Bekijk het origineel

Rectorale Oratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Rectorale Oratie.

8 minuten leestijd

Amsterdam, 5 Febr. 1897.

Op 7 December jl. droeg de hoogleeraar M. Noordtzij het rectoraat van de School te Kampen aan zijn ambtgenoot Wielenga over.

Hij deed dit met een uitvoerige rede die 53 bladzijden druks beslaat, een redevoering, die niet alleen een sprekenden titel voert, maar voor lezing zeer interessant, en alleszins rijk van inhoud is.

De titel is : Oostersche lichtstralen over VVestersche Schriftbeschouwing, en werd ontleend aan een uitdrukking door een geleerde over de vondsten van Babyion en Egypte gebezigd; een titel alzoo die in zooverre te billijken, anders voor een wetenschappelijke redevoering, in Hollandschen vorm, te phraseologisch klinkt.

Toch wane daarom niemand, dat de redevoering zelve in degelijkheid te kort schoot of ia phraseologie verloopen zou.

Dat doet ze ia het minst niet.

Veeleer geeft ze eerst een kort maar duidelijk overzicht van den omvang waartoe de studiën, rustende op de uitgravingen in Egypte en Babyion, alsook in Palestina en de omliggende landen, dusver gekomen zijn; en toont daarna in enkele goede grepen aan, welke beteekenis alle deze studiën voor de Heilige Schrift uit taal-en letterkundig, uit historisch en antiquarisch, uit sociaal en religieus oogpunt, reeds nu hadden, en steeds meer erlangen zullen.

Het is dan ook metterdaad verrassend, wat scherpe tegenstelling er bestaat tusschen hetgeen de critiek in Europa de laatste twintig jaren over de Heilige Schrift, aiet zonder aanmatiging en wetenschappelijke inbeelding uitsprak, en tusschen hetgeen de opgravingen in Afrika en Azië gedurende dezelfde periode aan het licht brachten.

Onderwijl men ia Europa steeds brutaler de Heilige Schrift in de schaduw stelde, haar opgaven en mededeelingen onbetrouwbaar verklaarde, en een heel stelsel uitspon, om den oorsprong van deze vage, onjuiste mededeelingen te verklaren, hebben deze opgravingen op een wijze, die een ieder verbaasd doet staan, soms tot in kleine bijzonderheden de Heilige Schrift steeds meer geïllustreerd, en de overmoedige critiek met schande in den hoek gejaagd.

De kunst was nu maar, om uit de ongemeen ruwe stof het voornaamste saam te lezen, dit behoorlijk te ordenen, onder rubrieken saam te brengen, met sprekende voorbeelden toe te lichten, en het geheel ia een stijl te gieten, die zich voor een oratie leende.

Aldus stond het probleem, en dit probleem heeft de hoogleeraar Noordtzij weten op te lossen op een wijze die boven onzen lof is.

Slechts een enkele pericoop kunnen we aan onze lezers als proeve voorleggen. We kiezen daartoe wat de redenaar over Abraham ea Melchizedek mededeelt.

Nog meer. In contract-tafeltjes uit den tijd van Chammurabi, den onttroner van Abraham's tijdgenoot, Kedor Laomer — is zelfs de naam van Abram, in den vorm van Abu-ramu, verheven vader, gevonden! En wat niet minder opmerkelijk is: Pinches heeft onlangs in dergelijke tafeltjes, uit ongeveer denzelfden tijd, ook de specifiek Hebreeuwsche namen Ja'qub-El en Jasuph-El gevonden, terwijl Prof. Flinders Petrie ons bekend heeft kunnen maken met Egyptische amuletten, waarop, van iemand uit het Nijldal, de naam Ja'qob voorkomt. En iets later, nadat de Hyksos reeds uit Egypte waren verdreven, maar de Israëlieten daar nog niet werden verdrukt — wordt in de berichten van Thotmoses III op den tempel te Karnak gezegd, dat hij op zijn overwinningstocht te Kanaan o. a. twee plaatsen heeft veroverd, de eene met den naam van Ja'qub-El en de andere met dien van Josuph-El. Houdt men hierbij in 't oog, dat volgens datzelfde bericht, eerstgenoemde plaats lag in den omtrek van Hebron en laatstgenoemde plaats in 't gebergte van Ephraïm — dan pleit alles voor de overtuiging, dat wij daarin te zien hebben plaatselijke herinneringen aan den aartsvader Jacob en zijn zoon Jozef, vóór Israels komst in Kanaan, en juist in die streken, waar de genoemden volgens de Heilige Schrift dikwerf hebben verkeerd!

Doch keeren wij nog even terug naar het bericht in de 2de helft van Genesis 2QV, Daarin is sprake van de ontmoeting, die Abraham, nadat hij Kedor Laomer had geslagen — heeft gehad met ïMelchizedek, koning van Sjalêm . . , een priester des allerhoogsten Gods." Zoo iets, naar de meening der hoogere critiek, gefingeerd was dan dit. Jeruzalem was immers niet bekend vóór Davids tijd, en die priesterkoning was niets dan een mythologisch figuur, ter eere van den held der beschrijving. Abraham, gefingeerd. Maar ook daartegen traden de Oostersche getuigen met kracht op. Allereerst hebben zij ons geleerd, dat oorspronkelijk onder de Semieten en genabuurde volkeren de heerschers dikwerf eerst priesters waren en later uitsluitend koningen werden; maar ook dat zij in de eeuwen, vóór den uittocht, veelvuldig bffide ambten tegelijk bekleedden. Daarmede verviel reeds de grond van den twijfel, ontieend aan het tweevoudig ambt, dat Melchizedek in de Heilige Schriit is toegekend. Maar bovendien kwamen ook de Tell-el-Amarna brieven getuigen. Daaronder zijn enkele belangrijke van zekeren Ebed-Chiba uit den tijd van Amenothes IV van Egypte, minstens 150 jaren vóór den uittocht. Deze Ebed-Chiba heerschte destijds over Jeruzalem. Van haar spreekt hij nu eens onder de benaming van »de stad Jeruzalem" of van »Jeruzalem" dan weer van »'t land van Jeruzalem" of > het gebied van de stad Jeruzalem." Ik noem opzettelijk die verschillende benamingen om uit te laten komen, dat het haar destijds, wat haar naam betreft, reeds ging, gelijk het Larsa gegaan was. In 't spijkerschrift dezer brieven heet zij soms, zonder eenig voorafgaand determinatief: Jru-Sjalem. Maar dan is I& .-^^Uru zelf determinatief en wijst in de oude Babylonische sprake aan, dat Sjalem een stad was, die slechts Sjalêm e«tte. Van lieverlede echter begon men het als estanddeel van den naam te beschouwen en laatste er weer het determinatief (Assyrisch l/a=stad) voor, en 2po werd ^^lem Jeruzalem. venwei, op de mtfl»en van 't Ramesseum te hfebe, ktsfmt zfi in den t^ 'Wan RamseSlInog d h P e b g m l voor onder den ouderen naam Sjalêm. Men ziet, ook hier draagt weer het gebrnik van den naam Sjalêm, en later van Jeruzalem, in de verschillende boeken des Bijbels, de signatuur van de verschillende tijden als een merk van juistheid voor ieder, die niet door zijn stelsel verblind is!

Maar nu, de vorst, Ebed-Chiba verlangt troepen om de stad en 't gebied te verdedigen tegenover de daarnaar begeerige vijanden van hem en zijn heer, den koning van Egypte, waaruit blijkt, dat zij toen reeds een belangrijke vesting in 't Zuiden van Kanaan was. Hij is wel een vorst, maar zonder troepen. En voorts, terwijl andere schrijvers pharao aanspreken als, uden koning, mijn heer en mijn god" of »mijn zonnegod" of sde zon, mijn god, " spreekt Ebed-Chiba hem slechts aan als »den koning, mijn heer, " of smijn zon." Teekent dit reeds, dat hij, te midden van de Amorietische en Kanaanietische bevolking, een figuur is, die minder dan anderen de afgoden diende, ongeveer evenals Melchizedek daarvan vrij was in zijn tijd - nog sterker wordt het als wij hem hooren verklaren: szie ik ben geen gouverneur . . . zie, sik ben een bondgenoot van den koning; een sdie hem schatting brengt ben ik." »Want snoch mijn vader, noch mijne moeder, " maar sde arm des machtigen Konings heeft mij gesvestigd in 't huis van «mijn vader" of > aan »deze plaats." En in een ander schrijven: »zie 't land van de stad Sjalêm, noch mijn vader, noch mijne moeder heeft het mij gegeven, maar de arm des machtigen Konings zelven heelt het mij gegeven." En deze »raachtige Koning, " onderscheiden als hij door Ebed-Chiba wordt van jden koning, zijn heer, " is de God, dien hij diende, de Allerhoogste van den Melchizedek des Bijbels, zijn voorganger. Hij is dus werkelijk priester zoowel als koning, die echter zijne heerschappij of zijn ambt niet had verkregen als een erfgoed, en dus evenals Melchizedek, wat de opvolging in 't ambt betreft - was, izonder vader en zonder moeder."

Is de gelijkenis, zij 't meer verzwakt door de zonde, wijl later, niet verrassend en treffend! En is 't tevens niet opmerkelijk, dat God nu vooral zulke onthullingen door de Oostersche Oudheidkunde geeft, die juist kunnen dienen om de geloofwaardigheid van de meest aangevallen deelen des Ouden Testaments te steunen?

Lokke deze enkele proeve tot lezing van het geheel uit. En ook strekke de lezing van deze oratie, om hen die door wankelmoedigheid zondigden, te beschamen, voorzoover zij ook maar een oogenblik door dea hoogea tooa der Moderae ea Ethische critiek zich lieten impoaeeren, tea gevolge vaa gemis aan krachtig geloof in het hart.

Die critiek was van meet af te weinig nederig, om wie geestelijk licht en inzicht had, te kunnen overtuigen.

Ze was zoo wortelloos ea subjectief.

Alleen beelde niemand zich in, dat de meest sprekende resultaten van zulke opgravingen ooit den ö«geloovigen het geloof in de Heilige Schrift zouden kunnen geven.

Het zaligmakend geloof ia de Schrift rust op het getuigeais des Heiligea Geestes, en op dat getuigenis alleen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Rectorale Oratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken