Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de gemeene Gratie.

18 minuten leestijd

TWEEDE STUK.

XIX.

Zij is gevallen, zij is gevallen, het groote Babyion, en is geworden een woonstede der duivelen. Openb. 18:2.

De tmensck der zonde" is iets anders dan de Duivel in eigen persoon. Met het optreden van Satan ^^^/w^ wel het smadelijk drama der ongerechtigheid, maar de ^mensch der zonde" treedt eerst in het slottafereel op. Zelfs Judas is nog > de zoon des verderfs" niet. Bij hem volgt op zijn gruwel nog het wegwerpen van de züverlingen, de bekentenis van verraad, het vluchten, en de zelfmoord, terwijl de > mensch der zonde" een God tergend. God trotsecrend wezen zal zijn, een mensch die met hoon voor God op de lippen in den poel wegzinkt. Natuurlijk zal zijn inspiratie daarbij uit den Booze zijn, maar toch die inspiratie uit Satan zal in menschelijke gestalte, in menschelijke vormen, in menschelijke krachten uitkomen. Het zal een verschijning zijn, zooals Satan die buiten ons menschelijk geslacht niet kan laten opkomen. En zelfs waar de Openbaring gewaagt van het > Beest" en van het beeld van het Beest, heft dit allerminst het menschelijk karakter van dit gruwelijk optreden op. Dierlijk, beestachtig is hier niet genomen, als »uit de soort der dieren", maar als het menschelijke in die diepste zelfverlaging, die het dierlijke in boosaardigheid achter zich laat. Welnu, die > mensch der zonde" ware in het Paradijs, kort na den val, ondenkbaar geweest. Die Ï mensch der zonde" ^< 7« nog niet optreden in de dagen vóór den Zondvloed. Nog niet in Farao's dagea. Nog niet toen Judas zijn Heere verried. Nog niet toen het oude Rome wegzonk. Nog niet toen de Septembermoorden Parijs ontheiligden. Nu nog niet, en straks nog niet. Die mensch der zonde kan niet komen, indien niet vooraf de ontwikkeling van de in ons menschelijk geslacht gelegde krachten en schuilende gaven en talenten tot denhoogsten top zal geklommen zijn.

Enkel booze zin, louter vijandschap tegen God volstaat hier niet. Ook de krachten, de middelen, de instrumenten ter wapening moeten gereed zijn, om het volledig doorwerken van dien boozen zin mogelijk te maken. En dit nu was niet in het Paradijs, niet in Noachs dagen het geval. Tot die ontwikkeling van menschelijke kracht kan het eerst van lieverlede, en kan het ten volle eerst in het einde komen. Wat was de menschelijke kracht van voor drie eeuwen bij de macht van ons menschelijk leven op het eind der negentiende eeuw vergeleken? Reeds nu voorspelt de geest der wetenschap nog gansch andere machten en krachten voor de eeuw die komt. Zoo gaat het voort en voort, en zoo zal het blijven doorgaan tot den einde toe, tot ten leste het punt bereikt is, waarop het niet verder kan, als elke schuUende kracht ontdekt, losgemaakt, beheerscht en volledig aangewend zal zijn; en dan eerst zal die vreeselijke mensch kunnen opstaan, die, als in één hand al de draden van deze velerlei machten vereenigend, ze alle buiten God bezitten, tegen God richten, en als God zal willen aanwenden. Denkt ge u nu de »gemeene gratie" weg, dan zou die ontwikkeling vau menschelijke kracht nooit gekomen zijn, dan zou het terrein voor die ontwikkeling ont­ broken hebben, daa zou het al tot den chaos zijn teruggekeerd. En daarom nu is het, dat eerst in het optreden van den mensch der zonde het slottafereel van het drama der gemeene gratie zal worden afgespeeld.

Vraagt ge nu, of de »gemeene gratie" dan niet zichzelve weerspreekt, als ze heet «genade" te zijn, en eindigt met tot de sterkste openbaring der zonde te leiden, dan hebt ge hier scherp te onderscheiden. Het Kruis van Golgotha is en blijft het hoogste punt der particuliere genade, ea nochtans is het op Golgotha dat der menschelijke boosheid het ontzettendst uitkomt. Is dit tegenspraak ? Ge weet beter. Welnu, niet anders staat het hier. In de volledige ontwikkeling waartoe onder de hoede der »gemeene gratie" allengs ons menschelijk leven en 's menschen macht over de natuur voortschrijdt, wordt God verheerlijkt. Het is zijn bestel, zijn werk, dat er in uitkomt. Hij had al deze krachten in den menschelijken akker gezaaid. Zonder de gemeene gratie zou het zaad dat in dien akker school, nooit zijn uitgekomen, nimmer zijn opgebloeid. Dank zij de gemeene gratie ontkiemde, ontlook het, schoot het reeds hoog in de halmen, en zal het eens in vollen bloei staan, niet den mensch, maar Gode, den hemelschen Landman ten prijs. Het kunstige werk Gods dat Satan vernielen wilde, zal dan tóch voltooid zijn, en zijn voltooiing sluiten. De wereld, als ze geheel af is, zal God, als Bouwmeester en oppersten Kunstenaar verheerlijken. Wat het Paradijs in den knop was, zal dan volledig ontloken zijn. Alleen maar gelijk de mensch door zonde het Paradijs misbruikte, en daarom er uit verdreven moest worden, zoo zal ook de mensch der zonde dit.gansche samenstel eens tegen God pogen te keeren, ea deswege God verdaan worden door den Geest zijns monds.

Dit brengt ons vanzelf op het Oordeel; en ook in verband hiermee moet de gemeene gratie bezien. Met de teekenbg van dit oordeel, gelijk Jezus ons die in Matth. 25 geeft, valt hier niet te rekenen. Die profetie teekent ons in twee breede trekken alleen het lot van hen, die tot den Christus Gods in ware geestelijke verhouding, of althans in valsche schijn-betrekking hebben gestaan. Die profetie geldt het oordeel in zijn middenpunt, herleid tot geloof of ongeloof aan den Christus, en daarbij is natuurlijk van de gemeene gratie geen sprake. Het is in Matth. 25 alleen de liefde om Christus' wil tot de heiligen, die toetssteen is voor eeuwig wel of eeuwig wee. Maar anders is het in het boek der Openbaringen. Daarin vindt ge niet alleen profetisch aangegeven, wat in het oordeel op den voorgrond treedt, maar ook apocalyptisch, wat in het oordeel den achtergrond zal vormen, ea juist dit raakt de gemeene gratie.

Babyion neemt daarbij de hoofdplaats in. Niet het Babyion, waarheen Israël in ballingschap uittoog, maar het telkens zich verplaatsende, altoos stand houdende, telkens haar gelaat veranderende Babyion. Omdat Babyion in de dagen van Jesaia de wereldmacht vertegenwoordigde, en de groote stad van het groote wereldrijk was, dat destijds de samentrekking vormde van al wat menschelijke kunst, menschelijke macht, menschelijke wijsheid, menschelijke weelde, door menschelijke vindingrijkheid had uitgevonden en tot één samenstel ineen­ gezet, daarom is Babyion de zinbeeldige naam geworden, ter aanduiding van die geconcentreerde Wereldmacht selve. Daarom was dan ook in Jezus' dagen niet meer de aloude stad van Nebucadnczar, maar de stad op de zeven heuvelen, de groote wereldstad van Romes keizers het echte, wezenlijke Babyion. Daarom heeft zanger na zanger den naam van Babyion later zelfs op Parijs toegepast. En daarom kan in het algemeen gezegd, dat thans, bij de sneller gemeenschap tusschen land en land en de meerdere algeipeenmaldng van het wereldsch leven, die naam van Babyion, niet meer zoo eng op één bepaalde stad doelt, maar op de wereldmacht in haar algemeene uitbreiding. Gelijk intusschen in Jesaia's dagen de trelken voor het beeld van Babyion aan de stad van Nebucadnezar zijn ontleend, zoo wo: 'den die trekken in het boek der Openba: .-ing van het keizerlijk Rome genomen, maar niettemin dienen ze zoo bij Jesaia als bij Johannes ter uitteekening van het ééne zelfde beeld, dat de wereldmacht als zoodanig, én de eeuwen door vertoont, én eens in haar voleinding in het laatste der dagen vertoouen zal.

De vraag hierbij is nu, welk dat beeld zal zijn. Zal het Babyion, waarover het slotoordeel zal gaan, de gedaante vertoonen van een verwilderde ruwheid, als waarin de zonde zich op lager trap van ontwikkeling openbaart, 'tzij in onze achterbuurten, 'tzij onder de wilde negerstammen van Afrika? Of wel zal dat jongste Babyion in den dag des oordeels de menschelijke ontwikkeling lot het toppunt van verfijning en veelzijdige ontplooiing hebben gebracht? Zoo het eerste, dan zou dit beduiden, dat de gemeene grade haar glans had uitgedoofd. Zoo iiet laatste, dan zou dit het bewijs zijn, dat de gemeene gratie tot den einde toe voort zal gaan, luister over ons menschelijk leven te spreiden, en dat leven van binnen uit te doen glinsteren. En wat vindt ge nu? Sla het i8de hoofdstuk der Openbaring op, waarin Babylons val u geprofeteerd wordt. Reeds in het 14de hoofdstuk was de profetie van het naderend einde vooruitgegaan, toen de engel zong en uitriep: Babyion valt. Maar hier in het 18de hoofdstuk is het aan dien val toegekomen. De bode Gods die het oordeel voltrekken zal, daalt van den hemel neder; de glans van zijn verschijning straalt voor het aardrijk uit, of gelijk er letterlijk staat: > de aarde is verlicht geworden van zijne heerlijkheid". En nu gaat zijn roepen uit; »Zij is gevallen, zij is gevallen, het groote Babyion en is geworden een woonstede der duivelen". De afscheiding treedt nu in. De volledige breuke tusschen kerk en wereld wordt voltrokken. »Gaat uit van haar, mijn volk, opdat gij aan hare zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij niet omkomt in haar plagen, want hare zonden zijn vele voor God geworden, en God is harer ongerechtigheid gedachtig geweest." Trotsch, in zelfgenoegzame hoovaardij, woelt die wereldkracht nog tegen God in. »Zij zegt in haar hart: Ik zit als een koningin, en ben geen weduwe, en zal geen rouwe zien". En juist dan zal haar doem, plotseling, »op éénen dag komen, dood, rouw en honger, en ze zal met vuur verbrand worden, want sterk is de Heere onze God in zijn oordeel." Hier hebt ge dus wel waarlijk de teekening dier saamgetrokkea v/ereldmacht op het eigen oogenblik van haar finalen ondergang. En welk een teekening breidt zich nu voor u uit ? Geen vidldc macht is het, maar een > sterke stad", beeld van een welgeordende en ineengezette macht. »Wee, vitode groote stad Babyion, de sterke stad, want haar oordeel is in één ure gekomen." En in die stad scliittert de pracht van »het goud, van het zilver, van kostelijk gesteente, van paarlen, van fijn lijnwaad, van purper, van zijde, van scharlaken, van allerlei welriekend hout, van allerlei ivoren snijwerk, van allerlei sieradiën gemaakt van het kostelijkst hout, van koper, van ijzer en van marmersteen". Het is in die stad alles volgetast van »kaneel, van reukwerk, van welriekende zalf, van wierook, " volgeladen van > wijn en olie en meelbloem, en tarwe, " volgestuwd van > Iastbeesten en schapen, van paarden, van rijtuigen", en de menschen wandelen om als welgedaan naar het lichaam en fijn ontwikkeld naar den geest (svol van lichamen en zielen der menschen"). Er is in rijken overvloed »de vrucht der begeerlijkheid", er is »wat lekker is", en wat ïheerlijk" aandoet. «Scheepvaart en handel" zullen tieren en bloeien in ongekende welvaart. Er zal een »weelde" heerschen, die alles verblindt, «kostelijke rijkdom" zal den toon aangeven. In wegsleependen toon zal de zuiverste, de keurigste muziek alle weegeklag overstemmen. Er zal zijn »destem der citerspelers, en de stem der zangers, het geklank van de bazuin en het geluid van de fluit." Kunstenaars van alle kunst zullen het leven verheerlijken. Vooral in de avondure, als het kunstlicht ontstoken is, zal de glorie van dit Babylon uitstralen. Tooverij zal aan het leven een mystieken glans geven. Het zal alles één banket en één feestmaal zijn. Zonder einde de stem des bruidegoms en der bnaid. Aldus zal dit groote Babyion op het aardrijk schitteren, en alzoo zal dit groote Babyion «in één ure verwoest worden."

Bij manier van voorweeën werd zulk oordeel reeds herhaaldelijk voltrokken aan elke concentratie van de wereldmacht, die tijdelijk Babyion heeten mocht, en daarna onderging. Zoo is het gezien aan het Babyion van Nebucadnezar, zoo is het rijk der Pharao's ondergegaan, ondergegaan ook het Rome van keizer Augustus. Iets ook voelde men er vaa toen voor nu twintig jaren een deel van Parijs in de petroleumvlam opging, en het volk van die stad zich met rattenvleesch voedde. Maar toch, dat alles zijn slechts de voorweeën geweest, ' voorweeën die zich allicht nogmaals herhalen zullen, maar in dat alles was nog niet de vernietiging van Babyion als zoodanig. In die voorweeën ging Babyion hier onder, om ginds zich weer op te richten, en haar macht te herstellen. Wat daarentegen de Openbaring van Johannes ons profeteert, is niet een tijdelijk verbleeken van die wereldmacht. Ook niet haar ondergang in een bepaalde plaats. Neen, [maar haar algeheele, haar finale ondergang, zulk een ondergang, dat ze daarna niet meer zijn zal. Dan > zal de groote stad Babyion met geweld geworpen worden in den poel des vuurs, en ze zal jiiet meer worden gevonden." Haar oordeel zal in één ure komen. Al wie haar liefhad zal weenen, maar er zal vreugdegejuich bij Gods engelen en bij de heiligen op aarde zijn, want er zal een oordeel Gods in spreken. Want als Babyion verdaan is, dan zal onder haar grondvesten, diep in de aarde gevonden worden, > het bloed der profeten en der heiligen, en aller dergenen die gedood zijn" in hun strijd en worsteling tegen de ongoddelijke wereldmacht.

Hiermede is de gestelde vraag alzoo beantwoord, Op het oogenblik van haar ondergang zaJ Babyion, d. i. de uit het menschelijk leven zich ontwikkelende wereldmacht niet het beeld van een woeste horde, niet het beeld van verdierlijkte ruwheid, maar integendeel het beeld van de hoogste ontwikkeling vertoonen, waarvoor het menschelijk leven vatbaar is. De fijnste vormen. De rijkste ontplooiing van weelde en luister. De volste schittering van wat het leven glinsteren doet en verheerlijkt. Hieruit weten we dus, dat de > gemeene gratie" ten einde toe door zal gaan, en dat eerst wanneer die gemeene gratie alle kracht die in het menschelijk leven schuilt, zalhebbea doen uitkomen, »de mensch der zonde" het geëffende terrein van zijn machtsontwikkeling zal vinden, en dat alsdan eerst het einde nabij is, en het oordeel, niet geleidelijk, maar plotseling, op één dag, in één uur komt.

Natuurlijk moet ook hierbij tusschen de tweeërlei zeer onderscheiden werking der gemeene gratie onderscheiden worden. De «gemeene gratie" werkt op geheel ons menschelijk leven in, maar op die stukken van dit leven niet op even gelijke wijze. Er 19 een gemeene gratie die zich op het inner' lijke, er is een ander deel der gemeene gratie dat zich op het uiterlijke van ons menschelijk leven richt. De eerste werkt overal waar burgerlijke gerechtigheid, huislijkc zin, natuurlijke liefde, menschelijke deugdsbetrachting, scherping der publieke conscicntie, rechtschapenheid, trouw onder me»schen, en zin voor vroomheid het leven doordringt. Het andere deel der gemeene gratie openbaart haar werking, als de macht des menschen over de natuur toeneemt, uitvinding na uitvinding het levea verrijkt, sneller gemeenschap tusschen land en land tot stand komt, de kunsten opbloeien, de wetenschappen onze kennis verrijken, de gemakken en geneugten des levens zich vermenigvuldigen, als er glans op alle levensuiting komt, de vormen zich verfijnen, en het algemeene beeld des levens wint in aantrekkelijkheid.

Maar niet die beide werkingen zullen in het eind der dagen in het «groote Babyion" tot volkomenheid gedijen. De glorie van de wereldmacht, die in het oordeel ondergaat, zal alleen in die tweede soort van ontwikkeling bestaan. Verrijking van het uitwendige leven, zal met de verarming van het inwendige leven hand aan hand gaan. Die gemeene gratie die het menschelijk hart, de menschelijke verhoudingen, de publieke usantiën bewerkt, zal aldoor inkrimpen en minder worden, en alleen die andere werking der gemeene gratie, die het menschelijk hoofd en de menschelijke zinnen verrijkt en streelt, zal haar voleinding tegemoet gaan. Een op het schoonst en blankwit gepleisterd praalgraf, maar voor wie het ontsluit, vol van dorre, riekende doodsbeenderen. Het schitterendst leven van buiten, met den dood in het hart. Dat is het Babyion, dat ten oordeel rijpen zal, en wie nu de schittering van het menschelijk leven in onze eeuw met de dofheid van het leven in de eeuw die voorafging, vergelijkt, die weet waar het heengaat, en welk oordeel hij nu reeds over die ongekend rijke ontwikkeling van ons uitwendig menschelijk leven heeft te vellen.

Feitelijk moet derhalve worden toegegeven, dat de «gemeene gratie" van de

ééne zijde de ontwikkeling der zondige wereldmacht, en zoo ook de macht van Satan, ia de hand werkt. Ook bij de wilde, onbeschaafde volksstammen is de zonde schrikkelijk, maar toch hun ruwe ongerechtigheid vertoont veel beperkter macht der zonde dan onze beschaafde samenleving, In haar wortel is de zonde wel in beide sferen even boos, maar in den dampkring der ruwheid kan op dien wortel de zonde niet zoo volledig uitschieten. Kennis vermeerdert macht, en deswege ook de macht van het kwaad. Zelfs ligt in de weelde als zoodanig reeds een versterking van de zondemacht, die wat er nog solide in den mensch was, ondermijnt en hem voorbeschikt voor zedelijke verslapping en achteruitgang. Satan wist dit, en toen hij daarom den Christus in de woestijn van het Overjordaansche verzocht, wees hij den Zoon des menschen niet alleen op de koninkrijken der wereld, maar ook op T> al hun heerlijkheid", en voegde er bij: swant zij zijn mij overgegeven, en ikgeefze aanwien ik wil." Ook heeft Jezus zelf den Satan genoemd : > den overste der wereld". Onze vaderen hebben er daarom van oudsher steeds op aangedrongen, dat de belijders des Hee ren zich van dien maalstroom der weelde verre zouden houden, wel wetende, dat er het gif van Satan in dwarrelt, en dat wie er zich in dompelt, met dat gif besmet wordt, Een roepstem tot ernst en soberheid, die ook nu niet luid genoeg kan herhaald worden. Satan is in zijn rijk metterdaad door de gemeene gratie verrijkt geworden. Ware de gemeene gratie in het Paradijs na den val niet tusschcn beide getreden, dan zou de ontwikkeling van ons menschelijk leven zoogoed als geene zijn geweest; tegenover de natuur zou de innerlijk geheel verwoeste mensch zoogoed als machteloos hebben gestaan, en alleen in krankzinnigheid, moordzucht en bruten, dierlijken wellust zou de zonde zijn uitgebroken. Alleen de gemeene gratie heeft een ontwikkeling der zonde op hooger voet, in verfijnder vorm, in rijkdom van vertakking, in schitterende machtsontwikkeling mogelijk gemaakt. In alles wat menschelijk is sluipt de Booze in, om het te rooven voor zich en het aan God te ontstelen. Hij beproeft dit zelfs met de particuliere genade. Het zeggen: sLaat ons zondigen, opdat de genade te meerder worde, geheel de antinomiaansche richting, en met name de gruwelen als onder de Munstersche wederdooperij gezien en beleefd werden, zijn en waren niet anders dan een poging van Satan om ook de particuliere genade tegen God te keeren; een poging die alleen door de tegenwerking van den Heiligen Geest verijdeld wordt. Een pogen alzoo dat| nooit anders dan voor een deel, en voorjjeen zeer kleinen tijd, gelukte; dat altoos weer wordt afgebroken, en daarom niet tot een voleinding leiden kan.

Maar geheel anders is dit op het terrein der »gemeene gratie". Daar moet juist dat pogen gelukken, en doorgaan, en tot een slotuitkomst leiden, juist opdat blijke en^iuitkome, dat de gemeene gratie het kwaad wel stuit, maar niet uitbrandt, u wel een kruk biedt om op voort te strompelen, maar u niet de enkelen en de knieën weer vastzet, kortom, dat de gemeene gratie wel een hulpe kan zijn voor dit leven, maar nooit zaligmakend, noch overgaande in het eeuwige leven. Het is juist dat insluipen van Satan in het werk der gemeene gratie, dat de onmisbaarheid der particuliere gratie voor het geloovig hart bezegelt.

Nog altoos staat de wereld tegen de kerk over met haar beweren, dat als de ontwikkeling, als de beschaving, als de verfijning des levens maar doorgaat, het einde moet zijn, dat onze onvolkomenheid overwonnen wordt, en de volmaakte mensch ten leste over zonde en ellende tirumfeert. Ware nu de gelegenheid om tot zulk een ontwikkeling, beschaving en verfijning des levens te geraken voor ons menschelijk geslacht afgesneden geweest, zoo zou de in zonde versmorende menschheid nog altoos roepen kunnen: »Ware ons tijd en kracht gelaten om ons te ontwikkelen en te beschaven, ook zonder de genade Gods zouden we er gekomen zijn en geen Heiland behoeven, " Maar nu kan ze dat niet. Haar is, haar wordt die tijd gelaten, die kans gegund. Haar ontwikkeling deed reeds reuzenschreden, haar beschaving nam alle ruwheid weg, haar verfijning verbaast bij het indenken. En als de uitkomst dezer eeuw dan toch geen andere is, dan dat met al deze rijke ontwikkeling de oude ZOI^AAZX zondaar blijft, en het menschelijk hart eer achteruit tobt, dan dat het reiner zou worden, dan gevoelen we toch nu reeds, hoe er op dezen weg geen heil, op dit pad geen ontkomen te vinden is. En als dit nu zoo doorgaat tot den einde toe, en de ontwikkeling en beschaving eens haar volle middaghoogte zal bereikt hebben, en juist daardoor het verzet tegen God in gelijke mate Idimmen en toenemen zal, totdat God zelfhet eens met den geest zijns monds verdoet, dan zal het einde toch zijn, dat heel de afloop der wereldhistorie één getuigenis voor de onmisbaarheid der particuliere genade geelt, en de voleinding der diagen den Christus Gods als den «enig waarachtigen Zaligmaker der wereld verheerlijkt.

Dit artikel werd u aangeboden door: Vrije Universiteit Amsterdam

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken