Bekijk het origineel

„Det tarwegraan in de aarde”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Det tarwegraan in de aarde”.

10 minuten leestijd

Voorwaar, voorwaar zeg ik u, indien het tarwegraan inde aarde niet valt en sterft, zoo blijft het alleen; maar indien het sterft, zoo brengt het veel vrucht voort. Joh. 12 : 24.

Achter de natuur om ons heen schuilen zinnige gedachten. AVie nu het oor mist, om die taal der stoffelijke schepping te verstaan, kent de natuur niet. Hij is als de operateur, die het ontleedmes tusschen de spierbundels Iaat glijden, of straks een lijk in stukken snijdt, maar zonder iets te vermoeden of te gissen van wat er sprak in dat bloed, dat afdroop, of in dat hart, dat lilde voor zij^n oog.

Jezus verstond die natuursprake, en heeft ons meer dan één van haar orakelspreuken vertolkt. Denk slechts aan wat Jezus verhandelde van de leliën des velds, van de vogelen des hemels, van het zaad van den zaaier, van het onkruid op den akker, van den bergstroom in zijn vernielend geweld, van den zuurdeesem in het meel, van het mosterdzaadje in zijn groei, van den visscher met zijn net, van den wijnstok met zijn ranken, en zoo ook van het tarwegraan, dat als het niet sterft, niet ontkiemt, en geen vrucht zet, en niet rijpt in de aren.

Legde Jezus er dit nu in, of nam Jezus dit uit de natuur.'' Was het alleen maar dat Jezus er dit zoo bij dacht^ of was wat Jezus uitsprak, reeds gedacht bij de schepping van rank en wijnstok, van den halm met de aren, en met het tarwegraan dat sterven moest ?

Oppervlakkig zoudt ge zoo zeggen het eerste. Jezus dacht het er bij. Jezus bracht dien wijnstok met zich zelf in verband, zonder dat er oorspronkelijk tusschen hem en dien wijnstok verband bestond. Het was een spel van Jezus' verbeelding. Een illustratie die Jezus zelf niet greep, maar schiep. Zoo ge wilt, op Jezus' lippen in welsprekende taal rijmlooze en maatlooze maar toch zoo rijke poëzie.

Maar het is zoo niet.

Sla Mattheüs 13 : 34-35 maar op.

Daar handelt de Evangelist van deze parabélenpoëzie van uw Heiland, en wat betuigt hij u nu?

Dit, dat in deze poëae van het natuurbeeld de profetie vervuld werd: »Ik zal mijnen mond opendoen door gelijkenissen; ik zal voortbrengen dingen die verborgen waren van de grondlegging der wereld."

En met dit woord gaat u een heel ander licht op.

Toen de natuur geschapen is, is ze geschapen niet door een machinalen pottenbakker, die het leem op de schijfindooden, onbezielden, aande gewoonte ontleenden vorm dreef; maar die Schepper was Kunstenaar, was opperste Kunstenaar, die, eer Hij schiep en onder het scheppen, zon en dacht in Goddelijk rijke uitdenkselen; die tegelijk én zijn geestelijk Koninkrijk én zijn redelooze natuur dacht, en nu die natuur schiep als beelddraagster van de gedachten zijns Koninkrijks, en in die natuurvormen en natuurkrachten en natuurverhoudingen de wereld van zijn eigen Goddelijk denken, zoo ge wilt, kristalschietend, belichaamde.

Zoo bezien is derhalve de natuur vol van Gods gedachten. Gedachte/(7w is niets in die natuur Gods. Het is al uit de gedachten Gods opgekomen. En omdat het onzienlijke Koninkrgk en het zienlijke Natuurrijk uit éénzelfde denken Gods is voortgekomen, is beider grondgedachte één, en spiegelt zich de orde van het onzienlijke Koninkrijk in de orde van het zienlijke Natuurrijk af.

Niet slechts een enkel maal. Niet als bij geval. Maar altoos en allerwegen. Omdat God één is, en dus ook één in zijn denkwereld. En alleen omdat die hoogere eenheid de wereld van het zichtbare en onzichtbare, niet nu pas, maar van scheppingswege, doortintelt, grijpt de ziel die gelooft in het doopwater de afwassching der zonde, en in het brood dat gebroken en in den wijn die vergoten wordt het Sacrament van 's Heeren dood.

Alleen maar die natuurtaai is voor ons niet klaar en niet doorzichtig meer. Zelfs moet geklaagd, dat we voor haar schoonheid en bekoring steeds stomper worden.

We kunnen het niet zeker zeggen, maar toch mag vermoed dat in den staat der rechtheid de mensch bijna zekerlijk die natuurtaai verstond. Immers dit meeleven met de natuur vindt ge oudtijds veel sterker dan nu. In het Oosten wordt die natuurtaai, dat spreken in natuurbeelden, nu nog, veel sterker gevonden dan bij ons. Alle dichtkunst leefde er van. En het is het hoog beschaafde stadsleven, in zijn afgetrokken zelfgenoegzaamheid, dat eerst recht het oor voor die sprake der natuur heeft toegestopt.

Nog bij vader Cats school de mystieke kracht van zijn dichtader in dit beluisteren van en saamspreken met de natuuri over de zoo wondere natüurdrift der liefde, die hem in het heilig huwelijk van Christus met zijn Bruid geestelijk was opgeheven.

Maar toch ook in de rijkste Oostersche verbeelding, evengoed als in de warmste natuurpoëiie, blijft dit verstaan van de taal der natuur nog maar al te zeer een gissen.

De sleutel op haar geheimzinnig letterschrift is teloor gegaan.

Er moet in de nog gangbare vertolking wel veel waars schuilen, want zoo veel van die vertolking is aan alle volken gemeen, en zoo veel er in spreekt regelrecht ons hart toe.

Zeker van uw zaak zijt ge in tusschen alleen als Jezus spreekt.

Zeker dan ook, als hij spreekt van het tarwegraan, dat moet sterven om vrucht voort te brengen, wijl het, zoo het niet sterft, alleen blijft.

Dat het in de natuur, op den akker, zoo is, vraagt geen nader bewijs. Wie wil ziet het; wie het niet ziet, is vreemdeling op het veld.

Toch had het ook anders kunnen zijn. De visch die kuit schiet, veel rijker dan ooit een graankorrel zich op eenmaal verveelvuldigen kan, leeft nog als straks de school spartelende vischkens uitkomt.

Dat het nochtans bij het graan zoo werd ingezet, was alzoo Goddelijk opaet, door God aldus gewild, niet zonder reden, maar om reden. Om meerdere reden gewisselijk, maar'ook hierom, opdat in het stervend tarwegraan de sprake zou schuilen' van een wet die in het geestelijk leven heerscht.

Er is een geestelijke gedachte: Wie zijn leven liefheeft, zal hef verliezenj maar wié hé haaf in deze wereld zal het redden ten eeuwigen leven (vs. 25).

En met die geestelijke gedachte correspondeert de natimrgedachte: Indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zoo blijft het alleen, maar indien het sterft, zoo brengt het veel vrucht voort.

Die twee nu zijn één.

De ééne maal geestelijk., en de andere maal natuurlijk., wordt hier beide malen hetzelfde gezegd.

Het is één wet, die naar den aard van het zienlijke in de natuur., en naar den aard van het onzienlijke op geestelijke wijs wordt uitgesproken.

Maar beide malen éénzelfde gedachte Gods, éen zin en meening van den Almachtige.

Het is één woord in twee talen door den Eeuwige gesproken, in de taal der natuur eerst, en toen vertolkt in de taal van het Koninkrijk.

Die ééne wet, die ééne gedachte Gods ging nu alle eeuwen vastelijk door bij alle plant die gezaaid werd, het klaarst en ons meest toesprekend bij alle graan.

Maar diezelfde wet, de sprake van datzelfde mysterie ging ook alle eeuwen door bij alle voortplanting onder de geesten.

De geest, die weigerde te sterven in de aarde, bleef kinderloos, de geest die sterven dorst, had geestelijk gewin.

Toch is op geestelijk gebied die wet ongelijkmatig uitgekomen, nu sterker, ddn zwakker, in graad van toepassing verschillend.

En volstrekt, in haar volledige uitwerking, heeft die wet, die ordinanüe, die gedachte Gods slechts ééamaal uitgeblonken, t. w. in het ondergaan en in het sterven van uw Heüand.

Hier was de volkomen gave tarwekorrel, die gansch vrijwilliglijk in den volstrekten dood inging, maar wiens sterven dan ook de vrucht droeg, waarmee geen andere vrucht van menschelijk lijden, ook maar van verre vergelijkbaar is.

De vrucht van al het overig lijden was en bleef betrekkelijk., hier alleen was die vrucht volstrekt, voleind, vohnaakt.

Toch blijven wij daarom, met Jezus, aan geheel dezelfde wet onderworpen, en wint ge in kracht, naarmate ge u williger aan die wet onderwerpt.

Vandaar dat het Kruis ons ten levenssymbool werd. Vandaar ook dat het apostolaat ons telkens oproept om gemeenschap te hebben aan het lijden van Christus, opdat ge gemeenschap moogt hebben aan zijn heerlijkheid.

De wet van het tarwegraan is de profetie van heel het optreden van den Messias, aldus door hem zelven vertolkt, sdat de Christus alle deze dingen tnoest lijden, om aldus in zijn heerlijkheid in te gaan".

En naar diezelfde wet handelde de martelaar, die zich in den dood gaf, en van diezelfde wet zong de dankbare kerk, hoe ze uit het bloed der martelaren wies.

Uit diezelfde wet leefde van oudsher de wolke der getuigen. Aan die wet is onze eeretitel, van pelgrims op aarde te zijn, ontleend. Alleen door de diepte gaat den rechtvaardige de weg naar boven., gelijk reeds de Spreukendichter zong.

Alleen wie de vernedering aandurft, wordt verhoogd.

Kunstmatig is geen leven te wekken; laat zich geen geesteUjk leven voortplanten. Al wat leven wil scheppen, moet daarom wegzinken in den donkeren schoot van het Goddelijk mysterie. En dan komt het leven, niet alsof die donkerheid kracht had, maar omdat in die donkerheid van het mysterie de kracht Gods werkt.

Hierin Ugt nu ook de vertroosting, en schuilt de hekoring van het lijden.

Niet, dit gist ge wel, die ziekelijke bekoring, die, door valsch gevoel misleid, aan wonden lust heeft en in tranen weemoedig geniet.

Zoo sentimenteele smartvcrgoding heeft niets met den hoogen ernst van het Kruis gemeen. Ze staat rechtstreeks, staat vijandig tegen de sprake van het Kruis over.

Bedoeld is alleen die stille geloofsbekoring van het lijden, als ge nu weet, dat de Goddelijke bewerking, om u te doen ontkiemen, en te doen rijpen, en vrucht te doen dragen, ook bij u een aanvang nam. Dat het hoog ernstig proces, waarin ook voor u de weg ten leven ontsloten wordt, nu begonnen is. Datdehemelsche landman u niet langer als doellooze korrel ^in de schuur liet liggen, maar u nu uitdroeg, en aan de aarde toevertrouwde, om door u geest met geest te gewinnen.

Ken bekoring als van de bevruchte vrouw, die nu weet dat haar ure gekomen is, en wel beeft en huivert nu die ure toe, maar toch ook onder dat huiveren jubelt in haar ziel voor God, dat ze het jonge leven, dat ze inwachtte, nu aanschouwen zal, en aan haar hart drukken.

En zoo nu ook zijn voor Gods kinderen op aarde, zijn voor wie worstelen in geloofsverwachting, de donkere wegen, als ze er aan toe komen, niet vreemd. Ze wisten, dat het eerst zoo zonnige pad op die donkere gang moest uitloopen. En ze treden dien donkere gang in, wel sidderend onder den ernst dier paden, 'maar nochtans dankbaar dat ze er aan toe zijn, omdat door die donkere gang het pad loopt naar het eeuwige licht.

Een bekoring die soms op het kind van God tot in zijn sterven doorgaat. Niet altoos, omdat zoo vaak vóór het sterven de helderheid wijkt van den geloofsblik. Maar wel als dat heldere zien van het geloofsoog tot in den jongsten snik nog stand houdt.

Want dan gaat het voor het laatst de donkere gang in; dan is er een die valt, en in de aarde zal worden weggeborgen: maar ook die doorgang is ten eeuwigen leven, en ook uit dat verborgen tarwegraan ontkiemt de halm.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

„Det tarwegraan in de aarde”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken