Bekijk het origineel

Het uitgevallen stuk.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Het uitgevallen stuk.

30 minuten leestijd

Gelijk men zich herinnert was uit de Correspondentie over het ontslag van den heer Lohman één stuk van bcteekenis uitgevallen. Het was een schrijven van Curatoren aan Directeuren, waarvan men gemeend had, dat pubhcatie zonder toestemming van Curatoren niet aanging, onderwijl men verzuimd had dat verlof bij Curatoren aan te vragen.

Thans hebben Curatoren gemeend de uitgegeven Correspondentie door de publicatie van dit stuk te moeten aanvullen; en is men over en weer in staat te beoordeelen, of we gelijk hadden of niet, dat de weglating van dit stuk de collectie geheel onvolledig maakte.

Immers, gelijk uit den inhoud blijkt, hebben Curatoren juist in dit stuk hun standpunt principieel uiteengezet, en rekenschap gegeven van de door hen ingenomen positie.

Uit de overige stukken kende men wel het standpunt van den heer Lohman, maar niet dat van de Vrije Universiteit, overmits Directeuren zich ganschelijk niet uitspraken, en Curatoren het eerst deden in dit stuk.

Het is om deze ernstige beteekenis, dat we het stuk zelf hiermede aan onze lezers voorleggen.

Het was van dezen inhoud:

Velp., 28 September 1896.

AAN HEEREN DIRECTEUREN VAN DE VEREENIGING VOOR HOOGER ONDERWIJS OP GEREFORMEER­ DEN GRONDSLAG.

Hooggeachte Heeren!

Daar ons antwoord op uwe missive dd. 19 dezer eenigszins uitvoerig dient te zijn, komt dit iets later in; wilt ons dit ten goede houden.

Ook Curatoren hebben van het schrijvenvan Professor de Savornin Lohman van 12 Septeml^eï met diep leedwezen kennis genomen. En dit niet alleen, gelijk gij het uitdrukt, omdat in < X\\ schrijven »naast het principiëele verschil thans ook grieven van formeelen aard op den voorgrond treden; maar veel meer nog, omdat dit schrijven de laatste hoop doet verdwijnen, die bij u, evenals bij ons en bij alle vrienden der Universiteit, hoe zwak dan ook, toch leven bleef; dat namelijk deze Hoogleeraar ten slotte nog van zijne dwaling zoude terugkomen. Iets van zulk eene tóenadering scheen nog door te schemeren in een vroeger schrijven van zijne hand; maar uit dh laatste schrijven blijkt ten duidelijkste, dat deze opvatting, voor zoover zij bij u of ons mocht bestaan hebben, onjuist was. Voor dit feit nu staande, vervult het ook ons met diep leedwezen, dat het oog van dezen Hoogleeraar voor de hoogere waarde van de Calvinistische levens-en wereldbeschouwing boven andere niet open gaat; dat dientengevolge onze Universiteit een man door God met scnoone talenten begaafd, uit den kring zijner Hoogleeraren zal moeten missen; en dat, tot overmaat van ramp, deze scheiding dreigt te geschieden onder den indruk van eene correspondentie, die zijnerzijds, ook in publiek gemaakte stukken, reeds tot zoo scherpe en harde woorden aanleiding gaf; nu zelfs, zij het ook de onderdrukte, vermelding inhoudt van een mogelijk dagen van uw Collegie voor den burgerlijken rechter; aan geheel onze Vereeniging ten laste legt menschelijk gezag ten koste van het gezag van Gods Woord te willen oprichten; in zoo weinige jaren geheel van haar standpunt te zijn afgedwaald; en eindelijk aan Curatoren niets minder naar het hoofd werpt dan de beschuldiging van »rechtsverkrachting", geweldpleging", krenkende en in hooge mate beleedigende bejegening". Wel wordt, in tegenstelling met het Collegie van Curatoren, uw Collegie door den Hoogleeraar zeer in het oogloopend geprezen, om uw »onpartijdigheid en hoffelijke bejegening, " maar toch wordt ook u niets minder verweten, dan dat gij de quaestie, waarover het geding loopt, niet eens begrijpt. Een en ander kan inderdaad niet genoeg betreurd worden. Nochtans zijn wij het geheel met u eens, dat deze weinig broederlijke bejegening ons niet mag weerhouden, om tot het laaste toe elk middel aan te wenden, om, nu het tot scheiding komen moet, alle bijkomstige onaangenaamheid, zooveel het ons mogelijk is, uit den weg te ruimen. Wanneer onder belijders des Heeren zich een zoo scherp geteekend verschil van gevoelen openbaart, is het volkomen begrijpelijk, dat een aangevangen samenwerking ten slotte moet verbroken worden; maar bij die verbreking ware het dan zoo gewenscht, dat bij niet verhooring van ons gebed, om het inzicht beiderzijds nog te doen ineenvloeien, het uiteengaan in broederlijke gezindheid plaats had, zoodat men, zonder bitterheid, toonde, dat Christenbroeders, ook als zij scheiden moeten, anders scheiden dan de lieden der wereld. Nu vergeten Curatoren hierbij wel niet, dat de gevolgen van zulke scheiding voor wie heengaat, pijnlijker zijn dan voor wie blijven; maar het staat noch in hunne macht noch in de uwe om dit af te wenden; zij kunnen dus niet anders doen, dan met u over dit pijnlijke voor den broeder leed dragen.

Gaarne vermeld ik u, zoover ik mij her-

Wat nu betreft de verwijzing in uw schrijven, evenals in dat van Professor de Savornin Lohman, naar hetgeen op de Jaarvergadering te Leeuwarden door Professor Bavinck e. a. over de noodzakelijke gevolgen der aldaar aangenomen motie gezegd is, zoo hebben Curatoren zich tot dien Hoogleeraar zelf gewend, om te mogen vernemen, hoe hij zich te Leeuwarden had uitgelaten. Bereidwillig is door hem aan dit verzoek voldaan bij een schrijven van 22 September j.l. an dezen inhoud:

»inner, wat door mij te Leeuwarden werd ï gezegd.

sik zeide daar, dat het noch de bedoeling

svan de Commissie van Enquête noch die

ivan de motie was, om Professor Lohman

ïte verwijderen.

sDaarbij had ik niet het oog op de forïmeele quaestie, dat alleen HH. Directeuren

»op advies van Curatoren kunnen ontslaan, - — •hoewel ook dit juist is.

»Maar ik dacht aan art. ii vanhetRegle-»ment, waarbij de taak der Commissie om-»schreven werd.

»De C. v. E. was van den beginne aan »in verzoenenden geest werkzaam geweest. »Zij bedoelde oplo^ing in der minne. Maar ïdeze werd haar door Professor Lohman ïonmogelijk gemaakt.

lEn zelfs nu nog, met deze motie, zoo ïbeweerde ik, bedoelt de Commissie niet, »om Professor Lohman te verwijderen, maar »om hem, zoo mogelijk, tot andere gedachïten en tot terugkeer te brengen. En dat, »zeide ik, ware nog de schoonste en meest jgewenschte oplossing.

> Indien deze echter verkregen zal worden, > — zoo voeg ik er thans aan toe, — dan »is er van de zijde van Protessor Lohman > verandering van standpunt en opvatting »noodig. Professor Lohman heeft èn in zijn »antwoord op den aanval op Seinpost, èn »in zijn te Leeuwarden ingezonden bezwaar-»schrift tegen de motie, dit zelf duidelijk en «openlijk verklaard."

In geheel gelijken geest sprak ook de Curator Heemskerk zich uit. En als collega's voegen wij er gaarne aan toe, dat ook onze opinie zoo was en gebleven is. Geen onzer heeft ooit eene andere bedoeling gehad, dan om Professor de Savornin Lohman van dwaling te overtuigen en tot het inzicht en de verwerping van die dwaling te brengen, opdat hij voor onze Universiteit mocht behouden blijven. Nog zou, zelfs nu, niets ons hartelijker verheugen, dan dat Professor de Savornin Lohman, de waarheid uitgedrukt in de Leeuwarder-motie inziende, zijne aanvrage om eervol ontslag introk.

Wat het tweede punt aangaat, n. 1. het besluit van Curatoren, om voor de colleges over staatsrecht en strafrecht later mededeeling op den Series Lectionum aan te kondigen, ook hieromtrent zal onze inlichting niets aan duidelijkheid te wenschen overlaten.

Professor de Savornin Lohman had reeds in September des vorigen jaars in publieke geschriften verklaaid, eene verklaring door de dagbladpers allerwege overgenomen, dat het blij; ven aan de Vrije Universiteit hem onmogelijk was geworden; dat > hem niet anders overbleef" dan, zoolang de nieuwe richting uitdrukkelijk of stilzwijgend aanvaard werd, zich aan de Vrije Universiteit te onttrekken^ en dat hij zijn antwoord moest publiceeren, omdat ide redenen die hem tot heengaan noopten^ aan de kennisneming van het publiek niet mochten worden onthouden." Zoover ging hij zelfs, dat hij uitsprak > dat aanblijven niet geraden zou zijn, " ook al greep het engeloojlijke plaats^ dat de Vereeniging hem principieel in het gelijk stelde. Geheel dezelfde overtuiging heeft Professor de Savornin Lohman nogmaals uitgesproken in zijn briefaan de Commissie van Enquête van 4 Februari dezes jaars. En ten overvloede heeft hij in zijn aan de Jaarvergadering te Leeuwarden ingezonden protest ten derden male verklaard, 5 de Vereeniging niet langer te kunnen dienen, " althans niet bijaldien de voorgestelde motie mocht worden aangenomen. Welnu, op 2 Juli heeft de Vereeniging zich uitgesproken en, niet stilzwijgend maar uitdrukkelijk, aanvaard, wat Professor de Savornin Lohman noemde »de nieuwe richting". Zij heeft hem principieel in het ongelijk gesteld door de voorgestelde motie aan te nemen. Wetende, dat Professor de Savornin Lohman is een man van zijn woord, mochten Curatoren mitsdien op grond van deze feiten tot geene andere slotsom komen, dan dat Professor de Savornin Lohman in geen geval na de aanneming der motie de Vereeniging meer zou kunnen dienen; wat hier zeggen wil, geen colleges meer zou geveA; maar doen zou, wat hij dan nu ook, twee en eene halve maand later deed, zijn verzoek indienen om eervol ontslag. Hoe, zoo oordeelden Curatoren, konden dan op den Series colleges van Professor de Savornin Lohman worden aangekondigd waarvan te voren vast stond, dat Professor de Savornin Lohman die in geen geval geven zou r De Series strekt, om aan het studeerende publiek aan te kondigen, welke colleges zij zullen kunnen hooren. Ware het dan niet bewuste misleiding van het publiek en vervalsching van den Series geweest, indien op dien Series colleges waren aangekondigd, waarvan naar de eigen stellige verklaring van Professor de Savornin Lohman vaststond, dat die na het te Leeuwarden gevallen besluit niet door hem zouden gegeven worden? Zij mochten dit niet doen, en deden het ook niet; zij hebben daarbij gehandeld in overeenstemming met de verklaring van Professor de Savornin Lohman, reeds op 31 Mei '96 voor den Series gegeven: ^omtrent den Series voor iSgó/'gy heb ik niets te berichten."

Dit nu is er aan van de beweerde »rechts verkrachting, " jgeweldpleging" en skrenkende, onrechtmatige en in hooge mate beleedigende bejegening." Intusschen erkennen Curatoren, dat het wenschelijk ware geweest, dat zij hun besluit omtrent den Series niet ter elfder ure hadden behoeven te nemen. Doch hoe is dit gekomen? Elk onbevooroordeelde zal toestemmen, dat men, na de ondubbelzinnige en pertinente aankondiging van Professor De Savornin Lohman, dat hij in elk geval heenging, 5> ook al greep het ongelooflijke en onaannemelijke plaats" dat de Jaarvergadering hem principieel gelijk gaf, thans nu de Jaarvergadering hem principieel in het ongelijk stelde, - zijne aanvraag om eervol ontslag, terstond na de jaarvergadering had te gemoet te zien. Curatoren konden het zich dan ook niet anders voorstellen, dan dat die aanvraag reeds in JuU zou zijn ingekomen; te meer, daar Professor de Savornin Lohman in zijn gepubliceerd antwoord op blz. 70 vv. in den breede verklaard had, dat hij zijne aanvraag om ontslag alleen uitstelde, ten einde er over het principiëele geschil een besluit mocht vallen, en alle schijn mocht gemeden, als onttrok hij zich aan de enquête. Nu die enquête afgeloopen en de beslissing gevallen was, verviel derhalve, naar zijne eigen verklaring, elke verdere reden van uitstel. Dit nu, zoo oordeelden Curatoren, ontsloeg hen van eiken maatregel van pijnlijke plichtsbetrachting, gelijk die, voor hun CoUegie en voor het uwe, uit de Leeuwarder-motie anders ware voortgevloeid. Juist ter voorkoming van alles wat onaangenaam kon aandoen, stelden zij de vaststelling van den Series, wat anders niet pleegt te gebeuren, mt tot tegen het einde dervacanjip. Toen echter op 25 Augustus, d. i. anderh"e maand na de Jaarvergadering, nog geen aanzoek om ontslag was ingekomen, en de tijd drong om met den Series gereed te komen, hebben zij van hun voornemen, om de colleges van het staats-en strafrecht niet op den Series aan te kondigen, aan Professor de Savornin Lohman, zonder dit voornemen te motiveeren, mededeeling gedaan. In zijn op dat schrijven van 25 Augustus ingekomen antwoord verzette Professor de Savornin Lohman zich hiertegen met geen woord. Dit stilzwijgen konden Curatoren niet anders opvatten dan in dien zin, dat hij dit zelf natuurlijk vond, en daarom er niet op ant­ woordde. Eerst daarna hebben Curatoren het desbetreffende besluit genomen en dit zonder motiveering ter kennisse van Professor de Savornin Lohman gebracht. Hadden Curatoren door dit besluit hel geven van onderwijs door Professor de Savornin Lohman bedoeld af te snijden, dan natuurlijk zouden zij een heel anderen weg hebben ingeslagen, en hem eerst ter schorsing aan u hebben voorgedragen. Nu daarentegen hun besluit rustte op de pertinente verklaring van Professor de Savornin Lohman zelven, scheen juist elk betoon van macht hun min gewenscht. Bijaldien er derhalve in dit besluit iets hinderlijks voor Professor de Savornin Lohman lag, dan moet dit geheel en uitsluitend verklaard worden uit de onzekerheid, waarin Professor de Savornin Lohman van 7 Juli tot bijna half September, d. i. meer dan twee volle maanden. Curatoren liet, omtrent de uitvoering van zijn reeds in September 1895 aangekondigd voornemen om heen te gaan. Eindelijk de noodzakelijkheid om aan die onzekerheid een einde te maken inziende, hebben Curatoren u dan ook bij missive van 8 September j. 1. verzocht daaromtrent eene pertinente verklaring van Professor de Savornin Lohman te willen uitlokken. Ten slotte blijkt de volkomen afwezigheid van eiken toeleg ora Professor de Savornin Lohman te krenken wel het duidelijkst daaruit, dat zij, vernemende in wat kwaden zin hij het besluit van Curatoren opvatte, liever tegen reglement en usantie in den Series voorshands niet publiceerden, dan ook maar iets te doen, waardoor het onaangename in de wederzijdsche verhoudingen voor Professor de Savornin Lohman zou verscherpt worden.

Naar Curatoren verwachten durven, zal hunne handelwijze ten dezen ook door u gewaardeerd worden, en zal u met het bovenstaande alles verstrekt zijn, wat u noodig is, om aan Professor de Savornin Lohman duidelijk te maken, dat er in dit alles van »rechtmatige grieve" geen sprake kan zijn.

•Hiermede zoude hun schrijven ten einde kunnen loopen, bijaldien uit de ons toegezonden bijlage niet bleek, dat er bij Professor de Savornin Lohman no^ altoos voorstellingen bestaan, die, nu zij ter onzer kennisse zijn gebracht, onzerzijds niet onweersproken mogen blijven. In de eerste plaats merken^ Curatoren op, dat Professor de Savornin Lohman het voorstelt, alsof de Vereeniging in de jaren die sedert 1879 verliepen, haar oorspronkelijk standpunt verlaten had, en tot een' tegenovergesteld standpunt ware overgegaan, terwijl hij genoegzaam alleen het ware, oorspronkelijke standpunt bleef handhaven. Soortgelijke bewering is in de geschiedenis van kerken of vereenigingen, zoodra er verschil over het beginsel rees, herhaaldelijk opgeworpen; maar even vast staat, dat de onpartijdige rechter der historie zulk beweren steeds als onaannemelijk heeft verworpen. Na lang verloop van tijd is zijlk een afglijden van het oorspronkelijk standpunt zeker denkbaar, overmits de stichters dan door een jonger geslacht vervangen worden, maar niet binnen het kort verloop van zeventien jaren. Ook staat men bij zulk eene verandering van standpunt nooit zoo goed als alléén tegenover allen, maar staat de ééne groep tegenover de andere, en vindt de man die tot het oorspronkelijk standpunt terug roept, breeden steun en aanhang bij de leden. Hier daarentegen waar de ledenvergadering met zoo goed als algemeene stemmen zich uitsprak, en heel de Commissie van Enquête op het hoofdpunt homogeen was, en de CoUegiën van Directeuren, Curatoren en Hoogleeraren het door Professor de Savornin Lohman als 5> nieuwe richting" aangeduide standpunt, voor het oude en oorspronkelijke en eenig houdbare verklaren, kan de bewering van Professor de Savornin Lohman, alsof allen afweken en hij alleen getrouw bleef, gevoegelijk aan het oordeel van den rechter der historie worden overgelaten.

In de tweede plaats spreekt het vanzelf, dat bijaldien uw CoUegie tot het verkenen van ongevraagd ontslag aan Professor de Savornin Lohman had moeten overgaan, dat ontslag naar eisch gemotiveerd zou zijn. Curatoren hebben er niet anders over gedacht. Maar evenzoo spreekt het vanzelf, dat noch uw Collegie noch ook het onze ooit kan gehouden zijn, aan Professor de Savornin Lohman die motiveering nu, in afgewerkte formuleering, mede te deelen, nu zelfs het voorstel tot het verkenen van ongevraagd ontslag bij onze Collegies nog niet aanhangig is gemaakt. Alle verwijt dienaangaande in de jongste missive van den Hoogleeraar weerlegt alzoo zichzeli.

In de derde plaats gaat Professor de Savornin Lohman van de veronderstelling uit, alsof uw Collegie en het onze de te Leeuwarden aangenomen motie terzijde had kunnen leggen. In één geval nu is dit zeker, ten deele althans, denkbaar. Indien namelijk uw Collegie of het onze, tegenover het standpunt door de Jaarvergadering ingenomen, uit overtuiging aan Professor de Savornin Lohman gelijk gaf, zou op dit Collegie de verplichting rusten, om door aanvoering van gronden de Vereeniging zoo mogelijk van ongelijk te overtuigen; maar dan ook, om, slaagde men hier niet in, als Collegie te verklaren, dat men de vereeniging niet langer dienen kon. Maar het gaat niet aan te zeggen, dat de Collegies van Directeuren en Curatoren eene uitlegging aangaande het hoofdartikel in de statuten, tegen de uitlegging van de Vereeniging in, in den boezem der Vereeniging zouden kunnen handhaven.

Die statuten zijn niet door Directeuren, noch door Curatoren, maar door de Vereeniging vastgesteld. Alleen deze heeft dies het recht om die te wijzigen, en het recht om die bindend uit te leggen. Gelukkig heeft zich dan ook geen strijd over dit punt voorgedaan, en uw Collegie zoowel als het onze heeft de besHssing die te L. viel, als College onvoorwaardelijk aanvaard. Maar juist hieruit volgt dan ook, dat onze Colleges, geroepen om zorg te dragen, dat het te geven onderwijs geheel en uitsluitend op den grondslag der Gereformeerde beginselen ruste, onverantwoordelijk zouden handelen, indien zij desniettemin een onderwijs lieten doorgaan, waarvan de Jaarvergadering verklaard heeft, dat het niet aan de gestelde voorwaarde beantwoordt. Alle pogingen, om het aan die voorwaarde alsnog te doen beantwoorden, zouden uit den aard der zaak op onzen weg kunnen liggen; maar nimmer zou het te verantwoorden zijn, indien wij een onderwijs, dat naar het souvereine oordeel der Jaarvergadering hieraan azV^beantwoordt, ongewijzigd lieten doorgaan. Eindelijk wordt door Professor de Savornin Lohman de voorstelling gegeven, alsof de beslissing der Jaarvergadering inhield, dat onze Vereeniging het Gereformeerde beginsel verlaten had, door buiten Gods Woord, in eenig menschelijk woord een de conscientie bindend gezag op te werpen. Dexe voorstelling houdt eene beschuldiging in, en wel eene van zeer ernstig karakter, die Curatoren, voor wat hen aangaat, dan ook onder de oogen wenschen te zien.

De stelling, waarvan Professor de Savornin Lohman uitgaat, beamen Curatoren volmondig. De conscientie van den Christen is formeel door niets gebonden dan door Gods Woord. Zij gaan hierin zelfs nog verder dan Professor de Savornin Lohman, en laten ten dezen zelfs geen uitzondering voor de belijdenisschriften der kerken toe. Belijdenisschriften zijn menschelijke geschriften, slechts onder relatieve leiding des Heiligen Geestes, niet onder absolute ingeving tot stand gekomen. Uit dien hoofde kunnen zij nooit de conscientie binden, maar blijven altoos appellabel aan het Woord Gods. Indien dan ook eenige Gereformeerde kerk zich opwierp, om voor haar belijdenisschriften een gezag op te eischen, dat de conscientie zoude binden, hield zij hierdoor op eene Gereformeerde kerk te zijn. De Nationale Synode te Dordrecht heeft in 1618 zulk beweren dan ook geheel verworpen, en nooit een laatste bewijs voor den grond der waarheid anders dan uit de Heilige Schrift toegelaten; geheel in overeenstemming hiermede, heeft onze Vereeniging in Art. 2 van hare stastuten, ter afsnijding van misverstand, dan ook litdrukkelijk verklaard, zelfs voor de Theologische faculteit geen ander gezag aan de Formulieren van eenigheid toe te kennen, dan gemelde Synode hieraan toegekend had. Wel verre dus van te achten, dat Professor de Savornin Lohman zich tea deze te sterk heeft uitgedrukt, oordeelen Curatoren veeleer, dat zijne voorstelHng van het formeele beginsel der Gereformeerden niet scherp genoeg is uitgedrukt. Aan de conscientie noch van eenig lid der Vereeniging, noch van Directeuren en Curatoren, noch van eenigen Hoogkeraar, wordt dan ook door onze statuten of door de uitlegging er van, eenige band hoegenaamd aangelegd. Niemand wordt genoodzaakt Lid, Directeur, Curator of Hoogleeraar te worden, dan voor zooverre hij zelf erkent, dat zijne^ overtuiging met den grondslag der Vereeniging overeenstemt. Ook wordt niemand genoodzaakt Lid, Directeur, Curator of Hoogleeraar te blijven, wanneer hij tot het inzicht komt, dat zijne persoonlijke overtuiging van die der Vereeniging afwijkt. Elke verhouding, waarin men als Lid, Directeur, Curator of Hoogleeraar tot de Vereeniging treedt of staat, ontstaat door vrije wilskeuze; uitteraard kan er, waar de band door vrije wilskeuze wordt gelegd, van een binden der conscientie noch in eigenlijken, noch in overdrachtelij ken zin, ooit onder eenig opzicht sprake zijn.

Even weinig kan gezegd worden, dat, afgezien van den formeekn band, dan toch de Hoogleeraar, bij zijn onderzoek van de waarheid, in zijne conscientie aan het menschelijk gezag van de Vereeniging of hare organen zal gebonden zijn. Wij althans achten, dat niet één onzer Hoogkeraren, mocht hij op grond van zijn onderzoek tot de overtuiging komen, dat niet de Gereformeerden maar de Lutherscfien gelijk hadden gehad, en dat derhalve de Vereeniging de waarheid niet diende maar bestreed, de waarheid voor de Vereeniging in den steek zoude laten, , gelijk onze belijdenis zegt: de waarheid gaat bovenal. Dat strekt zelfs zoover, dat indien iemand, die, gelijk thans zoovele beoefenaars der Godgeleerdheid, tot de overtuiging kwam, dat het gezag van Gods Woord in de Heüige Schrift niet onfeilbaar is, in zijne conscientie gehouden zou zijn, niet om tegen zijne overtuiging in dit gezag te prediken, maar om het krachtens zijne overtuiging te bestrijden. Kwam alzoo een Hoogleeraar aan onze stichting tot de overtuiging, dat onze statuten niet met de waarheid in overeenstemming zijn, dan zou hij nimmer zijne conscientie door de statuten mogen laten binden, maar eerst op wijziging der statuten moeten aandringen; en trad de Vereeniging hier niet in, de Vereeniging moeten veroordeekn door haar te verlaten.

De grondfout in dezevvoorstelling schijnt dan ook te zijn, dat Professor de Savornin Lohman niet recht onderscheidt tusschen de organische en de mechanische samenleving onder menschen. In het gezin en in den staat is de samenleving organisch ontstaan; daarom zou een vader in zijn gezin of een koning in zijn land de conscientie binden, zöo hij geene andere overtuiging dan de zijne in gezin of staat toeliet. Dat is de fout der overheid geweest, toen zij, zelfs met behulp der inquisitie, onderzocht of iemand ook eene andere overtuiging was toegedaan, en zoo ja, hem opsloot, bande of doodde. Dat is de conscientie binden. Daarom moet in de organische samenleving steeds voor vrijheid van conscientie-overtuiging en gedachtenuiting gewaakt worden. Maar heel anders staat het natuurlijk bij de mechanische samenwerking, die door het in elkander zetten van eene vereeniging ontstaat. Men kiest zijn gezin niet, maar wordt er in geboren; men kiest geen vaderland, maar groeit er in op. Eene vereeniging daarentegen wordt door menschen ineen gezet; niemand komt er in dan door eigen keuze, gegrond op vrije overtuiging. Zij, die zulk eene vereeniging oprichten voor een hooger doel, b. v. om eene bepaalde levens-en wereldbeschouwing beter te keren verstaan, te verdedigen en voort te planten, beginnen dan ook niet met naar de waarheid te zoeken; omgekeerd verklaren zij gemeenschappelijk, dat zij deze en die overtuiging hebben, daarvan uitgaan, en daarvoor ijveren willen. Allerlei staat dus a priori voor hen vast. Dat a priori voor hen vaststaande leggen zij ten grondslag aan hunne vereeniging, en binnen hun kring kan die grondslag niet in geschil komen. Die grondslag is niet eene waarheid die zij zoeken, maar waarvan zij uitgaan. Zij verklaren zelven in hunne conscientie aan dien grondslag gebonden te zijn. Zelfs leggen zij dien band tusschen dien grondslag en hunne conscientie niet, maar gaan van liet bestaan van dien band uit. In het organische samenleven der menschen kan en mag natuurlijk geredetwist worden over de vraag, of het gebruik van sterken drank nuttig of schadelijk is; als eenige tegenstanders van den sterken drank mechanisch eene vereeniging ter bestrijding er van in elkander zetten, is in die vereeniging elk geschil over de vraag of sterke drank schadelijk dan wel nuttig is, uitgesloten. Dat sterke drank schadelijk is, geldt a priori als de gemeenschappelijke overtuiging, die, , den grondslag der vereeniging uitmaakt. Wie lid dezer vereeniging is, is dus wel aan dien grondslag gebonden, maar juist door zijne conscientie. Zoodra zijne conscientie een tegenovergesteld getuigenis mocht geven, zoude hij zijn lidmaatschap opzeggen en daardoor zijne volstrekte vrijheid handhaven.

Zoo is nu onze Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden grondslag niet eene organische samenleving, maar mechanisch in elkander gezet door een zeker aantal menschen, die de overtuiging waren toegedaan, dat niet de moderne, niet de ethische, niet de Roomsche, niet de Luthersche, niet de Doopersche, maar de Gereformeerde levens-en wereldbeschouwing contorm Gods Woord is; en dat die dus als een hun toevertrouwd, heilig pand wetenschappelijk behoorde .uiteengezet, bepleit, en bij de studeerende jongelingschap gepropageerd te worden.

Dienovereenkomstig spraken de stichters onzer Vereeniging dan ook niet van séén Gere­ formeerd beginsel, " maar van xfij Gereformeerde beginsek»". In het afgetrókkene ware het zeker denkbaar geweest, dat eene vereeniging ware opgericht uitsluitend op het ééne formeele beginsel, dat het gezag van de Heilige Schrift alle onderwijs beheerschen moet. Het ware zeker uitermate onpractisch geweest* Maar ware eenmaal op dit éene formeele beginsel de vereeniging opgetrokken, dan zou Professor de Savornin Lohman gelijk hebben, als hij beweert, dat door zich hieraan te houden de eisch der statuten tot zijn recht komt. Zoo is het echter niet geschied. Onze Vereeniging staat op den grondslag niet van een formeel beginsel, maar op den grondslag tder Gereformeerde beginsel^ï". Alzoo wordt aan den eisch onzer statuten dan eerst voldaan, wanneer het onderwijs in al onze scholen geheel en uitsluitend rust op die onderscheidene, ook materiëek beginselen, waaruit het geheel eigenaardig karakter van de Gereformeerde of Calvinistische levens-en wereldbeschouwing is opgekomen, en waardoor het bepaald wordt. Iets wat natuurlijk ook geldt voor het staatsrecht; want ook het staatsrecht heeft zich in die landen, die den invloed van het Calvinisme ondergingen, op in het oogloopende wijze anders ontwikkeld en gevormd, dan in de landen die onder Roomschen, Lutherschen of revolutionairen invloed stonden.

Vraagt men nu, of een Hoogleeraar bij het onderwijs aan onze school dus niet anders zou te doen hebben, dan, voor zooveel zijn vak aangaat, dit historisch gegevene te constateeren, en van daaruit critiek op het in Nederland bestaande uit te oefenen, zoo aarzelen Curatoren niet te verklaren, dat zij deze vraag beslist ontkennend beantwoorden. Alzoo opgevat zou het geen wetenschappelijk hooger onderwijs zijn. Integendeel hetgeen uit de Gereformeerde beginselen voortvloeit, moet evenals die beginselen zelve, evenzeer è posteriori voor de rechtbank der waarheid gehandhaafd worden, als het a priori door de Vereeniging als waar is aangenomen. Dit onderzoek en die bewijsvoering kan zelfs niet volstaan met op de Heilige Schrift terug te gaan. In de Theologische faculteit moet ook de grond van het Schriftgezag onderzocht en waar gemaakt worden. Ja, zelfs de eerste lineamenta en stellingen van waaruit hiervoor het betoog wordt gevoerd, moeten, evenals de methode waarnaar dit geschiedt, tot op den laatsten grond in ons menschelijk bewustzijn getoetst worden.

Dit sluit dus ook, op zichzelf genomen, de mogelijkheid in, dat dit onderzoek tot de overtuiging leidde van de onhoudbaarheid van wat de Vereeniging k priori aannam en beleed. Ware dit zoo, dan zouden de leden, wijl de waarheid bovenal gaat, de Vereeniging ontbinden moeten. Of ook als een Hoogleeraar voor zichzelf tot zulk resultaat kwam maar zonder dat de Vereeniging hierdoor in hare overtuiging geschokt werd, zoude de Vereeniging stand houden, en hij uit liefde tot de waarheid van haar scheiden.

Hoewel Curatoren derhalve de stelling, waarvan Professor de Savornin Lohman uitgaat, niet slechts beamen, maar zelfs veel te zwak door hem uitgesproken vinden, werpen zij verre van zich niet slechts de beschuldiging, maar zelfs elk vermoeden, alsof de vereeniging die zij dienen, eenig menschelijk gezag als bindend voor de conscientie van wien ook, aanvaarden zoude.

Intusschen kan zich uit den aard der zaak bij zulk eene mechanische saamwerking ook een ander geval voordoen; en zij achten het niet onwaarschijnlijk, dat dit geval hier metterdaad aanwezig is. Het kan namelijk gebeuren, en komt meermalen voor, dat zulk eene vereeniging ineen wordt gezet door broeders, die volkomen ter goeder trouw waanden, dat zij elkander goed begrepen; en dat toch van achter bleek, dat de i\ prioristische stellingen, die men saam aan eene vereeniging ten grondslag legde, door den een anders dan door den ander verstaan, begrepen' en bedoeld zijn. Dit verschil bleef dan daardoor bedekt, dat men begrijpelijkerwijs ach bij de stichting bepalen moest tot het formuleeren van eene algemeene stelling, en dat de gelegenheid ontbrak, om de strekking van zulk eene stelling in haren vollen omvang voor elkaar af te teekenen. Later komt dit dan vanzelf aan het licht; en het is hieruit, dat alsdan zulke pijnlijke ongelegenheid geboren wordt. Beide partijen meenen dan, en beweren, dat hetgeen zij nader uitwerkten, in de grondstelling lag; beiderzijds kunnen zij zich niet anders voorstellen, dan dat de ander afweek en zij ge trouw bleven. Daaruit ontstaat dan eerst wrijving, en allengs tegenstelling. Dan kan men voorzeker eerst beproeven elkaar te overtuig; maar zoo dit niet gelukt, — en vaak wordt onder de gedachtenwisseling de tegenstelling veeleer nog verscherpt, — dan blijft er geen andere uitweg over, dan dat de Vereeniging zich op haar wettige ledenvergadering uitspreke. Is dan eenmaal eene keuze gedaan, en eene beslissing gevallen, dan is het mogelijk, dat juist die beslissing, vooral zoo zij zoo goed als eenparig valt, op de voorstanders van het tegenovergestelde gevoelen een* ontdekkende uitwerking hebbe, en hen tot het inzicht brenge, dat zij zich vergisten. Is dit echter niet het geval, dan blijft niet anders dan scheiden over, naardien alsdan blijkt, dat men het niet eens is over die a prioristische stellingen, waarover men het dacht eens te zijn. Alleen door te onderstellen dat dit metterdaad ook in het onderhavig geding het geval was, kunnen Curatoren het zich verklaren, dat Professor de Savornin Lohman heel de Vereeniging met al de collegies van Directeuren, Curatoren en Hoogleeraren in dezen beschuldigt van de ware en oorspronkelijke bedoeling te zijn afgeweken; het alleen bindend gezag van Gods Woord te hebben prijs gegeven; en hem onrecht aan te doen door geen vrede te nemen met zijne opvatting van den eisch der Gereformeerde beginselen. Alsook, dat hij inmiddels verklaart zelf bij zijn optreden als Curator en Hoogleeraar nooit een ander gevoelen te zijn toegedaan geweest dan thans; zijn onderwijs altoos op de Gereformeerde beginselen, naar zijne opvatting, te hebben doen rusten; en thans zoo goed als de eenig getrouwe te zijn, die de oorspronkelijke bedoehng der vereeniging tegen haar zelve en tegen de tiietiive richting., gelijk hij het noemt, verdedigt.

Het recht hiertoe betwisten de' Curatoren hem niet; maar met geheel hetzelfde recht stel| len zij daar dan ook de voorstelling tegenover, dat er blijkbaar èn bij de toetreding van den heer de Savornin Lohman als lid, èn bij zijn optreden als Curator, èn bij zijn optreden als Hoogleeraar, blijkbaar een misverstand bij hem bestaan heeft èn omtrent den grondslag onzer Vereeniging, èn omtrent de bedoeUng waarmede de Vereeniging op dien grondslag is opgericht. Dit misverstand is ontstaan, niet door gemis aan goede trouw, hetzij zijnerzijds, hetzij van de zijde der vereeniging, maar uit de omstandigheid dat de mogelijkheid zoowel voor hem ^s voor de vereeniging alsnog ontbrak om zich duidelijk en klaar genoeg uitte spreken; — dat sinds echter dit verschil voor den dag ge­ komen is, en de Vereeniging het haar voorgeschreven middel heeft aangewend, om het noodige licht hierover te ontvangen; — dat dit licht voor haar is ontstoken, en zij bij dat licht zich principieel over het hangende geschil met zoo goed als eenparige stemmen en op eene wijze voor geen tweeërlei opvatting vatbaar heeft uitgesproken ; • — en ten laatste dat na deze gevallen besUssing heel de vereeniging, en met haar Directeuren en Curatoren, niets vuriger zouden begeeren, dan dat Professor de Savornin Lohman uit volle overtuiging zich tot de gevoelens der vereeniging bekennen mocht; maar ook, dat, zoo hij als eerlijk man verklaart dit niet te kunnen doen, de vereeniging harerzijds dan ook niet langer den dienst van zijn onderwijs genieten kan.

Logisch volgt hieruit, dat bij dezen stand van zaken slechts drieërlei mogelijk was: óf dat Professor de Savornin Lohman openlijk verklaarde in overtuiging gewijzigd te zijn; óf dat hij zelf heenging; óf dat de vereeniging hem ontsloeg. Tot dit laatste echter behoefde de vereeniging, en dit verheugt ons, niet over te gaan, nu Professor de Savornin Lohman openlijk en pertinent verklaard had heen te zullen gaan; en het is alleen in afwachting van de uitvoering van dit stellig aangekondigd voornemen, dat de Curatoren zich deze maanden van het nemen van eenigen naderen maatregel onthouden hebben. Bij zulk een geheel natuurlijken loop van zaken, die zijn oorzaak alleen vindt in onze menschelijke beperktheid, behoeft noch van de eene, noch van de andere zijde van min goede trouw, of min zuivere eerlijkheid sprake te zijn; en kan niet alleen, maar moet al wat naar harde woorden of scherpe uitdrukking gelijkt, beiderzijds worden gemeden. Aan de hardheid zelve die in zulk eene droeve uitkomst ligt, is echter niet te ontkomen, tenzij men overga op het standpunt der Rijksuniversiteiten, elk beginsel op zij zette, en de richting van het hooger onderwijs alleen door een minister bepalen late.

Al betreuren Curatoren dan ook het feit, dat Professor de Savornin Lohman ook in dit stuk Professor Kuyper nogmaals in het geding mengt en een nieuwen aanval tegen hem richt, zoo wenschen zij hunnerzijds, juist ter vermijding van al wal prikkelen kon, hierop niet in te gaan.

Moet thans ook naar uwe overtuiging alle hoop, dat Professor de Savornin Lohman alsnog van zijne dusver gekoesterde overtuiging aflate, en tot die der vereeniging met vollen harte zal overkomen, helaas, als ijdel worden beschouwd, dan kunnen Curatoren u niet anders adviseeren, dan op het door Professor de Savornin Lohman ingediende verzoek in toestemmenden zin te antwoorden, en hem eervol ontslag uit zijne betrekking als hoogleeraar aan de Vrije Universiteit te verkenen. Met weemoed in het hart zullen Curatoren hem zien heengaan, maar ook hun gaat de waarheid bovenal, en om der beginselen wille moeten wij ook het pijnlijkste als Christenen weten te dragen. Een advies, dat zij echter niet uitbrengen, zonder er bij te voegen, dat zij den dag zegenen zouden, waarop de heer de Savornin Lohman, maar dan in overtuiging geheel met de vereeniging homogeen, in zijn ambt kon worden hersteld.

Uwe uitdrukking: op de meest eervolle wijze., laat Curatoren intusschen in eenige onzekerheid. Zij verstaan niet recht, wat hieronder door u bedoeld wordt. De meest eervolle wijze om eenen hoogleeraar ontslag te geven, is dat men hem wel ontsjaat van dienst, maar den titel van hoogleeraar met zitting in den Senaat, en vol tractement laat houden. Was dit uwe bedoeling ? Indien ja, dan zullen zij hierover wel nader gehoord worden. Is daarentegen deze uitdrukking door u in dien zin bedoeld, dat er eenvoudig eervol ontslag mede wordt aangeduid, dan kan elk nader hooren achterwege blijven.

Eindelijk merken Curatoren nog op, dat terugbetaling van gestorte gelden uit het pensioenfonds natuurlijk niet zou kunnen plaatshebben, dan met toestemming van de overige hoogleeraren, die deelgenooten in dit pensioenfonds zijn. En hiermede uwe missive beantwoord hebbende, achten Curatoren dat door dit schrijven elke onduidelijkheid over het door hen ingenomen standpunt zal zijn weggenomen, terwijl zij zich tot nadere toelichting desverlangd bereid ^ferklaren.

Hoogachtend,

namens het College van Curatoren.,

B. VAN SCHELVEN,

h. t. Voorzitter.

A. BRUMMELKAMP,

loco-Secretaris.

Wie zich nu de moeite gunt, om dit stuk met de overige te vergelijken, zal in staat zijn, zich een helder denkbeeld van de wederzijdsche positie te vormen, en in elk geval zijn we Curatoren dankbaar, dat ze tot deze publicatie besloten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 januari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Het uitgevallen stuk.

Bekijk de hele uitgave van zondag 3 januari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken