Bekijk het origineel

Zelfverdediging.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Zelfverdediging.

21 minuten leestijd

Amsterdam, 19 Febr. 1897.

In de Katholiek Dl. CXI p. i v.v. en p. 97 v.v. heeft de heer M. A. Thompson een tweetal artikelen onder den titel: Dr. Kuyper en zijn „Heraut" geleverd, die in de Heraut niet geheel onbesproken mogen blijven.

Over het eerste artikel glijden we vluchtig heen. Waar u een lof wordt toegezwaaid die een man, minder in den strijd gehard, zou doen blozen, past zwijgen, en onder dat zwijgen een zelf merken op allerlei onvolkomenheid, die aan het te welwillend oog van uw goedgunstigen beoordeelaar ontging.

Slechts twee marques de conduite aarzelen we niet openlijk in ontvangst te nemen.

De ééne voor onzen uitgever en onzen corrector.

Men leest toch op blz. 21:

Naar het uiterlijk en in materieelen zin gelijkt De Heraut op de moderne dagbladen alleen door het formaat en de vierde pagina, welke door een zeer gering aantal advertentiën in beslag genomen wordt. Maar ook aan deze uitwendigheid heeft hij niet kunnen nalaten eene zekere wijding en eerbiedwaardigheid te geven. In de tint van zijn papier, in de fraaie lettervormen, in de nauwkeurige redactie en correctie wil hij er eenigermate uitzien als de folio-statenbijbel volgens, de Leidsche overzetring.

Dit alles moet eene zekere duurzaamheid en bestendigheid verleenen, welke de vluchtige »ephemeriden" onzer eeuw niet kennen: een langer leven dan het leven van één dag.

Tegenover veler klacht, rakende slordige correctie, ligt ia deze aanhaling een zelfvoldoening, die men ons niet zal misgunnen.

Maar hierbij laten we het niet.

We verstouten ons nog een tweede citaat op te nemea, en wel van blz. 12, luidende aldus:

Maar niet enkel, gelijk de Hoogcpriester der Oude Wet uitwendig zichtbaar de leer en de waarheid aantoonde, neen, veelmeer is bij Dr. K. het Woord Gods ingegaan in zijn geheelen persoon. Beide Testamenten schijnen in hem vleesch en bloed te hebben aangenomen. Hij spreekt de woorden des levens uit den vollen overvloed des harten. Zijne schrifturen, zijn woord, 't is niet een kunstig ingelegd mozaïek van bijbelteksten, een mozaiek waarin de lijnen der verschillende afscheidingen niet verborgen kunnen blijven. Neen, zijn woord schittert als een veelzijdig geslepen diamant, dat naar alle zijden den glans van het ééne zonnelicht weerspiegelt, Eene schilderij, waar de kleuren zacht iueenvloeien. Zijne uitdrukkingen en zinswendingen, zijn gedachtengang en zijne beeldspraak, de uitingen van zijn gemoed, zijn liefde en haat, zijn toorn en medelijden, 't is alles geheel schriftuurlijk. Door zijn woord gaat de lyrische vlucht der profeten, de klagende toon van David, de zegezang van Mozes, van Debbora en Judith, de vurige liefdepijlen van Paulus en Joannes. Hij verhaalt naar den boeienden trant der historische boeken, hij betoovert den lezer door de navolging van den subliemen eenvoud der Evangeliën.

En zoo heeft hij dan zijn woord geheel omgezet en als van gedaante doen veranderen door de verwe en den gloed van het Schriftuurwoord. De kracht en de majesteit, het pathetische, het teedere en bevallige, hetwelk de openbaringen Gods in het menschelijk woord beurtelings doen uitkomen, is geheel eigendom geworden van zijn geest.

Meer in het bijzonder weerkaatst hij in zijn woord de schoonheid van het Oostersche landschap. Ook deze »zoon der laauwe Westerstranden" verwijlt zoo gaarne onder de zoele, zachte Palestijnsche luchten, mijmerend bij het stille oppervlak der Galileesche meren, rustend onder de ruischende ceders of genietend van de bekoorlijkheid der weelderig begroeide bergruggen. De kruinen van den Thabor en van den Carmel verheffen zoo gemakkelijk zijn oog naar het goddelijke; een atmosfeer van heiligheid en vromen ernst doordringt zijn gemoed; en aldus mediteerend, weet hij den lezer met enkele sobere trekken van zijn penseel over te voeren naar dat eeuwig gedenkwaardige land, en in diens hart over te storten en uit te gieten, wat hij zelf daar gevoeld en gezien heeft.

In deze aanhaling ligt zelfverweer.

Van zekere zijde toch is ons herhaaldelijk het verwijt voor de voeten geworpen, dat we meer philosopheerden dan uit de Heilige Schrift leeraarden, omdat we veel kariger dan onze voorgangers heele reeksen teksten plegen aan te halen.

Dit spaarzame verwijzen naar teksten hing voor ons saam met onze opvatting van de Heilige Schrift als zijnde een organisch geheel, en geen codex van teksten. En hing evenzoo saam met onze practische methode, om niet door vertoon van geleerdheid, in eindelooze citaten, den lezer te vermoeien.

De heer Thompson, wiens meesterschap over compositie en vorm u aau zijn oordeel ubbele waarde doet hechten, waardeert eze methode in deze korte opmerldng:

Hij dringt zijne geleerdheid niet aan u op en wacht zich wel, om den lezer te vermoeien met de namen van auteurs of langgerekte citaten. Hij spreekt niet als een paedagoog, die al onderwijzende u tevens brengt tot besef van uwe onwetendheid: »I1 a toujours Ie ton de la recherche, jamais celui de l'enseignement", zou de Maistre zeggen. Het kan wel niet ontkend worden, dat hij meermalen spreekt velut ex tripode, maar het is evenzeer waar, dat hij den schijn van aldus te spreken steeds zoekt te vermijden, ja, dat hij met een zekere naïveteit en ongekunstelde vormen plaats neemt in uw gezelschap.

Over de juistheid van deze methode is men het thans daa ook vrij wel eens. De boeken met drie kwart pagina noten behooren tot een periode die geoordeeld achter ons ligt. De eisch, die thans geldt, is alleen, dat de kenner bespeuren kunne, dat ge uit dege wetenschap spreekt. De naden van het ^kleed wijst men niet meer met den vinger aan, maar verbergt ze veeleer; mits de stof maar degelijk zij en vast ineenzit.

Juist daarom echter hechten we er waarde aan, dat van onpartijdigen kant thans erkend wordt, hoe we, wel verre van buiten de Schrift om te redeneeren, veeleer zelden anders dan in door de Schrift geïnspireerde taal spraken.

Maar met deze opmerking nemen we van het eerste artikel dan ook oorlof, alleen nog den geachten schrijver de hem toekomende hulde biedende voor zijn waardeerend oordeel, dat, van zijn zijde komende, veel medeminnaars der Gereformeerde belijdenis de oogen uitsteekt.

Iets langer daarentegen staan we stil bij zijn tweede artikel, dat, even hoffelijk in toon, toch scherpe critiek levert, en zekere gemelijkheid over onze feilen niet onderdrukt.

Niet alsof we volledige repliek zouden leveren. We doen dit nu niet, gelijk we het ook vroeger niet deden, toen ambtgenooten van den geachten schrijver ons in ditzelfde tijdschrift, of ook in de Maasbode, te recht zett'en.

De reden hiervan ligt voor het grijpen.

Wie op veelzijdig gebied arbeidt, om langs velerlei weg één geconcentreerd doel te bereiken, mag tijd noch kracht verspelen, om zich door tegenspraak tot oponthoud te laten verlokken, Eén enkele principieel doorgezette polemiek zou, om degelijk te kunnen zijn, voor minstens een half jaar uw gang vertragen, overmits hét ondoenlijk is, over één enkel punt tot akkoord te komen, zonder dat ge telkens op de uitgangspunten van het redebcleid teruggaat. Dat nu doen we wel, als het polemiek geldt, wier tegenspraak onzen eigen kring deert, naardien in dat geval de bestede arbeid in eigen kring het inzicht verheldert. Maar meden het juist daarom meest bij polemiek met mannen uit die heel andere volkskringen, waarop alle invloed voor ons toch is afgesneden.

En wat de heer Thompson in een noot opmerkt, dat hierdoor onze »wetenschappelijke naam" gevaar loopt, zoo zij geantwoord, dat niet waardig is voor een hoog en heilig doel te ijveren, wie er ook het offer van dien wetenschappelijken naam niet voor brengen kan.

Doch ter zake.

's Heeren Thompsons groote grief tegen de Heraut is, dat we de belijdenis hernieuwden van wat onze vaderen het cor ecclesiae noemden, de belijdenis van de vrijmachtige Verkiezing Gods, gelijk die door Calvijn was toegelicht. »Ook wil de//^^a«^, " zoo schrijft hij :

Ook wil De Heraut geene loutere bespiegeHng; evenmin eene wijsgeerige beschouwing en verdediging van het Calvinistisch beginsel. Nog veel minder beoogt het orgaan in de harten der skleine luyden" enkel een platonische liefde voor dat beginsel op te wekken. Neen, de practijk der deugd, steunend op het JWoord Gods" alleen, het daadwerkelijke leven, opgevat en doorleefd volgens de leer van Geneve, ziedaar wat Kuyper met een onultputtelijken rijkdom van wetenschap en vernuft voor de zijnen uiteenzet en door zijn machtig woord illustreert.

En als wij dan in dien doolhof van leerstukken en private meeningen, wanneer wij te midden dier woorden en volzinnen, die als de baren der zee met een zekere drift op u aanrennen — zouden zoeken naar eene leidende gedachte, naar een fundamenteel dogma, dat het geheele bouwwerk van Kuyper schraagt, wij zouden het altijd terugvinden in het leerstuk van de eeuwige voorbeschikking des menschen. Of men met Calvijn poseert als supra-lapsariër, of met de Dordtsche Synode als infra-lapsariër, voor de practijk blijft het hoofdidee der praedestinatie en reprobatie onaangetast. Uit beider voorsteUing vloeit even logisch voort de ontkenning van den vrijen wil en het absolute en algemeene bederf der menschelijke natuur.

Zoo wil pok Kuyper, dat al zijne geestelijke kinderen in deemoedigheid het hoofd zullen buigen voor het sdecretum horribile" van een Souvereinen God. God, zoo spreekt hij, heeft u gepraedestineerd tot een eeuwig geluk of een eeuwig ongeluk, en al uw slaven en zwoegen, al uw lijden en strijden, uw bidden en al de jammerklachten uwer ziel, zullen aan dit onherroepelijk raadsbesluit van den Eeuwige niets kunnen veranderen. Voor de practijk moet ge natuurlijk uw geestelijk huis opbouwen in het krachtige en onwrikbare geloof aan uwe uitverkiezing ten goede, en weldra zal het aanschijn van den onverbiddelijken Rechter zich verhelderen, en de Geest zal met onuitsprekelijke verzuchtingen u toefluisteren, dat gij het kind zijt geworden van een liefderijken Vader.

Ziedaar het thema, dat op eindelooze wijs gevarieerd wordt, de immer naar boven stijgende melodie, die nu eens als een zoet gefluit, dan weer als de klank eener schriktrompet, de ziel van den geloovige komt verruimen of benauwen.

Wij weten niet in hoeverre Dr. K, de volgende stellingen van zijn geestelijken vader onderschrijft:

»Que la chüle des enfants d'Adani vjent de Dieu; Que pour certaines raisons, qui nous sont inconnus, Dieu veut que l'homme tombe;

Que la volcnié de Dieu est la seule raison de l'électlon des hommes, ainsi, la même volonté est la cause de leur reprobation" ').

Nog eei''i wij wi-ten het nie*-'). Laten v/ij iï.jiv. liever tot hdi uitspreken van ïulic eeue goddeiooze blasphemie niet in staat achten.

Maar zeker is het, dat deze en dergelijke leerstellingen als even zoovele monsterachtige dwalingen, als even zoovele aberraties van den hoogmoedigen menschengeest, bij Calvijn gegroepeerd staan rond het systeem der absolute voorbeschikking of met logischen drang daaruit volgen.

Hierop diene tweeërlei.

Vooreerst, dat we niet verstaan, hoe zich een Gereformeerd orgaan zou laten denken, dat niet het cor ecclesiae liet gelden, voor wat dit steeds voor alle Gereformeerde kerken was. We zouden zoo zeggen, ware de Heraut 'niet een getuige voor de vrijmachtige Souvereiniteit Gods, hij zou zijn naam van Heraut onwaardig zijn.

Maar ten andere, wie de Heraut van 1878 aflas, en nauwkeurig opteekendewat daarin over de Verwerping ter sprake kwam, zou een schrale schoof naar den dorschvloer dragen. Zelfs over het leerstuk der Verkiezing hebben we ons niet dan zeer spaarzamelijk uitgelaten.

Indien in dit opzicht ons dan ook een verwijt kon treffen, zoo zouden we het verstaan, dat een geestverwant ons berispte over te vale tint, niet dat een tegenstander ons de schildering van dit stuk Gereformeerde belijdenis, als ware het met te schelle kleuren aangedikt, verwijt.

Doch erger wordt het als de geachte schrijver ons onlogische en valsche redeneering te laste legt, en we stellen er prijs op, althans wat deze aanklacht betreft, zijn ingebrachte bezwaren te toetsen. Een eerste voorbeeld hiervan poogt hij op blz. III te lezen.

Wij haddea gezegd: Geheel het Calvinistisch leten vloeit uit de Schrift voort. En nochtans elders verklaard: Volkomen terecht merkt de heer Lohman op, dat de Calvinisten eerst geleefd, en toen eerst hun leven in theorie gebracht hebben.

En school reeds hierin z, i, tegenspraak, nog grover feil lag, naar hij acht, in onze vergelijking, dat de volken eeuwenlang in genitivus en dativus spraken, zonder nog ooit van naamvallen of van verbuigingen te hebben gehoord.

Hij zegt hiervan:

Reeds de ouden zeiden, dat elke vergelijking mank gaat. Die van Dr. Kuyper is in nog slechter conditie. Zij heeft niet eens voeten om op te staan.

Daar kan immers geene gelijkstelling gedacht worden tusschen de regelen der grammatica en de theorie van een godsdienst. De spraakkunst moet zich natuurlijk ontwikkelen uit de gesprokene talen der volkeren. Zij komt eerst later. Maar bij den godsdienst gaat het juist omgekeerd. Deze ontwikkelt zich uit eene theorie, uit de door God geopenbaarde leer. Zoo is het Christendom ontstaan uit de prediking van Christus. Zoo is het Calvinisme geboren uit de leer van Calvijn. Hoe men deze bewijsvoering van Dr. K. ook wende of keere, men wondt zich overal de vingeren gelijk aan een doornigen tak. Ieder oogenblik ziet men hier de treurigste afwijkingen van een superieuren geest. Een rijk vernuft, afdolende op de kronkelpaden der sophisterij.

Dit nu overtuigt ons niet.

Dr. Joseph Schwane erkent in zijn Dogmenoeschichte, een keurig werk van Roomsche zijde, dat vele dogma's eene geschiedenis doorliepen, waarin »die geistigen Kampie um die höchsten, von Gott geofifenbarte Wahrheiten verfolgt und beschrieben werden, und die Genesis, allmahlige Ausbilduug und endliche Feststellung der Dogmen zum Verstandniss kommt". (I. p. 11.)

Ontkent nu Dr. Schwane daarom, dat de dogma's uit de Goddelijke openbaring worden geput ?

En indien niet, waar ligt dan bij ons de tegenspraak, indien ook wij beide tegelijk staande houden, én dat de Calvinist zijn belijdenis uit de Schrift, de Schrift alleen put, én dat het tot de vaststelling der Calvinistische belijdenis kwam, ten gevolge van een proces, dat door het leven der kerk gaat.

En geldt dit aldus reeds bij de eigenlijke dogma's, het geldt in nog sterkeren zin van de Calvinistische conclusion op juridisch gebied, waarvan in het citaat sprake was. De Calvinist leeft bij de Schrift, de Schrift beheerscht geheel zijn geest, en uit een aldus beheerscht leven ikomt hij daarna, als vrucht van nadenken, tot de formuleering van wat het leven uit de Schrift hem deed inzien.

De vergelijking met hetgeen op taalkundig gebied plaats grijpt, houdt dan ook wel terdege steek, mits men zich houde aan den regel, dat alleen het derde der vergelijking hier in aanmerking komt.

Dit derde van vergelijking nu is hier, dat men niet eerst formuleert en daarna uit de formule leeft, maar omgekeerd eerst leeft uit de waarheid, en daarna dit leven uit de waarheid in formule brengt.

Dat we spreken in genitivus en dativus is geen menschelijke willekeur, maar komt ons met noodzakelijkheid toe uit Goddelijke taalordinantie. Maar eerst lang nadat we uit deze Goddelijke ordinantie geleefd hebben, merken we haar op en pogen haar X& formuleeren.

En juist evenzoo begonnen de Calvinisten uit de Goddelijke ordinantie der waarheid te leven, en vonden ze in dat leven uit en naar de Goddelijke ordinantie hun kracht, om eerst daarna zich hiervan rekenschap te geven, en te komen tot formuleering.

') Instil, Chret. de Calvin, Chap. 13, i^ I.

•) Daar zijn uitdrukkingen van Dr. K. in omloop, welke zijne meening niet helder weergeven. In De Heraut (11 Oct. '96J zegt hij: «Als Simeï David vloekt, is dit Simeï tot zonde, maar dat David dit leed ondergaan zou, stond in Gods voorverordeneering vast". David was dus gepraedestineerd om dit leed te ondergaan. Maar of ook Simeï voorverordineerd was (d. w. z. genoodzaakt in den zin van Calvijn) ligt met deze woorden in het duister. Er staat wel, dat het Simeï tot zonde was, maar deze objectie kan alleen gelden in den mond van een katholiek, omdat deze bij het begrip xzonde"' altijd vrijheid van wil Veronderstelt.

Lucas en Marcus hebben gsiecfd int cle zelfde waarlieid van de heilige Drievuldigheid, als Athanasius en Augustinus, maar de formule van de A'thanasiaansche belijdenis .is eerst daarna uit den strijd die in het leven der kerk met Arius ea andere ketters gevoerd werd, opgekomen. Noch Lucas noch Marcus zou ze zóó hebben kunnen formuleeren.

Als tweede voorbeeld van onze valsche redeneering doet op blz. 112 dienst de disputatie die we met Ds. Bos van Bedum voerden over Gen. G-.j en 8 : 21, 22.

In dit dispuut hielden we staande, dat uitdrukkingen als salie menschen", salie vleesch" enz., ook in de Schrift vaak een beperkte, betrekkelijke beteekenis hadden, en niet noodwendig behoefden verstaan te worden in volstrekten zin.

Dit nu is onze geachte opponent met ons eens.

Maar als we nu ten bewijze hiervoor ons op een reeks Schriftuurplaatsen beroepen, betwist hij ons het recht om ons o. a. te beroepen op i Joh. 2:2 en 2 Petr. 3 : 9. Daar toch, zoo zegt hij, is de beteekenis van »de geheele wereld" en van salie mensch" juist absoluut.

Bij wien schuilt hier nu de logische feil?

Bij elk dispuut behoort ge, om logisch te oordeelen, u af te vragen: Met wien werd gedisputeerd

In casu met Ds. Bos.

Derhalve mocht de Heraut zich hier beroepen op al die Schriftplaatsen, waarvan Ds. Bos erkende, dat ze niet absoluut waren te verstaan. Staat het nu vast dat Ds. Bos, met ons, i Joh. 2 : 2 en 2 Petr. 3 : 9 niet in absoluten zin verstaat, dan bezaten we logisch immers het meest onbetwistbaar recht, om ous tegenover hem ook op deze plaatsen te beroepen.

We zouden dit niet hebben mogen doen in een dispuut met den heer Thompson, althans niet zonder nadere adstructie, overmits we weten konden, dat deze Theoloog de geciteerde plaatsen wel in absoluten zin opvat. Maar tegenover Ds. Bos, die over de uitlegging dezer plaats niet anders denkt dan wij, gold ons beroep als concludent.

De logische fout lag dus niet bij ons, dat wij een ongeoorloofd bewijs tegenover Ds. Bos aanvoerden, maar schuilt, zoo we ons niet vergissen, bij den heer Thompson zelven, die het ad quem over het hoofd zag.

Een laatste opmerking van den heer Thompson, geldt onze positie tegenover »Rome."

Hij beeldt zich namelijk in, dat onze diepste strijd tegen zijn kerk gaat, en dat we bij dien strijd geleid worden, niet door haat, maar door vreeze.

Toch gelooven wij, dat Kuyper in zijn strijd tegen de Kerk door een geheel ander gevoel beheerscht wordt dan Groen. Een gevoel n.l. van vrees, bange vrees voor de toenemende macht van sRome", een gevoel, dat hij wel met voorzichtigheid poogt te verbergen, maar dat niettemin uit vele zijner daden en woorden duidelijk spreekt. Hij ontmoet de Kerk gedurig op zijn weg. Hij ziet dat machtig organisme, dat heel de wereld omvat, en dat niets van zijne kracht inboet of aan invloed verliest, naarmate het verder ingrijpt in de volkeren. Hij ziet, hoe de Kerk niets verwacht van deze aarde, maar in het eind louter steunt op de hulp van Boven.

Kuyper doet evenzoo.

Hij stelt zich en zijne zaak ten slotte geheel afhankelijk van een Souvereinen God, die den wil der koningen geleidt als waterbeken. Maar de Kerk ziet hij ieder uur triumfen vieren, hij integendeel staat tegenover de aanmatigingen dezer eeuw als een smachtelooze". De volkeren, die zich losscheuren van het Protestantisme, verdwalen voor een groot gedeelte naar het ongeloof, een ander deel gaat in de oude Kerk rust zoeken voor het heen en weer geslingerd gemoed.

Die machteloosheid prikkelt hem tot angstige vrees, en in dat bange gevoel roept hij nu de zijnen toe: »Ge moet niet scherp tegen Rome zijn. Ge moet niet op Rome schimpen. Spiegelt u aan het voorbeeld, dat Rome u geeft. Laat u door Rome beschamen, dan zult ge verder komen."

Hier schiet metterdaad de psychologische diagnose ganschelijk te kort.

Vreeze voor Rome is ons ten vreemd. eenemale

We zouden die ongetwijfeld kennen, als we uitsluitend het oog gevestigd hielden op de methodische, concentrische restauratie, waartoe de Roomsche kerk op allerlei terrein de laatste halve eeuw gekomen is.

Maar die vreeze kan niet in ons sluipen, als we rekenen met het feit, dat de aanwas in bevolking en politieke machtsbeteekenis van de Protestantsche en Grieksche staten eenerzijds, en die van de Roomsche staten anderzijds, zoo in Europa als in Amerika, er onverbiddelijk toe leiden moet, om én proportioneel én absoluut de wereldbeteekenis van de Roomsche hiërarchie te doen dalen.

Dit feit is zoo notoir, dat wie de ontwikkeling der wereldhistorie nagaat, geen vrees voor hiërarchische oppermacht van Romes zijde meer kan voelen opkomen. Een feit daarom nog te eclatanter, omdat zelfs in de specifiek Roomsche landen het staatsbeleid niet meer naar de beginselen van Filips en Alva, maar, zij het ook met zekere beperkingen, naar de grondstellingen van Willem den Zwijger wordt gevoerd.

Het tolerari posse van de gewetensvrijheid in specifiek Roomsche staten houdt een veelzeggende bekentecis van machteloosheid in.

En waar aldus voor vreeze ten aanzien van Rome geen sprake is, verheugen we ons veeleer in tweeërlei. -

Vooreerst in den steun dien Rome, in den strijd met het Atheïsme en Materialisme, aan de Christelijke belijdenis biedt. Ook ten onzent ware zonder dien steun aan een Schoohvet, als de minister Mackay ons schonk, van verre niet te denken geweest.

En ten tweede, wijst de methode, waarkwam, ook ons Calvinisten den weg, om tot nieuwe vastheid van formatie en tot het voeren van een methodischen strijd, te geraken.

In verband hiermede ten slotte nog een enkel woord over de opmerking van den heer Thompson, dat de Heraut steeds leeraart, alsof mannen als Thomas en Bellarminus de z.i. fatalistische voorstelling van de Predestinatie niet reeds voorlang weerlegd hadden.

Doch hoor hem in zijn eigen woord. Hem zelf te lezen is altoos genieten.

Hij, die in de kolommen van zijn Heraut zoo gaarne prijkt met den naam van Roomsche theologanten, heeft'hij ooit er aan gedacht, om de leer van de ware praedestinatie en den vrijen wil aan zijn volk voor te stellen of te weerleggen, zooals die verspreid ligt in de Summa Theologica^ een boek, waarin de glans der waarheid toch zeker niet met nevelen omhuld wordt en de scherpzinnigheid van Kuyper te gast kan gaan, zooals in geen boek ter wereld ? Allerminst bevreesd als hij is voor oude folianten, heeft hij ooit één ernstige poging gewaagd om het reuzenwerk van Kard. Bellarminus De controversiis christianae fidei met onbevangen geest te bestudeeren en de klaarheid van dit werk onder de oogen zijner lezers te brengen?

Geen enkel nummer van De Hermit bewijst het.

Prof. Pierson heeft in zijne eerste Studiën over Kalvyn aangetoond, dat de Hervormer de Summa van den Engelachtigen Leeraar niet had gelezen, toen hij zijne eigene Instittitiones schreef, en uit Calvijn's Commentaar blijkt duidelijk genoeg, dat de Commentaria van den H. Thomas hem evenzeer onbekend zijn gebleven.

Geheel anders staat het met Dr. Kuyper. Hij kent den grooten Aquiner, en hij zoekt het waarlijk niet voor de gemeente te verbergen, dat hij in St. Thomas evengoed thuis wil heeten als de besten onder ons. Kuyper is daarenboven een zoon der 19e eeuw, een tijdsgewricht, dat bovenal zich beroemt op wetenschappelijk onderzoek. De gave der critiek ontbreekt ook hem niet. De helderziendheid van den doctor, de arendsblik van zijn geest zal den lezer menigmaal verrassen. Met reden hadden wij dus mogen verwachten, dat zijne onderzoekingen duidelijken invloed zouden hebben op het voorstellen zijner leer. Zelfs de schijn er van is niet te bespeuren. Waar hij een poging doet om ook maar in de verte een katholieken theoloog terecht te wijzen, daar komt men in de verzoeking aan de eerlijkheid dier poging te twijfelen. Calvinistische bekrompenheid heeft hem te zeer in den weg gestaan en de vrees voor het licht der katholieke waarheid zal hem het Roomsche boek weder hebben doen sluiten met een slot van zeven zegelen.

Deze opmerking nu zou doel treffen, indien er van Calvinistische zijde op .de voorstelling van Thomas en van Bellarminus (die voor ons intusschen niet op één lijn staan) nog nimmer repliek ware geleverd.

Maar wie weet, gelijk dit ook aan den heer Thompson niet onbekend kan zijn, dat er geen draad en geen vezel in deze voorstellingen is, waarop niet keer na keer van Calvinistische zijde de meest nauwkeurige critiek geleverd is, kan toch moeilijk den eisch stellen, dat een blad als de Heraut, dat zich wel wacht om negatief in polemiek te verloopen, maar zich integendeel den zeer thetischen eisch gesteld heeft, om het Calvinisme weer ingang te doeu vinden, niet nogmaals die aloude polemiek hernieuwt.

Polemiek om het wapengekletter bekoort ons niet. Polemiek uit strijdlust is den Christen onwaardig. En alleen dan heeft polemiek recht van bestaan, en draagt ze een ernstig karakter, als ze leiden kan tot het overtuigen en winnen van hem met wien ge polemiseert.

Juist dit echter is tegenover den Roomschen vi-ederpartijder afgesneden.

Op geen punt kan hij toegeven, tenzij hij het geheel toegeeft; en dat geheel rust ook bij hem niet op logische redeaeeritig, maar op een mystieken grondslag, die door geen tegenbetoog ook maar geraakt wordt.

In detail-polemiek zouden we anders soms wel lust hebben. Zoo b. v. als de heer Thompson zegt, dat Calvijn weinig meer dan de eerste beginselen van het Hebreeuwsch zou gekend hebben, en een enkele verwijzing naar Prof. Baumgartners studie over Calvijn ') als kenner der Hebreeuwsche taal, hem reeds uit het veld zou slaan.

Maar ook hiervan zien we af.

Studiën - als van Von Kampschulte en Cornelius toonen genoegzaam, dat ook in het oog van Roomsche onderzoekers Calvijn groot kan zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Zelfverdediging.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken