Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Van de gemeene Gratie.

17 minuten leestijd

TWEEMP STUK.

XVI.

Dat u niemand verleide op eenigerlei wijze; want die komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mensch der zonde, de zoon des verderfs. 2 Thess. 2:3.

Moet het feit, dat God de volkeren tkeeft overgegeven", d. i. hun zijn gemeene gratie, als straf voor hun afgodischen zin, onttrokken heeft, zóó verstaan worden, dat de aldus gestrafte volkeren ten slotte van alle gemeene gratie verstoken geraakten? Werkt onder de Chineezen en Japanneezen, werkt in onze Indien onder de Javanen en Battakkers, werkt in Afrika onder de Zoeloes en Betschoeanen ganschelijk geen gemeene gratie meer? Indien een eenmaal ontstoken vuur ophoudt ingeperkt te worden, brandt het door tot alle brandstof verteerd is. Zoo is het dus ook met het vuur der zonde in de natiën. Perkt God den brand van dit zondevuur niet meer in, dan moet het steeds verder om zich grijpen, en eindigen met alle menschelijk leven te verwoesten. Op kleine schaal is dit dan ook feitelijk zoo toegegaan met tal van negerstammen in Afrika, die stelselmatig onder elkander gemoord hebben, tot ten slotte geheele stammen voor altoos van den aardbodem verdwenen zijn. In Amerika is bijna geheel de oorspronkelijke bevolking verdwenen, en staat het te bezien, of het koperkleurige ras niet geheel zal ophouden te bestaan. En wie in Azië de nog overgebleven stammen en natiën vergelijkt met de groepeeringen die er oudtijds en in den loop der historie zijn opgetreden, mist er niet wei'üigé, die' eèïïs biöeidea en sinds zijn ondergegaan. Wie weet, om binnen den Schriftuurlijken kring te blijven, thans nog te zeggen, waar Moab en Ammon, waar Amalek en waar de Philistijn bleef? Feitelijk zien we dus, dat, op breede schaal zelfs, geheele stammen, zelfs geheele natiën verdwijnen kunnen, die deels letterlijk zijn uitgemoord, en deels zóó in andere volkeren ingelijfd, dat er noch van een zelfstandig bestaan noch van een voortplanten van haar eigenaardig karakter door deze voormalige natiën meer sprake is. In zooverre kan men dus zeggen, dat afgoderij tot zedelijk verval voert, en dat zedelijk verval tot algeheele sociale ontbinding kan leiden, en dat waar God ten slotte een volk. ganschelijk overgeeft, zulk een volk ondergaat en verdwijnt. Hieruit volgt intusschen nog volstrekt niet, dat ï de gemeene gratie" zich, als zoodanig, ten slotte geheel ett al uit de gezamenlijke in afgoderij verzonken, in zedeloosheid vervallen en sociaal verpeste natiën terugtrok. De veerkracht die zich na een slaap van eeuwen, schier plotseling in het volk van Japan vertoonde, gaf veeleer den indruk van het tegendeel. Wat vloed van barbaren en Saracenen ook achtereenvolgens het oude Griekenland en Rome overstroomd en er de bestaande instellingen vernield hebben, toch zijn deze streken nog altoos bewoond, ritselt er nog leven, en staat dat leven nog met het voorgeslacht in verband. In Afrika zelfs zijn na al het moorden van stam onder stam, toch nog altoos millioenen en millioenen negers overgebleven, die hun oude traditiën voortzetten. Al kan dus niet ontkend, dat er veel onderging en verdween, toch staat het evenzeer vast, dat de meeste volkeren, als geheel genomen, zij het ook in andere formatiën en in gewijzigd onderling verband, alle eeuwen door hun leven hebben voortgezet, en dat de bevolking der aarde, ook voorzoover ze niet gedoopt werd, eer wies dan afnam. Staat het nu vast, dat algeheele terugtrekking der gemeene gratie binnen kort tijdsverloop de volstrekte zelfvernieling van ons menschelijk geslacht zou na zich sleepen, dan blijkt reeds hieruit, hoe God, ook na deze volkeren in hun eigen verkeerden zin te hebben overgegeven, hen nochtans, door een veel zwakkere, maar dan toch altoos nog zeer wezenlijke werking van zijn »gemeene gratie" voor volkomen ondergang behoedt. Ook bij de diepst gezonken natiën, bij de verst afgedoolde volkeren, tot zelfs bij de kannibalen, mogen we dus nooit van algeheele ontstentenis der gemeene gratie spreken. Wat ze, ook te midden van hun verwildering en gedeeltelijke verdierlijking, nog altoos in stand houdt, is niet hun eigen inwonende kracht, maar uitsluitend de genade Gods.

Toen Jezus, vóór zijn hemelvaart, tot zijne apostelen Sprak: »Gaat henen en onderwijst alle valkeren, hen doopende in den naam des Vadejs en des Zoons en des Heiligen GeteSt'es"; Vusitte d'ezfe'öi'crmantiïrBte* Köniükrijks op de onderstelling, dat in alle volkeren nog zekere gemeene gratie werkzaam was. Bij een volk, dat geheel van de gemeene gratie ware buitengesloten of afviel, zou elk aanrakingspunt voor het Evangelie ontbreken, en alle Zending zou bij zulk volk ondenkbaar zijn. Op zulk een volk zou toepasselijk worden wat Jezus in ander verband sprak van »de parelen die men niet voor de zwijnen" mocht werpen. In haar plichtsbesef om Zending onder alle volkeren zonder onderscheid te drijven, sprak ook de Christelijke kerk alle eeuwen alzoohaar overtuiging uit, dat er, hoe weinig dan ook, altoos nog zeker deel der gemeene gratie ook in de zedelijk verst afgedoolde natiën werkt; terwijl de uitkomst wel geleerd heeft, dat de vatbaarheid voor het Evangelie bij enkele dier natiën zeer gering is, maar toch eveneens, dat er nog nooit een volk gevonden is, dat in niet enkele zijner volksgenooten nog geschikt bleek, om de knie voor Jezus te buigen en met alle tong in te stemmen in de belijdenis van zijn heiligen naam.

Maar bovendien, dat de gemeene gratie zich nimmer geheel en al terugtrekt, volgt vanzelf uit de wet en den regel van het Noachitisch verbond, waaronder van Noachs dagen af tot nu toe alle volk leeft, en tot aan Christus' wederkomst alle volkeren leven zullen. Gelijk ons toch bleek, sloot God in Noach een genadeverbond met heel ons menschelijk geslacht, en met heel dit aardrijk, de dierenwereld inbegrepen. En al is nu dit algemeen genadeverbond zeer scherpelijk te onderscheiden van het particulier genadeverbond ter zaligheid, toch mag het verbondskarakter ook van dit algemeene, alle volken en natiën omvattende genadeverbond in geen enkel opzicht verzwakt of miskend worden. Het is en blijft een Verbond, door plechtige gelofte en stellige toezegging aangegaan, en aangegaan voor altoos, voor zoolang deze wereld in 'haar tegenwoordige bedeeling stand houdt. »AlIe de dagen der aarde" zal, naar luid van Gen. 8 : 22, dat Verbond van God met de wereld en hare inwoners staan blijven. Al blijkt derhalve uit Romeinen i overtuigend, dat de gemeene gratie in graad en werking kan afnemen, toch verbiedt Genesis 8 en 9 ons, om tot op het jongste oordcel ooit aan een algeheele verdwijning der gemeene gratie te denken. Die gratie houdt stand door alle eeuwen en onder alle volken, en is meer nog in alle eeuw en voor alle volk de eenige kracht waardoor het menschelijk leven ook onder het niet-gekerstende deel der wereld wordt in stand gehouden. Het menschelijk leven, dat achter den Zondvloed lag, bezat dezen waarborg van het genadeverbond nog niet. Daarom is dat toenmalig menschelijk leven dan oOk inden Zondvloed ondergegaan, en was die Zondvloed zelf het feitelijk bewijs dat toenmaals de gemeene gratie zich ^^^e^/ terugtrok. Juist echter het daarna ingetreden genadeverlDond verzekert en betuigt ons, dat dit niet ten tweeden male alzoo zal plaats grijpen, dat zoo schrikkelijk gericht zich in het midden dezer bedeeling niet herhalen zal; en alzoo is het een letterlijk en vermetel weerspreken van Gods getuigenis, indien men van de nu levende Heidensche natiën spreekt, alsof ze buiten alle genade stonden. Die genade is er nog. Die genade werkt er nog. En alle bemoeiing van de Christenvolken met deze afgedoolde natiën, hetzij op staatkundig terrein, hetzij in den dienst der Zending, die verzuimt met deze werking van de algemeene genade in deze volkeren te rekenen, miskent het werk Gods en verzwakt daardoor eigen poging.

Doch staat het op dien grond vast, dat het iovergeven der volkeren", waarvan dé apostel gewaagt, nooit als een algeheeilyk]z\ch. terugtrekken der gemeene gratie m^g verstaan worden, geenszins volgt hieruit, dat dit algeheele wegvallen der gemeene gratie niet eenmaal te wachten staat. De tegenwoordige bedeeling van het leven op deze wereld zal niet altoos duren. Op den tijd door God verordend loopt de historie dezer wereld ten einde. De Christus zal dan wederkomen, het oordeel ingaan, en dan zal tevens de ure aanbreken, waarin het tijdperk der gemeene gratie, in haar onderscheiding van de particuliere genade, voorgoed zal worden afgesloten. Het Noachitisch Verbond heeft dan uit, en het Koninkrijk der hemelen gaat alsdan in. Op de nieuwe aarde, onder den nieuwen hemel, zal dan elk leven buiten Christus ondenkbaar en onbestaanbaar wezen. Er zal dan geen knie zijn die zich voor hem niet buigt, geen tong die zijn naam niet belijdt, en een menschelijk leven gelijk er nu nog allerwegen bestaat, en ten deele zelfs bloeit, buitenden Christus om en afgesloten van de particuliere genade, zal alsdan onmogelijk zijn. Niet natuurlijk alsof hetgeen de gemeene gratie' 'thans nt> g in stanÜ hbiïdt, alsdan weg zal zinken. Integendeel die instandhouding van het menschelijke zal dan zelfs [in de verheerlijking /aa alle menschelijk leven overgaan; 'ist^fe• .4fl „gemeene gratie zal na het oordeel niet meer in haar afscheiding van de particuliere genade werken. Gemeene gratie en particuliere genade zullen alsdan geheel ineenvloeien, en beide zullen opgaan in de openbaring van de heerlijkheid der vrijheid der kinderen Gods. Al wat het levensbeginsel van Christus in zich draagt, zal dan blinken in heerlijkheid; maar ook al wat dat levensbeginsel mist, zal aan zijn eigen zelfvernieling worden overgegeven. Immers voor den overgang uit dit aardsche in het helsche bestaan, zal niet anders noodig zijn, dan dat God alle gemeene gratie terugtrekt. Dan blijft aan het zondig creatuur niet anders dan zijn eigen zondige natuur over. Die zondige natuur zal zich dan ten einde toe naar haar aard ontwikkelen. En die ontwikkeling van de zondige natuur naar haar eigen zondige aandrift, wat zal die anders zijn dan het leven der hel? Een nacht, die nooit meer door een dageraad zal worden afgebroken.

In verband hiermede nu dient thans gewezen te worden, op hetgeen ons doorPaulus geopenbaard is over ^den mensch der zonde, den zoon des verderfs." Hij zegt ons desaangaande in zijn tweeden brief aan de kerk van Thessalonika, dat aan de wederkomst des Heeren »«S? afval" zal voorafgaan, en dat, als die afval gekomen is, »de verborgenheid, het mysterie der ongerechtigheid zal geopenbaard worden"; en ook deze openbaring van den apostel nu is niet te verstaan, dan juist in verband met de leer der »gemeene gratie". In de dagen onzer vaderen was het begrijpelijk, dat men deze uitspraak van den apostel tegen «^-c Roomsche lücrarchie keerde. In bijna eiken commentaar uit die dagen, en zoo ook in onze Kantteekeningen, wordt die voorstelling dan ook gehuldigd. De mensch der zonde, de zoon des verderfs, zoo schreefmen destijds, moest niet verstaan worden van één bepaalden mensch, maar van een reeks van personen, die elkander in het ambt zijn opgevolgd. Deze ambtelijke personen zullen »in den tempel Gods" gaan zitten, d. i. zullen zich in de kerk van Christus, in de gemeente des levenden Gods nestelen. Ze zullen daarin als »een God" zich aanstellen, en zich als een God laten eeren, zich zelven vertoonende dat zij God zijn. Hun macht zal stand houden tot de Heere hen verdoen zal door den Geest zijns monds, waaronder men dan verstond ide zuivere prediking des Evangelies. En zoo was de weg gebaand, om de vervulling dezer profetie in het opkomen van het Pausdom te zien, dat zich Goddelijke onfeilbaarheid toekende, zichzelven met groote statie verheerlijken liet, dat de gemeente Gods ten bloede toe vervolgde, en dat geknakt en gebroken werd in zijn macht, toen eindelijk onder 's Heeren bestel de zuivere prediking des Evangelies in de dagen der Reformatie weer uitging.

Dat men in de i6e eeuw tot deze uitlegging kwam, is alleszins begrijpelijk. Wij die in rustiger tijden het Evangelie belijden mogen, verstaan nauwelijks meer wat tirannieke macht destijds door de Roomsche curie over de volkeren werd uitgeoefend. Het was een worsteling niet maar om zekere rechten en vrijheden, maar in vollen zin een worsteling om het leven. En in wat overspanning men moet geraken, als men dagelijks zijn eigen leven, en het leven van vrouw en kinderen bedreigd ziet, valt waarlijk niet moeilijk in te denken. Als de brandstapel rookt, wordt vanzelf elke uitlegging der Heilige Schrift actueel. Ja, we gaan verder. Een deel waarheid was er in deze uitlegging. Of zegt niet de apostel zelf in vs 7, dat »het mysterie der ongerechtigheid, " wel eerst aan^het einde in al zijn naaktheid zal openbaar worden, maar dat het niettemin vooraf reeds^tuordt gewrocht P En is dit zoo, komt de volle »openbaring der ongerechtigheid" wel eerst/aan het einde dezer bedeeling volkomen, maar geldt het als regel, dat haar voorweeën zich gedurig in den loop der eeuwen reeds zullen voordoen, dan is er alleszins reden, om ook in de Roomsche curie, gelijk ze destijds zich voordeed en de volkeren overheerschte, de openbaring eener ongeestelijke macht te zien. Denkt men zich een oogenblik den toestand in, die geboren zou zijn, indien hét destijds aan de Roomsche curie gelukt ware, om de Reformatie geheel en al te onderdrukken, zoodat allen volken het lot zou beschoren «ijn geweest, dat thans voor Spanje, Portugal, Italië en de Zuid-Amerikaansche republieken is weggelegd, dan is het openbaar, dat ons menschelijk leven geheel zou zijn ingezonken. Thans heeft zelfs op Spanje en apdere Roomsche landen h'ög cTe irivroed van hel'^öördéri'én'WeSt'efri van Europa ihgewerkt, en er veel bij het leven behouden, dat anders geheel zou zijn ondergegaan. Zelfs de Roomsche curie 'S op het Concilie van Trente, door het stand houden der Reformatie, ge^ noodzaakt geweest, 'zich zelve voor een niet gering deel te reformeeren. De Roomsche kerk van thans is niet de Roomsche kerk meer van toen, nauwelijks even voor vergelijking vatbaar. Het kwaad dat destijds werkte, is voor geen gering deel gestuit. Maar denkt men zich, dat deze stuiting niet had plaats gegrepen, en dat de Roomsche curie, na het gewelddadig onderdrukken der Reformatie in alle landen, gelijk dit nu in Polen, Spanje en Portugal gelukt is, ongestoord en ongehinderd haar macht over de geesten had uitgebreid, en tot nooit gekende heerschappij ware gekomen, dan vereischt het toch waarlijk weinig prikkel der verbeelding, om zich de uitdooving van den menschelijken geest en de inzinking van het menschelijk leven voor te stellen, die daarvan én in Europa én in Amerika het gevolg zou zijn geweest. Denk : u Noord-Amerika als een tweede Zuid-Amerika, Engeland als een tweede Portugal, Pruisen als een tweede Polen, Frankrijk als een tweede Spanje, en heel het nationale leven in die landen verstoken vanden invloed, dien zelfs Spanje, Italië en Portugal uit het Noorden ondergingen, en immers, er zou van een krachtig zich voortbewegende historie der menschheid nauwelijks sprake zijn geweest.

Het kwaad, de woeling der ongerechtigheid, had zich toentertijd wel terdege in de Roomsche curie genesteld. Haar triumf op dat oogenblik zou de ondergang van Europa, en daarmee de ondergang van ons menschelijk leven zijn geweest. Dat ditzelfde kwaad, diezelfde woeling zich daarna uit Rome terugtrok, en zich thans weer in heel andere machten genesteld heeft, is openbaar. Zoo zelfs, dat de Roomsche curie thans in niet geringe mate medewerkt, om de thans opgekomen woeling van ditzelfde kwaad tegen te staan. Maar even onhistorisch als het is, om de Curie van thans naar de Curie van toen te beoordeelen, gelijk dit in ook onze kringen nog vaak geschiedt, even sterk in weerspraak met den historischen zin is het, als veel Roomschen van thans ons uit het tegenwoordige optreden van Rome het bewijs vvillen leveren, dat ook de Curie in de i6de eeuw even vrij uitging. Dit is zoo weinig juist, dat veeleer de vrees niet kan onderdrukt worden, dat, verloor Rome haar tegenwicht, en gelukte het haar nogmaals de alleenheerschappij te veroveren, gelijke oorzaken alsnog tot gelijke gevolgen als destijds voeren zouden. Wel niet meer in den vorm van toen, maar dan toch met soortgelijke strekking.

Doch al geven we op dien grond toe, dat de »verborgenheid der ongerechtigheid" heel den loop der historie door, als in voorweeën, haar vooruitgaande woelingen laat werken, en dat in de i6dc eeuw een dier woelingen zich in de tirannie der Roomsche curie openbaarde, volstrekt onhoudbaar js niettemin de stelling, alsof 2 Thess. 2 : i—12 in de Curie als zoodanig zijn praegnante vervulling had gevonden. Op die wijze verwart men de voorweeën van het kwaad met de geboorte van het kwaad. — Ook weerspreekt de tekst zelf zulk een uitlegging. Duidelijk toch toont het redeveiband, dat de apostel de openbaring van den »mensch der zonde" onmiddellijk aan de wederkomst des Heeren laat voorafgaan. Men leefde in de kerk van Thessalonika in zekeren angst, dat de komst des Heeren reeds nu op til was. Men duchtte dat het einde der wereld op staanden voet te komen stond. Dit verwarde de geesten en stoorde den rustigen gang van het huislijk, maatschappelijk en kerkelijk leven. En daarom schrijft de apostel haar: »Wordt toch niet haastelijk bewogen van verstand, noch versclirikt door verhalen of brieven, want de dag des Heeren komt niet, tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mensch der zonde." Dit nu laat geen andere uitlegging toe, dan dat de afval en de openbaring van den mensch der zonde vlak voor de wederkomst des Heeren zal intreden. Thans behoefde de kerk van Thessalonika nog niet verschrikt te zijn, »alsof de dag van Christus aanstaande ware", want eerst moest nog de afval komen, en die was er nog niet; waarin dus vanzelf ligt opgesloten, dat, als de afval er zou zijn, en de zoon des verderfs openbaar zou zijn geworden, de dag des Heeren onverwijld aanstaande was, en dat alsdan voor gelijke verschrikking in hun geest alleszins oorzaak zou zijn. — Een zekerheid nog daardoor verhoogd, dat er bij slalat: Wat hém \wedérhoudi' om ge­ openbaard te worden, weet ge dan nu. Christus kan alzoo niet komen, tenzij de afval vooraf zij gegaan. Het nog niet gekomen zijn van den afval »weerhoudt" de komst van den Christus. M^aar dan '^taat-het ook vast, dat, is eenmaal de afval gekomen en is de mensch der zonde geopenbaard, niets meer van zijn kant in den weg staat, en de wederkomst des Heeren onverwijld daarna is in te wachten. Te zeggen, dat in de Roomsche curie > de mensch der zonde" reeds in de 7c eeuw verschenen is, niettegenstaande deze toestand nu reeds meer dan tien eeuwen voortduurt, onderwijl altoos de wederkomst van Jezus nog toeft, is uit dien hoofde met het getuigenis van Paulus niet overeen te brengen.

En evenmin gaat het aan, de woorden: •uDenwelken de Heere verdoen zal door den Geest zijns monds" te verstaan van de breking der Pauselijke macht door de Reformatie. Breking en knakking is geen z/(fr< 35? ^K. Een mensch der zonde die verdaan wordt houdt op werking, macht en invloed van zich te doen uitgaan. Bovendien is de uitdrukking : overdoen door den Geest zijns monds", de aanduiding van een straffende en vernielende machtsdaad Gods, die als een wónderoordeel in de bestaande orde van zaken zal inbreken, gelijk er dan ook bijstaat, dat »deze mensch der zonde zal te niet gedaan worden, door de verschijning van 's Heeren toekomst".

In verband waarmede ten slotte evenmin kan worden toegegeven, dat onder »den mensch der zonde" niet een bepaald persoon, maar een hiërarchische reeks van personen, die over meer dan duizend jaren loopt, zou moeten verstaan worden. Dat de Antichrist voorloopers zal hebben, geven we volgaarne toe; ook dat de geest van den Antichrist reeds lang voor zijn verschijning werkt, betwisten we niet; maar de uitdrukking »de mensch der zonde" en »de zoon des verderfs" is zóó scherp belijnd en zoo eng bepaald, dat hierbij niet aan één persoon te denken, afbreuk doet aan de duidelijke bewoordingen van Paulus' getuigenis. Ook al is het dus, dat we de uitlegging onzer vaderen, ouder den storm die. over hun hoofden ging, alleszins verklaarbaar achten, en ook onzerzijds staande houden, dat er wel terdege voorweeën van 2 de verborgenheid der ongerechtigheid" door heel de historie, en met name destijds in de Curie van Rome, woelden; zoodat zeer zeker één dier voorweeën openbaar werd in de geestelijke tirannie die de Room.sche kerk in de i6e eeuw over de menschheid wilde doen gelden; desniettemin blijft de concrete profetie van 2 Thess. 2 : i—12 op een heel andere gebeurtenis doelen, en wel op een gebeurtenis die niet in het midden der historie ligt, maar die de historie van ons geslacht op aarde besluiten zal, en onmiddellijk zal gevolgd worden door de verschijning in de wolken van het Teeken van den Zoon des menschen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 januari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 januari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken