Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Kinderen.

8 minuten leestijd

HET VIJFDE GEBOD.

II.

Eenige maanden gingen voorbij. De ritmeester rustte uit van de vermoeienissen des oorlogs, en verheugde zich met zijn ouders in het genoegelijk leven dat allen thans leidden. Er was nu ook weer vrede in 't land, en de burgers konden weder ongestoord aan hun werk gaan, gelijk de boer zijn oogst bifinen halen.

Op zekeren morgen verscheen de postbode aan de woning van Kurzhagen. In dien tijd had zulk een bode in kleine plaatsen weinig te doen. De meeste menschen kregen nooit een brief, en de post kwam op vele plaatsen slechts maar eens of tweemaal in de week.

De ritmeester opende den zwaren brief, met een groot zegel voorzien, dien de bode gebracht had en hij las:

ï Waarde Heer Ritmeester!

Komenden Donderdag hoop ik met nog drie kameraden, allen in dienst van Z. M., bij u te gast te komen. Gij zult ons wel een goede ontvangst bereiden. Hartelijk gegroet van

Uw ouden vriend JOACHIM HANS VON ZIETEN.”

De ritmeester uitte een kreet van blijde verrassing toen hij dit las. Zijn oude generaal zou nu zijn gast wezen! Dadelijk liep hij naar de huiskamer en riep zijn ouders toe: »GeneraalVon Zieten komt Donderdag! We moeten zorgen voor een goed onthaal. Dat heeft de oude aan mij verdiend!"

generaal!" riep de oude boerin ver­ »zoo'n groot heer. Wat moeten we »De schrikt, doen? "

sWel, " sprak Kurzhagen, »generaal Von Zieten is een goed en vroom man, en zal het ons niet lastig maken. Hij kan met alle menschen omgaan, moeder; wees maar gerust en kook eens heel lekker. We zullen er evenwel nog iemand bij vragen om te helpen, want er komen nog drie andere heeren."

Moeder echter liet zich niet gerust stellen, en zag er schrikkelijk tegen op, tot vader eindelijk zei:

»Hoor eens, jongen, ik vind het best dat die heeren hier komen en hoop ook dat ze smakelijk eten en drinken Eullen, maar wij, uw moeder en ik, deugen niet in zulk hoog gezelschap. Gij moet hen ontvangen en met hen tafelen. Het zou ons niet passen, en we zouden ook niet op ons gemak zijn."

Wat de zoon ook praten mocht, het hielp niet. Op 't laatst gaf hij toe. Generaal Von Zieten was zoo goed als zijn woord en verscheen Donderdags met de drie heeren. 't Waren alle oude bekenden van Kurzhagen, en het wederzien was dan ook recht hartelijk.

Om één uur in den middag zou men, gelijk ia Duitschland gebruikelijk is, gaan eten. Kurzhagen ging zijn gasten voor naar de kanier, waar een flinke maaltijd stond aangericht. De heeren zett'en zich neder, doch meteen sprak de generaal:

> Maar Kurzhagen, waar zijn toch uw ouders? 't Is waar, we zijn pas een half uur hier, maar ik heb ze nog niet eens gezien. En als ik 't wel heb, is er hier ook niet voor hen gedekt. Gij eet toch natuurlijk met hen aan één tafel. Kurzhagen raakte wat verlegen, en Von Zieten zag intusschen veelbeteekeiiend de heeren aan. Allen wisten zeer goed wat er kort geleden met den officier was voorgevallen, die zoo trotsch was geweest. Er heerschte even stilte, toen sprak de gastheer:

»Och, waarde heer generaal, wat zal ik u zeggen' Ik heb zelf er op aangedrongen, maar mijn ouders...."

Von Zieten begreep alles. Kort van stol, vroeg hij niets meer, stond op, stapte met groote schreden de kamer uit, en men hoorde zijn zware voetstappen door 'thuis weerklinken, 't Duurde echter niet lang of hij kwam weer, maar nu arm in arm; de generaal in 't midden, moeder rechts en vader links.

jZiezoo, " sprak de generaal, »nu zijn we eerst voltallig. 'kHeb al gezegd dat het vrouwtje beneden stoelen zal brengen en borden. En nu, heeren, schikt wat cp. Want deze mijn vrienden moeten naast mij aan tafel zitten."

De oude Kurzhagen en zijn vrouw wisten niet hoe zij 't hadden. Maar tegen den veldheer, die voor 'theele Oostenrijksche leger niet bang was, viel weinig te doen. Hij had, juist als hij in den oorlog ook deed, snel doorgetast en zoo overwonnen. Maar daarbij was die groote heer in zijn prachtige kleeding zoo vriendelijk en eenvoudig, dat zij zich spoedig geheel op hun gemak gevoelden. Na 't gebed werd er opgeschaft, en weldra deed elk den maaltijd, die trouwens goed was, eer aan. Von Zieten praatte druk met de oude lieden en dan weer met de andere aanzittenden; de tijd vloog om.

Ten slotte begon men eikaars gezondheid te drinken, 't Eerst stond Von Zieten op, vulde zijn glas en het opheiïend, sprak hij:

ïMijne heeren, ik drink op het welzijn der brave ouders van een verdienstelijken zoon, die bewijst dat een dankbare zoon beter is dan een hoogmoedige ritmeester."

Nu begreep Kurzhagen dat de generaal wist wat er gebeurd was. De gezondheid der ouders werd gedronken, en die van vele anderen bovendien. En toen Von Zieten en de heeren des avonds afscheid namen, was men wederzijds over den dag meer dan voldaan. Moeder Kurzhagen kon maar niet begrijpen, dat de vriendelijke oude heer, naast wien zij had gezeten, dezelfde veldheer was, die zoo veel en zoo dapper iiad gevochten, gelijk haar zoon haar dikwijls vertelde. Hij zou nog wel eens weerom komen, hoopte zij. Dat is evenwel niet gebeurd. Want Von Zieten had veel te doen en was ditmaal gekomen, om eens aan zijn ouden vriend Kurzhagen te toonen, hoe hoog hij dien liefde voor zijn ouders schatte. Ook kregen hoogmoedige menschen een les. Waiit natuurlijk werd het overal bekend, dat Von Zieten in Parchim was geweest. Het heele stadje was trouwens uitgeloopen, om den grooten man te zien.

te zien. Een jaar daarna bevond generaal Von Zieten zich op Sans-Souci, anders gezegd Buitenzorg, een slot, dat koning Frederik de Groote had laten bouwen en waar hij gaarne op vertoefde.

De generaal en nog andere krijgsoversten zouden daar bij den koning den maaltijd gebruiken.

Of nu 't gesprek niet vlotte of dat den ouden Von Zieten den tijd wat lang viel, genoeg, tegen het einde van den maaltijd hoorde een der heeren, die dicht bij den generaal zat, zoo iets als een gesnork. Hij zag op, en bemerkte dat zijn buurman ongemerkt was ingedut en nu zat te knikkebollen. Dat was natuurlijk niet beleefd jegens de overige gasten en vooral niet jegens den koninklijken gastheer. Juist wilde de buurman dan ook Von Zielen stilletjes uit den slaap wekken, toen koning Frederik, die al lang had bespeurd dat Von Zieten een uiltje ving, haastig Wenkte en fluisterde: sLaat hem slapen, mijn­ K heer. Hij heeft zoo menigen nacht voor ons gewaakt; hij mag wel rusten."

Kort daarop werd Von Zieten vanzelf wakker. Als militair en als gast beide voelde hij zich minder op zijn gemak over zijn slaapzucht. Doch de koning deed alsof hij niets had gemerkt, en iedereen was zoo wijs eveneens te doen. De generaal dacht dus niet anders dan dat hij maar even de oogen geloken had, en niemand het had gezien. Anders had hij misschien geen vrijmoedigheid gehad om te doen wat hij nu na den maaltijd deed, namelijk te vertellen wat hij in Parchim had gedaan. Trouwens Frederik en Von Zieten gingen vertrouwelijk met elkaar om. Zij hadden in den oorlog wel naast elkaar op een bos lakken in het woud bij 't wachtvuur 's nachts geslapen, en veel lief en leed gedeeld.

AAN VRAGERS.

Kortheidshalve vatten we verschillende vragen ditmaal saam. Zij betreffen toch alle 'tzelMe: Begint de 20ste eeuw met 1900 of 1901?

Een eeuw heeft 100 jaren. Gaan we nu terug tot de eerste eeuw en tot het jaar i (dat echter nooit zoo geheeten heeft), dan was dit jaar natuurlijk eerst om toen de 12 maanden vol waren. En er moesten 100 zulke jaren verloopen eer de eeuw vol was. Passen we dit nu maar toe op de 19e eeuw, dan blijkt dat 1900 voorbij moet zijn, eer de 20ste eeuw begint.

We hebben echter al vroeger opgemerkt, dat het niet precies uitgemaakt is, wanneer onze jaartelling begint. Eerst vele eeuwen na de geboorte onzes Heeren is men begonnen van die geboorte af te rekenen, en 'tis wel zeker dat we op 't oogenblik verder zijn dan 1897 jaren er na. Doch nu te veranderen zou alles in de war sturen, en tot niets nut zijn. De twintigste eeuw begint alzoo met het jaar 1901, d. i. ever vier jaar.

Vraag 2 luidt: Waar is het volk der Aborigines te 'zoeken ?

't Antwoord is: overal. y^sxA Aborigines isrivti anders dan een na.a.m voor de oorsJ> ronkeiijke b woners eens lands, 't Woord is Latijn en wijst op den oorsprong van iemand of iets. Meestal echter duidt men er de oorspronkelijke inwoners mee aan van een land, waar zich later ook andere volken hebben gevestigd en sterk in getal zijn geworden. Zoo zijn de Maoris de oorspronkelijke bewoners van Nieuw Zeeland, waar nu veel Engelschen wonen, en de Roodhuiden de Aborigines van N.-Amerika, die nu grootendeels door allerlei andere volken zijn verdrongen.

HOOGENBIRK.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 januari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 januari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken