Bekijk het origineel

Nog twee brieven.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Nog twee brieven.

8 minuten leestijd

Hoewel wij er eindelijk toe overgingen, de discussie voor gesloten te verklaren, ontvingen we nogmaals, achtereenvolgens, twee brieven van den heer De Savornin Lohman.

In elk ander geval zouden we, na ons eenmaal genomen besluit, stellig de opneming hiervan geweigerd hebben. Het gaat niet aan, zulk een over en weer schrijverij aldoor voort te zetten.

Voor ditmaal zullen we intusschen, om het kieschc der wederzijdsche verhouding, beide brieven nog plaatsen.

Wij wenschen tot het laatste toe tegenover den heer Lohman eer te veel dan te weinig in te schikken.

De eerste brief luidt aldus:

Geachte Hoojdredacteur!

Gij wenscht de discussie over de beteekenis van discussies in een professorenkrans te sluiten, en ik leg mij gaarne daarbij neer.

Maar gij brengt een nieuw feit ter sprake, waaromtrent ik mij, gaarne publiek verantwoord. Ik zou leene gansche reeks van stellingen, zonder eenig aanzoek om verlof, hebben medegedeeld ; stellingen die nog niet eens waren afgehandeld en die toevallig in bespreking waren juist bij dezelfde hoogleeraren, die bijeen plachten te komen in het professorengezelschap."

Deze bewering slaat blijkbaar terug op hetzelfde feit, waarop ook de Senaat der V. tJ. het oog schijnt gehad te hebben, toen hij de bekende 18 stellingen publiceerde met deze toevoeging : »de Senaat der V. U. alhier, gezien hebbende, dat eenige deelen uit een stuk, tot zijn archief behoorende, publiek zijn gemaakt, heeft het geraden geoordeeld dit stuk in zijn geheel openbaar te maken, opdat het in zijnen samenhang en zijne strekking kunne worden beoordeeld."

De zaak is deze:

In mijn tot de Commissie van Enquête gericht schrijven heb ik, om te doen zien op welke •mym thans mijne toenmalige atnbtgenooten art. 2 der statuten voor H, O. wilden uitleggen, een deel der stellingen medegedeeld, die destijds in behandeling waren bij den Senaat; waarvan de voornaamste reeds waren vastgesteld, en die bestemd waren om te iborden gepubliceerd.

Hierin stak zeer zeker niets ongeoorloofds.

Hierin stak zeer zeker niets ongeoorloofds. Later besloot ik dit schrijven te publiceeren. Nadat de brochure »de aanval op Seinpost enz." reeds afgedrukt was, viel het mij te binnen, dat in dit schrijven ook de bewuste stellingen waren opgenomen, die op dat oogenblik nog geen publiek domein waren. Ik heb toen nog te elfder ure de proef teruggevraagd, en daarin zoodanige wijzigingen aangebracht, dat niemand er uit lezen kan door wie of van wie die stellingen gemaakt waren. Zelfs de aanhalingsteekens zijn weggelaten; men zie bl. 55—58 der genoemde brochure; er blijkt alleen uit dat smen" »in den kring der professoren" ïhet onderwijs aan die stellingen wil binden." Van den Senaat wordt niet gesproken, en als deze de ontworpen stellingen nog had willen wijzigen of vervangen, zou niemand uit mijne brochure hebben kunnen afleiden, dat bedoelde stellingen bij den Senaat in de maak geweest waren. Zelfs nu heeft meer dan een deze overeenkonast niet opgemerkt, en het blijft mij dan ook nog steeds een raadsel, waarom de Senaat plechtig verklaart ihet geraden te oordeelen dit stuk thans in zijn geheel openbaar te maken", te minder omdat hij dit tóch zou hebben gedaan.

Het komt mij derhalve voor, dat, vermits ik geen auteur genoemd noch geheime feiten gepubliceerd heb, niet gezegd kan worden misbruik gemaakt te hebben van mijne bekendheid met feiten, of indiscreties tegenover personen te hebben begaan. Toch zou ik zelfs in dezen vorm de stellingen liever niet hebben opgenomen in mijn schrijven aan de Commissie van Enquête indien ik tijdig bedacht had, dat publicatie van dit schrijven ook publicatie van die stellingen moest meebrengen. Dit niet bedacht te hebben doet mij leed, en ik acht mij verplicht dit aan het uw blad lezend publiek mede te deelen. Maar ik ontken door deze handeling het recht verbeurd te hebben, anderen de bevoegdheid te betwisten, iemands m privaten kring uitgesproken gevoelen, zonder diens verlof, te publiceeren.

U voor de plaatsing dezer regelen dank zeggende, met verschuldigde hoogachting.

Uw dw. dienaar

A. F. DE SAVORNIN LOHMAN.

19 December 1896.

Over het feitelijke kan geen verschil van gevoelen bestaan. Er waren stellingen van zijn ambtgenooten in bespreking, om trent wier publicatie nog niets besloten was. Een groot deel van deze stellingen heeft de heer De Savornin Lohman publiek laten drukken, en zulks op eigen autoriteit, en op zulk een wijze, dat ieder deskundig lezer te weten kwam, dat dit stellingen waren, die door zijn ambtgenooten waren voorgesteld. Het verband waarin de inlassching plaats had, liet desaangaande geen twijfel over, en er straalde duidelijk door dat dit stellingen waren, waaraan zijn ambtgenooten hem wilden binden.

Beide malen gold het dus het publiceeren, zonder verlof, van stellingen in den kring der hoogleeraren van de Vrije Universiteit ter sprake gebracht, de ééne maal in het Professorengezelschap, en de andere maal in een Commissie van den Senaat.

En nu kan, dunkt ons, het oordeel wel geen ander zijn, dan dat wie zelf zich zulk een publicatie veroorloofde, zich minder zou hebben bloot gegeven, indien hij op minder hoogen toon soortgelijke publicatie in ons blad gewraakt had.

Immers het beweren dat het Professorengeselschap een uitsluitend vriendschappelijk karakter droeg, hebben we reeds voor drie weken, en wel met een verwijzing naar het Leidsche Professorengezelschap, te niet gedaan.

De tweede brief was van dezen inhoud :

Geachte Hoofdredacteur l

Gij hebt in het laatste nummer van de Heraut eenige aanmerkingen gemaakt over het niet opnemen in »de correspondentie over mijn ontslag" van den brief van Curatoren aan Directeuren d.d. 28 Sept. j.l.

Veroorloof mij een paar woorden ter verweer. Bedoelde brief is niet »uit de correspondentie uitgevallen"; hij heeft er nimmer, 't zij in originali, 't zij in afschrift deel van uitgemaakt, en kon dus ook niet door mij worden gepubliceerd. Het zou derhalve ook weinig gebaat hebben, indien ik toestemming aan Curatoren gevraagd had, vermits ik dan wel de toestemming, maar niet den brief van Curatoren zou hebben gehad.

Het lag natuurlijk ook niet op mijn weg, brieven van anderen over mijn ontslag op te vragen; allerminst wanneer die blijkbaar niet voor mij bestemd waren; en nog minder, wanneer de geadresseerde mij die ter lezing had aangeboden, onder de kennisgevmg, dat men dit deed *confidentieel, vast er op rekenende, dat ik die niet publiek zou behandelen."

Eindelijk merk ik op, dat deze brief van Curatoren aan Directeuren mij eerst ter lezing is toegezonden, tegelijk met den brief waarin mij ontslag verleend werd: , hij valt dus buiten het kader van de correspondentie, die liep tot en met het ontslag. Op mij persoonlijk kon die brief dan ook geen invloed uitoefenen; daarvoor kwam hij te laat.

Maar nu nog een bescheiden verzoek. Gij wilt uwe lezers zei ven laten oordeelen, en deelt daarom den bewusten brief meê. Uitnemend, Maar tot dusver bracht gij nimmer ook mijne beschouwingen onder de oogen uwer lezers. Zoudt gij nu niet eens ook mijn schrijven aan Directeuren naar aanleiding van den brief onder de oogen uwer lezers willen brengen ? Met verschuldigde hoogachting.

Uw dw. dienaar

A. F, DE SAVORNIN LOHMAN.

2 Januari 1897,

Wij voor ons meenen het recht te hebben, onze meening te handhaven, dat nu er in de medegedeelde stukken melding was gemaakt van cene memorie van Curatoren, die door Directeuren aan den heer De Savornin Lohman ter lezing was gezonden, en die strekte ter wederlegging van diens harde beschuldiging, alsof Curatoren zich hadden schuldig gemaakt •taan krenkende, onrechtmatige, in hooge mate beleedi^ende bejegening", — de billijkheid had gevorderd, dat ook deze memorie ware gepubliceerd. De reden waarom de President-Directeur zoo met nadruk «? > ^publicatie verzocht had, komt niet voor onze rekening, al spreekt het vanzelf, dat dit verzoek den heer De Savornin Lohman dekt.

Het stuk is nu publiek, en onze lezers hebben thans kunnen oordeelen, of publicatie van dit stuk niet metterdaad noodzakelijk was.

Of wc ook bedoeld schrijven van den heer De Savornin Lohman naar aanleiding van die memorie zullen afdrukken, weten we nog niet. We veroorloven ons daarbij te rade te gaan mét ons eigen oordeel; een recht dat geen redactie zich betwisten of ontnemen laat.

Stellig zouden we daartoe reeds zijn overgegaan, lindien opneming ervan niet de bijvoeging van een antwoord onzerzijds noodzakelijk zou maken, en indien niet te bezien stond, dat de heer De Savornin Lohman daarop weer en nogmaals in ons blad zou willen repliceeren; een gang van zaken die de discussie licht in het eindeloozc rekken zou.

En of dit nu raadzaam is, en door onze lezers gewenscht wordt, is iets wat onze redactie vooralsnog betwijfelt.

Genoeg, om het duidelijk te maken, dat de al of niet-opneming van dezen brief volstrekt niet een eenvoudige quaestie van overdrukken was, maar een muisje kon blijken dat een staart had.

Bovendien die brief is Wie wil kan ze lezen. publiek.

Iets waartoe wij onzerzijds het publiek volgaarne opwekken, al mogen we het niet verhelen, dat de indruk, dien de lezing achterlaat, weinig kracht ter overtuiging zal oefenen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 januari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Nog twee brieven.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 januari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken