Bekijk het origineel

„Met sneeuwwater gewasschen”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Met sneeuwwater gewasschen”

10 minuten leestijd

Indien ik mij wassche met sneeuwwater, en mijne handen zuivere met zeep, dan zult gij mij in de gracht induiken, en mijne kleederen zullen van mij gruwen. Job 9:30, 31.

Joh is niet ieders keurstaf.

Niet als zouden de meesten, aan Job bij het Schriitlezen toegekomen, Job overslaan. Al wie dé Schrüt mint en voor de Schrift buigt, hoort ecrbiediglijk heel haar inhoud aan; dus ook ^et Job incluis. En al vat gQ dari niet elk vers, elke uitSrukking, èïi élk wobrd, de lezing a o v het aanhooren van het geheel^ is dan toch als een bad in den parelenden stroom van wat hoog en heilig en verheven is. Het spant, het stemt, het sticht u, ook al verwart het telkens uw denken. Ge krijgt er een zoo sterken indruk door, hoe er op den achtergrond; van het leven, achter de schermen, een worsteling doorstreden wordt, waarvan de gewone sleurmensch niets merkt, en die toch zoo ontzettend, zoo hartaangrijpend is.

Maar ook al blijft het aldus onze geestelijke leefregel, dat heel de Schrift voor een ieder is, toch belet dit niet, dat het ééne stuk der Schrift den één, en een ander stuk den ander meer toespreekt.

Reeds maken de jaren hier verschil, en verschil de geslachten, en verschil de toestand waarin ge verkeert. Den knaap boeit meer het geschiedverhaal dan een brief aan de Galaten. Johannes' Evangelie spreekt, vooral in jonger jaren, meer den vrmiwlijken zin toe. Of ook, wie zal in de bruiloftsdagen bij voorkeur stichting in de Klaagliederen zoeken, of bij het Avondmaal liever voorlezen van de Kribbe dan van het Kruis ?

En dit verschil nu gaat ook door naar het onderscheid van temperament en karakter. Schier elk kind van God heeft onder de boeken van zijn Bijbel zijn lievelingsboek. Een stuk, waarin hij het best thuis is, waarvan toon en geest meest met zijn eigen geest overeenstemt, een boek dat \ hij terstond en eenig zou uitkiezen, als al de overige Schriften hem ontnomen werden. Zoo zijn er minnaars van Jesaia, liefhebbers van de Psalmen, dwepers met Johannes, bewonderaars van Jeremia, lofzingers van Paulus,

Ook hier geldt het teen ieder naar zijn aard." En in dien zin nu schreven we: Job is niet ieders keurstof.

Er is rijpheid der dagen, er is diepte van zin, er is kracht van geest, er is veel smartelijke levens-en zielservaring noodig, om in Job zijn eigen beeld terug te vinden, en uit Jobs hart uw eigen hart beter dan uit uw eigen zielsbesef te leeren verstaan.

Zoo bij wat hij wan het iwasscheni/iet sneeuwwater" zegt.

»Al waschte ik mij, zoo klaagt hij, in 't sneeuwwater, toch zou God mij in het vuile grachtwater dompelen, en als ik er weer uitkwam, zou ik derwijs bezoedeld zijn, dat mijn kleederen van mij walgen zouden."

Of zooals er letterlijk in onze overzetting staat: »Indien ik mij wassche met sneeuwwater en mijne handen zuivere met zeep, dan zult Gij mij in de gracht induiken, en mijn kleederen zullen van mij gruwen."

Natuurlijk is dat sneeuwwater hier zinbeeldig op te vatten. Sneeuw is het gestolde vocht in zijn blanksten, hemelreinen vorm. En zoo bedoelt hij met dat wasschen in sneeuwwater, een reiniging zijner ziel op het allerzuiverst, zoo blank en rein als het onder menschen, en voor het beperkte menschelijk besef kan.

Welnu, al ware het ook, zoo betuigt hij, dat ik aldus op het scherpst mijn zonden onderzocht en naspeurde, en ze beleed op het alleroprechtst, en niets ontziende, niets sparend al wat zonde of zondesgelijke is van mijn ziel en zinnen afsneed, het zou toch niet baten, en mij toch niet rechtvaardigen. Zoo toch niet zou na deze afwassching het licht van het Goddelijk oog op mij vallen, of wat een oogenblik blank scheen, zou op eenmaal nog diep onrein en bezoedeld blijken, zoodat mijn kleed zelfs er van gruwen zou, om zoo onrein een huid te moeten overdekken.

Ge weet hoe Job tot zoo sterke, hartstochtelijke betuiging kwam.

Hij was als in de handen van den Booze overgeleverd. Doodelijk was zijn hart gewond, niet alleen door het verlies van zijn goed, maar vreeslijker nog door het verlies van al zijn kinderen.op éénen dag, en daarna werd hij zelf aangegrepen met een folterenden zwerenbrand door en over heel zijn wezen. En toen hij nu niet meer kon, en het uitbulderde van smart en zielsverscheuring, toen stond zijn vrouw hem nog te grieven, en hielden zijn dusgenaamde vrienden niet op, zijn verleden, zijn leven, zgn verborgen zielsbestaan aan te vallen. Job moest een misdaad, een verborgen gruwel begaan hebben. Anders zou God hem niet zoo bezoeken. En dat moest er uit. Dat moest Job belijden en bekennen willen. En dat hij dat inhield en betwisten dorst, was niets dan zonde op zonde stapelen, de htdchelende grondtoon van zijn hart.

En zeker, Job heeft toen gezondigd, diep gezondigd, want geen mensch mag zichzelven vervloeken. Maar in die zonde worstelde toch de bleeke ernst van een recht zoekend hart door.

Zijn God en het recht van zijn God was hem te ernstig om met vroom gepraat zich over de bank, waarop zijn scheepke stiet, heen te zetten.

Voor God te zwichten wilde hij o, gewisselijk, maar het viel hem zoo hard, te moeten zwichten, zonder zelf het recht in zijn God te zien.

En dat brengt er hem toe te spreken van dat wasschen van zijn ziel in sneeuwwater, en nochtans te belijden, dat hij desniettemin zwart van zonde zou blijven voor zijn God.

Want zeker, dat wasschen van uw ziel in het sneeuwwater is uw roeping. Dat moet ge gedurig weer doen. En wie dat niet doet, en met de bezoedeling zijner zonde blijft omloopen, veroordeelt den ernst van zijn hart.

Reeds in het gewoon menschelijke leven staat laag, wie met vuil gelaat of ongewasscheu handen aan zijn dagwerk gaat, of ook wie, met vlekken op zijn kleed, in morsigheid uitkomt, zonder dat het hem zelf hindert.

Zelfs het vogelke baadt zich in den morgenstond, en het huisdier, evenals het dier des wouds, lekt zich lijf en pooten schoon.

En zoo kan ook een mensch van edeler zin het met bezoedelde hand of bezoedeld kleed niet uithouden. Het gevoel er van is hem ondraaglijk. Hij moet zich wasschen, en met een reiner gewaad het morsig kleed verwisselen. Eerst als hij frisch gewasschen is en weer in een rein gewaad gehuld is, voelt hij zich als mensch verjongd.

En hoe zou het dan met den adel van het menschenhart te rijmen zijn, indien ge wel uw huid, maar niet uw ziel van haar bezoedeling woudt reinigen, wel uw kleed, maar niet uw hart wildet wasschen van onreinheden ?

En daarom gaat bij wie vroom en vroed is, die reiniging, dat afwasschen der ziel ook dagelijks door. Een afwasschen der zonde, door ze te bekennen^ d. i. ze te veroordeelen, door k er verzoening voor te zoeken, door er meê te t breken^ door ze een oogenblik te haten in uw hart. z

Dat helpt dan wel niet voor altoos. Gelijk als uw hand telkens weer bezoedeld en uw kleed onophoudelijk weer besmeurd wordt, zoo ook, erontreinigt zich uw hart tèlkfen dage' 'w'etjfer; ^

Maar gelijk ge nooit moede wordt, u naar het lichaam eiken dag, en naar uw kleeding u elke week weer opnieuw te reinigen, zoo zet een Christenmensch ook die gestadige reiniging zijner ziel al de dagen zijns levens voort; en nooit wordt hij het moede, om altoos weer zijn zonde te veroordeelen, voor zijn zonde verzoening te zoeken, met zijn zonde te breken, en haat tegen de zonde aan te kweeken in zijn hart.

In dien zin genomen is de uitwerking van het isneeuwwater" dan ook kostelijk; voor zoover het namelijk u in uw eigen besef voor zedelijke zelfverlaging vrijwaart en u de frischheid uwer zielskracht verlevendigt.

Maar... en hier kwam het bij Job op aan, voor Gods oog helpt dat sneeuwater u niet het allerminst, en wie zich ging inbeelden, dat hij nu ook voor God blank als sneeuw zou zijn, omdat zijn eigen zielsbesef den vrede had herwonnen, dien is met het apostolisch woord de diepe waarheid te herinneren, dat sGod meerder is dan ons hart, en alle dingen weet", en dat het ons alzoo niet baat noch helpt, al kunnen we in oprechtheid betuigen, dat ons eigen hart ons nu niet meer veroordeelt.

En datzelfde nu, dat is het wat Job in deze beeldende taal uitspreekt: al wiesch ik mij als sneeuw zoo blank, toch blijf ik voor God's heilig oog zoo zwart bezoedeld, dat mijn kleed van mij gruwt.

De rekening met God is zoo heel anders dan de rekening met uw eigen ziel.

Opdat we vrede zouden kennen, omsluiertGod onze ziel, zoodat niemand ook maar van verre zijn eigen innerlijke bezoedeling doorgrondt. Slechts zooveel toont ons de Heere er van als genoegzaam is, om ons tot berouw en tot schuldbesef uit te drijven. Slechts zooveel als we dragen kunnen. Zooveel als ons oog ontdekken kan, zonder onze ziel weg te doen zinken in vertwijfeling en zellvervloeking.

Zooals God uw ziel aanziet, hebt gij haar nooit gezien, en zult ge haar nooit zien. De een ziet er meer van dan de ander. Het kind van God meer dan het kind der wereld. Een vroom man meer dan een vroom kind. Wie diep werd ingeleid meer dan wie nog zweeft in de oppervlakte des geloofs. Bij het Kruis ziet ge er meer van dan bij de Kribbe. Op uw sterfbed meer dan aan het feestmaal.

Maar zooals gij, op het bloote oog afgaande, zeggen zult dat er op het fluweelen kleed geen stofke meer zichtbaar is, en dat toch de microscoop u nog velden stof op dat zelfde fluweelen kleed ontdekken zou, zoo ook is het hier.

Als uw zielsoog, op het allerscherpst toeziende, niets meer ontdekt, zal het heilig, al doorzoekend oog van uw God nog gansche lagen van zonde in uw binnenste zien, die alleen Hij zelf in uw sterven van uw ziel zal afscheiden.

En daarom spreek over schuld of onschuld met uzelven, en redetwist er over met uw broeder, maar spreek nooit van uw onschuld voor uw God.

En juist daarom kunt ge uw vreugde nooit geheel uit uw vroomheid, en zoo ook nooit geheel uw lijden uit uw zonde verklaren.

De maat van het één is met de maat van het ander niet overeenkomstig.

Naar de mate van de bezoedeling uwer ziel gemeten, zou zelfs een lijden als aan Job overkwam voor den allerheiligste, d. i. minstbezoedelde onder de kinderen der menschen, nog veel te weinig zijn.

Zeker, er is een mate van lijden, die met de mate der zonde overeenkomt, maar die overeenstemmende mate komt voor den zondaar eerst in het vuur dat nooit gebluscht zal worden, en is op aarde alleen door uw Heiland, ook voor u, zoo ge anders Gods kind zijt, gedragen.

Maar in uw lijden op aarde werkt die passende, die overeenstemmende mate nooit.

Wat in uw lijden de mate bepaalt is de nooit feilende blik van uw Medicijnmeester, die uw krankheid kent, en weet wat bittere medicijn voor u geboden, wat pijnlijke kunstbewerking voor u noodig is. En eerst als ge daar boven, eens volkomen genezen, onder de gezaligden jubelt, zal uw mond in heilige verrukking de vaderhand kussen die u zoo doortastend redde en genas.

Zoo zult gij gered, en zal tevens in uw wondere redding de naam van uw hemelschen Heelmeester verheerlijkt worden.

Zalig noemt daarom de apostel dit verdragen., want hoe stiller de lijder zich houdt, hoe zekerder de kunstbewerking slagen zal.

En dit juist toont u het diepgaand onderscheid tusschen de lijders des Ouden Verbonds en den Man van Smarte in het Nieuwe Testament.

Ook Job komt er, maar Job heeft door zijn bitter tegenwoelen zijn eigen lijden in zwaarte verdubbeld; terwijl van den Man van Smarte geschreven staat, dat al zijn zielsworsteling uitging in de stille bede: Vader, neem dezen drinkbeker van mij, tenzij dat ik hem drinke. Niet mijn wil, maar uw wil geschiede!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

„Met sneeuwwater gewasschen”

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken