Bekijk het origineel

Kerspel of Wijk?

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Kerspel of Wijk?

9 minuten leestijd

IV.

Vast staat alzoo, dat ook wij de zekerheid van het rechtsgebied der plaatselijke kerk, als één geheel, voorstaan; en ten andere, dat indeeling van den Dienst allerwegen in de kerk van Christus, en ook onder ons, regel is, zoo voor den Dienst der Ouderlingen, als der Diakenen, en zelfs wat de Predikanten aangaat voor het huisen krankenbezoek.

Zoo trekt zich dus het geschil ten slotte op één enkel punt samen, t. w. op de predikatie.

Die alleen is niet ingedeeld.

Immers sinds de i6e eeuw geldt het voor de predikatie als regel, dat alle Predikanten in een grootere kerk voor alle beurten in alle kerkgebouwen rondpreeken.

Zoo was het vóór het Synodaal Bestuur in i8i6 opkwam, zoo bleef het onder het Synodaal Bestuur, en zoo ook werd het aangenomen in de actie van 1834 en in die van 1886.

Want wel bestond er te Leiden, te Dordrecht en elders een schijnbare uitzondering, in zoover er in elk dier steden twee Christelijk Gereformeerde predikanten waren, die elk aan een eigen kerkgebouw waren gebonden. Maar teitelijk was dit niet zoo. Immers feitelijk bestonden er twee kerkeraden, twee kerken, en twee diensten, die plaatselijk geen de minste gemeenschap met elkander hadden. Bij het pleit, of men rond zal preeken als men saam in één kerkeraad zit, telt het feit dat men onder twee kerkeraden zittende, niet rondpreekte, vanzelf niet mee.

Geconstateerd moet derhalve, dat van de dagen der Reformatie af tot nu toe, het rondpreeken voor alle beurten in «//i? kerkgebouwen als regel gold en nog geldt. En de vraag die we ter sprake brachten, is nu juist, of men dezen regel van het rondpreeken zal blijven volgen, of wel dat indeeling der gemeenten en der Predikanten ook voor den Dienst des Woords op den duur aanbeveling zal verdienen.

Thans heeft de Predikant alleen een wijk, d. i. alleen een indeeling van het huisbezoek. Vrage: Zal het niet beter zijn, de wijk tot kerspel te verheffen, en de indeeling ook door te laten gaan voor den Dienst des Woords.

Gingen we tot dit laatste over, dan zou men de stad moeten indeelen in zoovele deelen als er kerkgebouwen zijn, voor elk dier kerkgebouwen één of meer Predikanten moeten aanwijzen, en als regel moeten aannemen, dat elk Predikant, uitzonderingen nu daargelaten, steeds in hetzelfde kerkgebouw zou prediken, en dat de gemeenteleden uit dat stadsdeel geregeld in dat kerkgebouw moesten kerken.

Dat de zaak ook anders te regelen ware, zullen we later zien. We gaan thans uit van de meest gewone voorstelling van kerspel-indeeling, en die is zóó en niet anders.

Bij het onder de oogen zien van die vraag nu, dient er al aanstonds op gewezen, dat geen minder dan Voetius deze vraag zeer beslist in den zin van rondpreeken beantwoord heeft. Zijn betoog desaangaande is o. a. te vinden in de Bibl. Ref. ed. Cl. Rutgers I p. 63.

Want wel bespreekt hij ook daar ten principale de vraag, of zulk een kerspel een aparte kerk is, maar toch verdedigt hij dan tevens het rondpreeken zeer beslist tegen de ingebrachte bedenkingen.

Deze bedenkingen waren vier in aantal: l". dat toch alle Dienaren Gods Woord prediken, en dat men uit dien hoofde zeer wel altoos in dezelfde kerk en onder het gehoor van denzelfden Predikant kan gaan; 2". dat men anders de schare dié bij andere Predikanten pleegt te kerken, minacht; 3". dat men anders den Dienst van andere Predikanten, die men eigener keuze voorbijgaat, minacht; en 4". dat de Predikanten, die minder loop hebben, hier zoo bitter onder lijden.

Reeds uit deze opgave ziet men, dat Voetius alles behalve diep op de quaestie is ingegaan, - en dat zijn argumenten eigenlijk meer betreffen de gewoonte, dat de gemeente rondloopt, dan dat de Dienaren rondpreeken.

Stel toch, de Predikanten preekten rond, maar de gemeente was voor haar opgaan aan vaste kerkgebouwen gebonden, dan zouden dezelfde argumenten, en zelfs dan nog meer rechtstreeks gelden.

Feitelijk strekt Voetius' betoog dan ook veel meer, om de vrije keuze der gemeenteleden te waarborgen, dat zij gaan kunnen, waar ze een Predikant vinden, die hun het meest bevalt, dan dat hij pleit voor het rondpreeken der Dienaren in alle kerkgebouwen.

De gemeenteleden moeten gaan kunnen waar ze willen. Iets wat hij zoover trekt, dat hij er zich zelfs op beroept, dat ieder vrij is, om, al zijn er meerdere bakkers en schoenmakers, toch zelf zijn eigen bakker en schoenmaker uit te kiezen. Een wel plastische, maar zeker niet al te kiesche vergelijking.

De ééne Predikant predikt beter dan de andere, ziedaar zijn hoofdstelling, en hij licht dat toe, door op vijf punten te wijzen. Het beter prediken hangt 1°. aan de klankvolle stem; 2". aan duidelijke, gevoelvolle, het gemoed bewegende uitspraak; 30. aan deftigen, meesterlijken stijl; 4". aan zuiveren en rijken inhoud; en 5". aan ziel en zinnen rakende toepassing van het Woord.

En nu acht hij, dat ieder vrij moet zijn om te kerken bij dien Predikant, die voor zijn oor en verstand en hart en leven het best aan deze gestelde eischen beantwoordt. Geheel dus het stelsel, dat zoo jarenlang door de gemeente gevolgd en er bij de gemeente ingegaan is: Bij de beste Predikanten stikvoUe beurten, bij andere een dun gezaaid gehoor, en bij wie tusschenin liggen een middelmatige opkomst.

En al stemt nu ieder toe, dat dit zoo blijven kon, ook al bondt ge elk Predikant aan een vast kerkgebouw, toch verhelen we niet, dat deze praktijk zulk een binden aan één kerkgebouw volstrekt doelloos zou maken, en hoogstens tot het voorstel zou kunnen leiden, om de Predi kanten met den sterksten loop aan het ruimste kerkgebouw te verbinden, en de Predikanten met minder loop aan de kleinere gebouwen.

Dat zou echter uitsluitend een maatregel van nuttigheid zijn en de quaestie in haar hart niet raken.

Om een welgewikt oordeel te vellen, is het daarom noodig dat deze twee stelsels met hun voor-en nadeelen tegenover elkander te plaatsen, en daarbij aan te nemen, dat in het door.ons bedoelde stelsel dezelfde Predikant, evenals op een dorp, geregeld in hetzelfde gebouw predikt, en dat dezelfde gemeenteleden, evenals op een dorp, geregeld daar ter plaatse kerken. Terwijl hier dan tegenover staat het thans geldende stelsel van bij toerbeurt rondpredikende Predikanten, die een los en wisselend gehoor hebben, dat hen van kerk tot kerk naloopt.

Beginnen we nu met dit laatste, thans vigeerende stelsel, dan heeft dit ongetwijfeld de navolgende niet te loochenen nadeelen.

i". Dat geregelde plaatsverdeeling niet wel mogelijk is. Stelt ge alle plaatsen vrij, dan stroomt in hetzelfde kerkgebouw bij elke beurt een anders saamgesteld gehoor, zit men nu hier, dan daar, en is de rustige indeeling dat ieder zijn eigen plaats zal hebben, en weet dat die plaats zijn is, ondenkbaar.

Want wel kan men een vaste onbetaalde plaats toekennen, maar niet aan alle leden in alle kerkgebouwen. Een vaste plaats is niet toe te wijzen dan in één gebouw. Maar overmits het kerken in eenzelfde gebouw in strijd is met het stelsel, baat het niet of ge al die vaste plaatsen openstelt. Onder dat stelsel maakt men hier geen gebruik van; zal het aantal genomen plaatsen altoos klein, dat der onbezette plaatsen het grootst blijven; en als niet de gewilde Prediker optreedt, blijven de genomen plaatsen toch onbezet.

Verhuring van plaatsen belet dit niet. Bijna niemand toch zal voor heel zijn gezin plaatsen in alle kerkgebouwen nemen. Hoogstens in één of twee. En dan alleen zal hij onder dat stelsel van die plaatsen profiteeren, als de man dien hij hooren wil, aan de beurt is. Anders laat hij ze leeg staan.

In geen geval is alzoo onder de heerschappij van dit stelsel rustige orde en stille bezetting der plaatsen te verkrijgen, tenzij ge zegt: Wel de Predikant moet rondpreken, maar de leden moeten altijd in hetzelfde gebouw gaan, wat er op neerkomt, dat ge het stelsel reeds half verloochent.

2°. Uit dit eerste kwaad nu vloeit allerlei verder ongerief voort. De ééne maal een meer dan half leege kerk, de menschen verstrooid, ongezellig en onopwekkend. De andere maal alles stopvol, de gangpaden ingenomen, dringen en stuwen van alle kant.

Bij volle beurten moest men soms om acht uur 's morgens te Amsterdam reeds voor de kerkdeur staan te wachten, om als de deur openging, er in gedrongen te worden, op een draf naar het ruim, en over stoelen en banken te vliegen, om het eerst een plaats te vermeesteren. Vandaar soms heftige tooneelen, die alle stichting wegnamen, en allerlei hulp noodig maakten om de orde te herstellen.

Toch hielp dit vaak niet, en soms moesten honderden, die absoluut geen plaats konden krijgen, onverrichter zake terugkeeren. Die keerden dan óf teleurgesteld huiswaarts, óf gingen naar een andere kerk, waar ze te laat binnenvielen, en de rust verstoorden.

En hierbij kwam dan nog, dat vooral in den zomer, op heete dagen, dit soms meer dan anderhalf uur vroeger in de kerk zitten, de temperatuur zóó verhoogde en de atmosfeer zóó bedierf, dat er als de kerk eindelijk aanging, een benauwde hitte heerschte, die ieder afmatte.

Alsmede dat het ondoenlijk was in dien langen tijd vooraf zich bezig te houden, zoodat er een gegons als in een kofïiehuis heerschte, en er van stichtelijke voorbereiding voor den Dienst soms geen sprake was.

Ook was het preeken in zoo propvolle beurten, en bij zulk een temperatuur, voor den prediker zoo uitputtend, dat hij, letterlijk met geen drogen draad aan het lijf thuis kwam, en den Maandag daarna soms geen half mensch was.

Niet minder leden ook Diakenen en Collectanten hieronder, die door zulke beurten met den zak rond moesten, en zich bijna niet konden voortbewegen.

Wil men, altegader in hoofdzaak stoffelijke bezwaren, maar die dan toch meetellen, omdat ze de huisgezinnen in de war stuurden, allerlei koude en ongemak door hitte lieten beloopen, en zeer zeker ook op de geestelijke gesteldheid der gemoederen invloed oefenden.

En al is het nu zoo, dat deze nadeelen zich thans niet meer in die mate doen gevoelen, en voornamelijk alleen in steden als Amsterdam, Rotterdam, Utrecht en 's-Gravenhage zich voordeden, toch mag niet voorbijgezien, dat het alles volgt uit het stelsel als zoodanig.

Een stelsel dat lijdt aan deze innerlijke tegenstrijdigheid, dat men de gemeente te talrijk acht om saam te vergaderen, en daarom zegt dat ze in tien, twaalf gebouwen verdeeld moet worden, en dat men nochtans een regel volgt, die eischen zou dat desniettemin zoogoed als gansch de gemeente in één gebouw zou kimneji willen opgaan.

Immers dat velen elders gingen, was dan nog meest, omdat ze vreesden toch geen plaats te zullen vinden, en ook omdat bij zulk kerkbezoek de regel gold, dat de brutalen de halve wereld inhebben, en dat iemand van zachter en bescheidener natuur zich aan zulk een gedrang en gestoot niet waagde.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 januari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Kerspel of Wijk?

Bekijk de hele uitgave van zondag 31 januari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken