de verschillende perioden, die zijn volksbestaan doorliep. Eerst een periode van naïef patriarchaal leven, daarna zekere periode, korter of langer van betrekkelijken bloei, en ten slotte een periode van verzwakking en uitputting, tot het volk daalt en wegzinkt, soms zelfs door andere natiën wordt opgeslokt en ten slotte verdwijnt. Er is alzoo eenerzijds een onderscheid tusschen het punt van uitgang der onderscheidene volkeren. De afstammelingen van Sem en Japhet beginnen met een ruimer deel van gemeene gratie te ontvangen dan de nakomelingen van Cham. Maar ook anderzijds is er onderscheid bij hetzelfde volk tusschen zijn opkomst, zijn bloei en zijn ondergang. En het is nu in dit geschiedkundig verloop, dat achtereenvolgens bij de onderscheidene volkeren het zich terugtrekken der gemeene gratie, en ^het overgeven van zulk een volk in een verkeerden zin''' plaats grijpt.

Onze derde toelichting van Rom. i raakt het onderscheid tusschen de onderscheidene stukken der gemeene gratie. ^

De gemeene gratie strekt zich uit tot geheel ons menschelijk leven, in al zijn verschijnselen. Er is een gemeene gratie die zich vertoont in orde en wet; er is een gemeene gratie die uitkomt in voorspoed en welvaart; er is een gemeene gratie die kenbaar wordt uit de gezonde krachtsontwikkehng en den heldenmoed van een volk; er is een gemeene gratie die schittert in de ontwikkeling van wetenschap en kunst; er is een gemeene gratie die een volk verrijkt door de vindingrijkheid in bedrijf en handel; er is een geriieene gratie die het huiselijk en zedelijk leven sterkt; er is eindelijk een gemeene gratie die [het religieuse leven voor al te diepe ontaarding behoedt. Voor wat het laatste betreft behoeft ge slechts den Islam met den dienst van Baal Peor te vergelijken, om terstond te gevoelen, wat krachtige werking der gemeene gratie er in Mahomedaansche landen op religieus gebied werkt. En wilt ge op ander gebied u het verschil van werking van de gemeene gratie klaar voor oogen stellen, vergelijk dan b. v. wat . ons vain de Egyptenaren in Mozes' dagen' en van de Batavieren in de dagen van Claudius Civilis wordt gemeld.

Bij de Egypteaaren een hooge ontwikkeling van wijsheid en van vaardigheid op allerlei gebied van kunst ea bedrijf, maar het sociale leven, blijkens de kaste-indeeling, en het zedelijk leven, blijkens Potifars vrouw, laag staande. Daarentegen bij .de Batavieren ontstentenis van die ontwikkeling in bedrijf, kunst of wetenschap, maar een gezelschappelijk en zedelijk leven, dat nog betrekkelijk gezond is.

Hieruit blijkt derhalve, dat de onderscheiden standen en bestanddcelen van de gemeene gratie volstrekt niet altoos samen op-en nedergaan. De gemeene gratie kan nog zeer krachtig werken in de verstandelijke ontwikkeling van een volk, terwijl de gemeene gratie zich op zedelijk gebied reeds bijna geheel uit datzelfde volk heeft teruggetrokken. Wat ons uit den kring van Socrates bericht wordt, hoe tot zelfs in dien kring der toenmalige wijzen allerlei onnatuurlijke zonde was doorgedrongen, terwijl er nog een diepte van inzicht stand hield, die ons thans nog verkwikken kan, toont genoegzaam, op wat gedeelde wijze de gemeene gratie werkt. De ééne lichtstraal trekt ze reeds terug, waar juist de andere lichtstraal vaak te sterker schittert. Het gewone spreekwoord : »Hoe grooter geest, hoe grooter beest, " drukt dezelfde waarheid met toépassmg op de enkele personen uit; maar juist datzelfde geldt ook voor de natiën en volken. Ze kunnen hoog staan in verstandelijke ontwikkeling, onderwijl ze zedelijk diep inzonken.

Bedenkt men nu dat Paulus, van wiens hand het bericht omtrent het overgeven der volkeren en de schildering van hun verval ons toekwam, Klein-Azië, Griekenland en Rome kende, en dus getuige was geweest, én van de goede staatsorde en ordelijke rechtsbedeeling die stand hield, én van de welvaart en de weelde waarin men zich destijds verheugen mocht, én van de hooge ontwikkeling van bedrijf en handel, van wetenschap en kunst, die de glorie van den keizerstijd uitmaakte, dan spreekt het toch wel vanzelf, dat hij, sprekende van de terugtrekking der gemeene gratie, niet kan bedoeld hebben, een zich terugtrekken van de gemeene gratie op elk gebied en in elk deel van haar werking. Integendeel, hij zag voor oogen, hoe de gemeene gratie op allerlei gebied zelfs krachtiger dan ooit doorwerkte. En alzoo kan zijn bedoeling geen andere geweest zijn, dan om dit > overgeven der volkeren, in verkeerden zin", uitsluitend te doen slaan op het zich onttrekken van de gemeene gratie aan de volkeren op godsdienstig en zedelijk gebied. Op ditttxrein gaf God de volkeren over in een verkeerden zin, en op dat terrein alleen, onderwijl zijn gemeene gratie op allerlei ander gebied wellicht nooit zoo sterk als destijds had uitgeblonken.

De inhoud van Rom, i bevestigt dit.

Immers waar Paulus de heillooze gevolgen van dit overgeven der volkeren, d. i. van deze terugtrekking Van de gemeene gratie, in bijzonderheden teekent, wijst hij ons uitsluitend op verschijnselen van zedelijk bederf, op onnatuurlijke zonden, op hoererij, op geldgierigheid, op ongerechtigheid, op nijdigheid, op moord, op bedrog, op kwaadaardigheid, op oorblazerij, op achterklap, op haat tegen God, op hoovaardij, op laatdunkenheid, op ongehoorzaamheid aan de ouders, op onverstandigheid, op verbondsbreuk, op gemis van natuurlijke liefde, op onverzoenlijkheid, op onbarmhartigheid, op handelen tegen beter weten in, op verkrachting der consciëntie, en op lust hebben aan het kwaad. Altegader dus verschijnselen die op het zedelijk gebied liggen, en niets inhouden, wat zou kunnen doen denken aan een onthouding van de gemeene, gratie op allerlei ander terrein. De zonde der volken was hun afval van God en hun vervallen tot afgoderij, en voor die zonde der afgoderij heeft God hen met de zonde der onzedelijkheid gestraft.

Dit worde echter niet zóó verstaan, alsof deze onderscheidene stukken der gemeene gratie los en zonder verband met elkander werkten. Er bestaat hier wel terdege verband. Verband tusschen de gemeene gratie op godsdienstig en zedelijk gebied; maar ook evenzoo verband tusschen de gemeene gratie op zedelijk gebied en op de overige terreinen des levens. Al is het toch dat een volk door de orde van Staat en door de rechtsbedeeling, door bedrijf en handel, door kunst en wetenschap nog een tijdlang bloeien kan, ook nadat het zedelijk verval is ingetreden, toch heeft dat zedelijk verval tot onvermijdelijk gevolg, dat ten slotte óók het lichaam verzwakt, de gezondheid wijkt, edeler zin op het gebied van wetenschap en kunst slapen gaat, de orde verbroken wordt, het recht inbuigt, ea ten leste de Staat zelf ondergaat en bezwijkt. — Dat is het dan ook, wat aan het toenmalig Griekenland en Rome is gezien. Het machtige Romeinsche keizerrijk, dat in Paulus' dagen uitwendig nog in zoo hoogen bloei stond, maar innerlijk reeds verkankerden zedelijk verdorven was, zonk ten slotte op elk gebied in, en ging ten leste smadelijk onder. Al is het dus 'dat Paulus vooralsnog de terugtrekking der gemeene gratie alleen op zedelijk gebied constateert, toch ligt in dit zedelijk verval tevens de profetie van een algeheellijk »overgeven" der toeomaals'toongevende volken. Als apostel des Heeren bespreekt hij alleen den wortel van alle hooger menschelijk leven. Maar natuurlijk, v/aar eenmaal de aanwezigheid van verkankering in den wortel van het leven dier volken niet langer te miskennen viel, was hiermede tevens uitgesproken, dat ook de stam met zijn takken ten verderve was opgeschreven. En in dien zin nu trok God zich uit de volken als zoodanig terug.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 januari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Dan de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 januari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken