Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de gemeene Gratie.

19 minuten leestijd

TWEEDE STUK.

XXII.

Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overleide ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zoo heb ik te niete gedaan hetgene eens kinds was. I Cor. 13; II.

Dat de vrucht, die de gemeene gratie voor heel het leven der volkeren droeg, meê in de eeuwigheid overgaat, bleek ons uit het hemelsch getuigenis, »dat de koningen de eere en de heerlijkheid der volkeren in het nieuwe-Jeruzalem, dat uit den hemel is nedergedaald, zullen inbrengen" (Openb. 21 : 26). En evenzoo bleek ons uit een ander getuigenis, meldende hoe »de werken der gezaligden met hen volgen" naar de overzijde des grafs (Openb. 14:13), dat ook voor de enkele personen de vrucht der gemeene gratie niet teloor gaat, maar eeuwig blijft. Thans rest ons hierbij nog een laatste vraag onder de oogen te zien, namelijk of en in hoeverre de Heilige Schrift ons ook het verband toelicht, dat tusschen de werking der gemeene gratie ia deze bedeeling, en haar vrucht in de eeuwige toekomst bestaan zal. Natuurlijk weten we ook hiervan uit ons zelven niets. De ervaring kan ons ten deze niet te hulpe komen. Bloote gissing geeft geen vastigheid. Meldt de Heilige Schrift hieromtrent niets, dan weten we in dit opzicht ook niets. En ia elk geval is het alleen haar openbaring, die een tip van den sluier kan opheffen, althans voor hem die aan die Schrift gelooft.

Nu is er ééne verklaring van den apostel Paulus, die hier metterdaad licht spreidt. We bedoelen hetgeen hij iu i Cor. 13 zegt over het te niet gaan van deze tegenwoordige kennis, en het ons toekomen in de eeuwigheid van een geheel andersoortige kennis. Stel, als vrucht van de gemeene gratie is een kind van God aan deze zijde van het graf tot zeldzaam veelzijdige kennis, tot een zeer helder inzicht en tot een scherp belijnd oordeel gekomen. Aan deze zijde van het graf stond hij, dank zij die kennis, op veel hooger standpunt in persoonlijke ontwikkeling, dan de matroos die in de zaling klautert, dan een knecht te lande die achter den ploeg loopt, of dan een wever, die de spoel jaagt door de schering van het weefgetouw. Nu sterft die denker, die matroos, die boerenknecht en die wever, vrage, zal nu ook aan de overzijde van het graf die vaardige, kundige, rijke denker ia dit opzicht iets boven de andere drie vooruit hebben, of wel, staan ze in de eeuwigheid volmaakt gelijk? Een diep ingrijpende vraag, die zich uiteraard in allerlei vorm herhalen laat. De één heeft nauwelijks moeite en strijd gekend, de ander is er in opgegaan, en heeit daardoor wilskracht en lijdzaamheid ontwikkeld. Hier sterft er een weg, op wiens pad steeds de rozen groeiden, ginds verkwijnt in dea dood een door smart en verdriet en pijn als achtervolgde ziel, maar die dan ook door lijden geoefend is. En zoo kan men de lijst voortzetten. Op elk punt verschil van levenslot, van aanleg en gang, en ten gevolge van deze onderscheiden levenshistorie is de ontwikkeling van persoon en karakter, van wil en kenvermogen, van gevoel en gewaarwording schier bij allen die wegsterven verschillend. Als ge bij het sterven de geesten geestelijk wegen kondt, zoudt ge, ook afgezien van hun genadestaat en genadeontwikkeling, hun persoonlijke waardij, die meê door de gemeene gratie werd beheerscht, bij allen zien verschillen. Geen twee geheel gelijk. En dit nu doet de vraag opkomen, of de dood dat verschil gelijk maakt, of wel dat aan de overzijde des grafs, juist zooals hier, zeker verschil in vleugelslag zal uitkomen. Let wel, we vragen niet, of dit verschil ook duurzaam in de eeuwigheid zal stand houden. Dit zou tot gansch andere overwegingen leiden. Wat we thans onderzoeken is alleen dit, of, als er op eenzelfden dag twee sterven, wier verhouding ge, wat hun persoonlijke ontwikkeling betreft, als één tot tien kunt stellen, die beide personen dan ook als één tot tien zullen staan, als ze hun oogen in de eeuwigheid openen, of wel dat ze in de eeuwigheid beiden gelijk zullen zijn; nu niet wat hun zaligheid betreft, want die bespreken we thans niet, maar wat aangaat den vleugelslag van hun persoonlijke ontwikkeling.

Raadpleegt gè nu wat Paulus in i Cor. 13 over het te niet gaan der kennisse zegt, dan schijnt het bij den eersten oogopslag, alsof de gestelde vraag in beslist < 7K/kennenden zin te beantwoorden ware. We lezen daar toch: »Wij kennen ten deele, en wij profeteeren ten deele, doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten deele is te niet gedaan worden. Hetzij profetieën, zij zullen te niet gedaan worden, hetzij talen, zij zullen ophouden, hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden.'^ Oppervlakkig bezien schijnt het pleit hiermede dus uitgemaakt. Gaat profetie, taal en kennis te niet, dan baat het u, met het oog op de eeuwigheid, ook niet, of ge aan deze zijde van het graf in profetie, taal en kennis anderen vooruit waart, en staat ge volkomen gelijk met een ander, die noch taal noch profetie noch kennis bezat. Vergelijk het maar met het bezit vari geld. De één sterft rijk, de ander sterft arm, maar omdat wie rijk sterft al zijn goud moet achterlaten, en naakt de wereld uit gaat, staat in de eeuwigheid, wat geld betreft, de aartsmillionair volkomen gelijk met den man in lompen gehuld. Gaat nu, juist zooals het eigendom en het bezit van het geld en goed, ook het bezit van taal, en profetie en van kennis ia het sterven teloor, dan geldt ook hier de regel, dat wie hier rijk aan kennis was, nochtans aan de overzij van het graf volmaakt gelijk zal staan met den man die doodarm aan kennis stierf.

Dat in i Cor. 13 sprake is van geestelijke kennis, die tot het terrein der particuliere genade hoort, en niet van de algemeen menschelijke kennis en ontwikkeling, die uit de gemeene gratie opkomt, doet hier niets ter zake. Formeel toch geldt voor die geestelijke en die menschelijke kennis éénzelfde wet. Sterft de geestelijke kennis, die we hier verwierven, in het graf weg, dan volgt hieruit, a fortiori zelfs, dat ook onze menschelijke kennis het graf niet overleven zal. Dan toch zou blijken, dat in het sterven onze geest zoodanige plotselinge verandering onderging, dat, wat achter ons lag in nevelen werd opgelost, en dat een geheel nieuwe horizon zich voor ons ontsloot; en dat wel op zulk een wijs, dat er tusschen den gezichtseinder in dit leven en den horizon der eeuwigheid geen het minst voor ons waarneembaar verband bestond. Verklaarde de apostel omgekeerd, dat de geestelijke kennis in de eeuwigheid meeging, dan zou hieruit zeer zeker nog niet volgen, dat ook de algemeen menschelijke kennis door het graf in de eeuwigheid [overgleed. Maar als hij verklaart, dat reeds de geestelijke kennis te niet gedaan wordt, dan volgt hieruit wel terdege, dat ook de niet-geestelijke, de wereldsche kennis, als we ons zoo mogen uitdrukken, in geen geval een winste voor de eeuwigheid oplevert. Moest dus de uitdrukking van den apostel, dat onze geestelijke kennis te niet gedaan wordt en ophoudt zóó verstaan worden, dat ze evenals ons goed en geld in het sterven algeheellijk van ons werd afgesneden, dan ware geen andere slotsom mogelijk, dan dat er ook van onze algemeene menschelijke kennis niets, hoegenaamd ook, meê in de eeuwigheid overging. Ons bewustzijn zou dan in het sterven geheel worden uitgewischt; we zouden met een geheel blank, onbeschreven, oningevuld bewustzijn in de eeuwigheid ontwaken, en in die eeuwigheid zou ons bewustzijn een geheel nieuwen inhoud ontvangen.

Bij nader onderzoek blijkt intusschen ten duidelijkste, dat we dit tophouden'* en dit te niet gedaan worden, niet aldus mogen noch kunnen opvatten. De apostel zelf toch verklaart zijn bedoeling nader in deze woorden: » Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overlegde ik als een kind; maar toen ik ee7i man geworden ben, zoo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was." Hier komt dus geheel dezelfde uitdrukking voor: ite niet gedaan hetgeen eens kinds was, " gelijk het even te voren heette: > de kennisse zal yite niet gedaan zuorden". De overgang uit dit in het volgend leven vergelijkt de apostel alzoo bij een overgang uit den kitiderlijken in den manlijken leeftijd. Ongeveer zooals de overgang van onze kennis is, als we van kind man worden, zoo zal ook de overgang zijn van de kennisse die we als man bezaten en de kennisse, die ons de eeuwigheid zal brengen. Beide malen wordt de voorafgaande kennisse te niet gedaan. Kondt ge dus zeggen, dat wie van kiad man wordt, niets uit zijn kinderlijke kennis meê overneemt in zijn kennis als man, zoo zoudt ge evenzoo moeten besluiten, dat v/e ook in de eeuwigheid niets hoegenaamd uit onze aardsf: he kennis meê over zullen nemen. Maar weet ge, juist in tegenovergestelden zin, dat de kennis van den man uit de kennis van het kind ontwi'ckeld en opgegroeid is, dan zegt de apostolische vergelijking u, dat naar de bedoeling van Paulus ook uw kennis, die ge hier op aarde bezeten hebt, van zeer grooten invloed zal zijn op de kennisse die ge in de eeuwigheid zult bezitten.

Of behoeft het nog aanwijzing, hoe geheel het stelsel van onze opvoeding juist berust op de onderstelling, dat ge als kind, in uw kinderjaren, den grondslag moet leggen voor de ontwikkeling in kennis, waarvoor ge als man vatbaar zult zijn ? Is het een te loochenen feit, dat een ganschelijk verwaarloosde opvoeding nawerkt op de ontwikkeling van den manhjken leeftijd ? En ook, staat het niet vast, dat de indrukken die we als kind ontvangen van ongemeen sterken invloed zijn op onze vorming en ontwikkeling als man ? We weten alzoo met zekerheid, dat een kind wel slechts teit deele [Weet, gelijk we hier op aarde slechts teti deele kennen; we geven voetstoots toe, dat de kennis van het kind te niet gedaan wordt, en dat een man anders spreekt, ai\ders .gezind is en anders overlegt dan een kind, juist zooals we hier op aarde een kennis verwerven die te niet gaat, en dat we hier heel anders spreken, overleggen en gezind zijn, dan dit in de eeuwigheid het geval zal zijn; maar tevens volgt er even stellig uit Paulus' zeggen, dat soortgelijk verband als er bestaat tusschen de ontwikkeling van het kind en de rijpheid van den man, er zoo ook verband zal blijven bestaan tusschen de kennisse die we hier op aarde bezaten en de kennisse die in de eeuwigheid ons deel zal zijn. De gestelde vraag moet derhalve in bevestigenden zin beantwoord worden. Er heeft in het sterven niet een uitwissching, maar alleen een verheldering van ons bewustzijn plaats. Het zal niet zijn een opwaken in een heel andere, gansch nieuwe wereld, maar een opwaken als uit de schemering in het volle middaglicht, als uit vage waarneming in de verte tot een klare, volkomen heldere waarneming vlak bij.

Dat we zoo, en niet anders, onzen overgang uit het aardsche leven in de eeuwigheid te verstaan hebben, blijkt bovendien nog nader, uit wat de apostel onmiddellijk op zijn vergelijking tusschen het kind en den man volgen laat. Hij schrijft toch terstond daarna dit: ant wij zien nu als door een spiegel in eene duistere rede, maar alsdan zidlen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten deele, maar alsdan zal ik kennen, gelijk ik ook gekend ben. Er schuilt in dat zeggen een Hebreeuwsche zegswijze, die het recht verstand van deze woorden voor de meesten bemoeilijkt. We zullen deze plaats daarom toelichten. Dit zou niet noodig zijn, zoo een ieder geacht mocht worden, de Kantteekeningen te kennen; nu dit niet kan, is toelichting noodig. Er is hier namelijk sprake van een duistere rede; en het is deze uitdrukking die de meesten in de war brengt. Onder een duistere rede toch verstaan wij een min heldere uitspraak, die men wel leest, maar niet recht begrijpt. En toch heeft wat in I Cor. 13 : 12 staat met zulk een duistere rede, gelijk wij deze uitdrukking vaak bezigen, volstrekt niets uitstaande. Dat dit zoo is, viel reeds te vermoeden uit de bijvoeging: n een spiegel. Hoe ter wereld wilt ge een min heldere zegswijze in eea spiegel zien ? Deze moeilijkheid wordt intusschen terstond weggenomen, indien men weet, dat in het Hebreeuwsch eenzelfde woord gebezigd wordt om zaak en woord uit te drukken. De Jood kan met Dabar zoowel een gezegde als een zaakhtéo& ltn. Paulus, die Jood was, heeft in het Grieksch nu ditzelfde gebruik overgebracht, en onze O verzetters zouden stellig beter hebben gedaan, indien ze vertaald hadden: Maar nu zien we door een spiegel op een duister iets." In een spiegel kunt ge geen rede zien, maar wel kunt ge in een spiegel iets waarnemen. De spiegel weerkaatst al hetgeen tegenover dien spiegel staat of er voorbijgaat. Dit alles kunt ge dus in een spiegel waarnemen. Alleen maar ge neemt dat alles ia den spiegel waar in flauwer gedaante, vooral wanneer de spiegel niet zeer helder is. Nu kende men ia Paulus' dagen nog in het minst niet onze groote, breede, dagheldere kristalspiegels. De toen in gemeen gebruik zijnde spiegels waren niet van glas, maar van metaal, en eenigszins ingebogen. Ze waren meest rond en klein van vorm. Dit nu had ten gevolge, dat in zulke spiegels het voorwerp meest niet dan zeer schaduwachtig, vaal in tint en min scherp iu omtrek werd weergegeven. In vorstelijke paleizen mocht dit eenigermate verholpen worden, door buitengewoon fijn staal te nemen, en dat staal voortdurend te polijsten, maar in het gemeen gebruik waren de spiegels destijds uiterst gebrekkig, en konden niet anders dan een betrekkelijk zeer duister beeld geven van de zaak of den persoon dien ze weerkaatsten.

Ook in 2 Cor. 3:18 spreekt Paulus van zulk een spiegel, en zegt ons: Wij allen, met ongedekten aangezichte, de heerlijkheid des Heeren als in ee7i spiegel aanschouwende, worden naar het beeld dat we in dien spiegel waarnemen vervormd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest". De daar door Paulus bedoelde spiegel is de Heilige Schrift. In die Heilige Schrift zien'we ons een beeld vaa de heerlijkheid Gods in het beeld van Christus geteekend. Maar, zegt de apostel, dat is niet het klare, volle, heldere beeld, zooals de heerlijkheid Gods wezenlijk glanst; neen, het is als een beeld in den spiegel. Wel gelijkend, wel volkomen vertrouwbaar, maar als met een nevel overwasemd. En hetzelfde onderscheid dat in klaarheid en helderheid bestaat tusschen den levenden persoon en zijn beeld in den spiegel, datzelfde onderscheid bestaat ook tusschen de wezenlijke heerlijkheid Gods in zijn majesteit, en tusschen het beeld van die heerlijkheid, dat ons uit de Heilige Schrift toespreekt. Toch heeft ook dit beeld van die heerlijkheid reeds kracht genoeg om ons naar zich te vervormen, en dat dit mogelijk is danken we aan de werking van den Heiligen Geest.

Dit gezegde nu uit 2 Cor. 3:18 licht het andere zeggen van den apostel in i Cor. 13:12 volkomen toe. Ook hier toch is sprake van een spiegel, waarin het beeld van God weerkaatst wordt. Wat we hier op aarde waarnemen is niet God zelf in eigen persoon, maar zijn beeld in den spiegel. Dientengevolge nu is onze kennisse van God zeer gebrekkig, want het beeld van God dat we in den. spiegel zien, is duister, d. w. z. het is niet het wezen zelf, maar slechts een schaduwbeeld, en óók, dat beeld is vaag en min duidelijk. Zoo zien we dan nu in dien spiegel niets dan een duister iets, een min helder beeld van onzen God. Maar ia de eeuwigheid zal dit anders zijn. Dan gaat die spiegel weg. Dan komen we niet meer, gelijk thans, met onzen rug naar God, en met ons gezicht naar den spiegel te staan; maar dan keeren we onzen rug naar den spiegel toe, en zullen met ons gezicht naar God zelven toegekeerd zijn. Dientengevolge zullen we dan niet meer zijn verduisterd beeld in den spiegel, maar Hem zelven van aangezicht tot aangezicht zien, en alzoo Hem kennen, gelijk we gekend zijn van Hem, die ons niet ia een spiegel, maar in ons wezen zelf ziet en doorgrondt.

En is hiermede i Cor. 13:1» volkomen duidelijk geworden, dan kunnen we niet genoeg de rijke beeldenkeus-bewonderen, waarvan Paulus zich bedient, om een zoo omsluierde zaak voor ons op te helderen. In geen beeld toch zoo duidelijk als in den overgang van het kinderlijk in het manlijk bewustzijn, kon hij ons tweeërlei doen^'gevoelen, én het sterksprekende onderscheid tusschen de kennisse die we hier op aarde bezitten en tusschen de kennisse die we in de eeuwigheid zullen hebben, én tegelijk het innig verband en dea nauwen samenhang aanduiden die tusschen beide soorten vaa kennisse zal bestaan. En ditzelfde verduidelijkt liij nu nogmaals door het tweede beeld, waarin hij ons het verschil teekent tusschen het aanzien van een levend persoon ia zija gelaat, ea het zien van zijn schaduwbeeld in een spiegel. Ook hier toch komt weer tweeërlei uit, eenerzijds het sterke verschil tusschen beide, en anderzijds de innige samenhang. Iemands beeld, op zekeren afstand, in een kleinen metalen spiegel opgevangen, is heel iets anders dan de aanschouwing van zijn eigen levenden persoon. En toch, ook bij dit groot verschil, is en blijft het de persoon zelf die zijn beeld in den spiegel wierp, en wie nooit den persoon, maar alleen nog zijn beeld in dea spiegel zag, herkent den persoon dank zij zijn kennisse van het beeld.

Scheen het dus aanvankelijk alsof de sterke uitdrukking: de kennisse wordt te niet gedaan, allen samenhang en verband tusschen onze aardsche kennis en onze kennis in de eeuwigheid wegnam, uit de nadere toelichting van de bedoeling des apostels blijkt wiskunstig zeker, dat we zijn zeggen zoo niet mogen opvatten, maar dat hij integendeel bedoelt, dat wel terdege de ééne kennisse in de andere overgaat, dat tusschen beide een vast verband bestaat, en dat door den dood de samenhang tusschen beide niet wordt verbroken.

Staat dit nu eenmaal vast, dan ziea we tevens van achteren, hoe ook de uitdrukking; We kennen teti deele deze opvatting volkomen bevestigt. Wie toch spreekt van een kennis ten deele, betuigt daarmede, dat jhij zich de volkomen kennisse voorstelt", als in zekere deelen ingedeeld. Hebt ge nu een muur nog slechts ten deele opgetrokken, dan voltooit ge den muur niet, door af te breken het stuk muur dat er was, en er een anderen muur weer voor in plaats te zetten, maar dan voleindt ge den muur juist door te laten staan wat staat, en er het ontbrekende deel aan toe te voegen. Het deel hoort bij het geheel, en om het geheel te hebben, kunt ge geen der deelen missen. Vormt alzoo onze kennisse op aarde een deel, zij het ook nog slechts een klein deel van de volkomen kennisse, dan ligt ook hierin uitgesproken, dat de hier verworven kennisse en ontwikkeling niet wordt opgeheven of weggenomen, maar dat in de eeuwigjheid aan dit kleinere deel het grooter» deel wordt toegevoegd, om eerst aldus te geraken tot de volkomenheid. Alle twijfel of onzekerheid is alzoo ten eenemale afgesneden. Duidelijk wordt in deze apostolische onderwijzing uitgesproken, dat de aardsche kennis in het sterven in de eeuwige kennisse overblijft, wel met zoo groot verschil, dat, bij die eeuwige kennisse gerekend, de kennisse die we hier hadden geheel schijnt ondergegaan, maar zoo dat toch feitelijk hetgeea we hier bezaten een deel van het geheel blijft, en, gelijk in de kennisse van den maa de kennisse van het kind, zoo ook in die eeuwige kennisse onze aardsche kennisse na zal werken en meê zal spreken.

Diegenen vergissen zich dus geheel, die zich inbeelden, dat de vorming en ontwikkeling van onzen geest en de vorming vaa onzen persoon en ons karakter bijzaken zijn, waarop een kind van God nauwlijks te letten heeft, omdat het voor de eeuwigheid toch niet geeft. Het geeft voor de eeuwigheid wel iets, het geeft voor de eeuwigheid zelfs veel. Teloor gaat niets. Al wat hier wezenlijke winste was, blijft winste vooe eeuwig. En wie tot aan zijn sterven toè zich is blijven oefenen, blijven verrijken ea blijven ontwikkelen, zal uit het rijkere kind op aarde eens in de eeuwigheid als rijker man opwaken.

Hiermede stemt dan ook geheel overeen, wat de Heere Christus ons leert in zijn gelijkenis van de talenten. Talenten zijn het beeld van den ons toebetrouwden schat, en ook in het gemeene leven spreken we vaa een man van talent, om daarmee aan te duiden, zijn rijken aanleg en de hooge ontwikkeling waartoe hij gekomen is. Nu zijn die talenten ongelijk verdeeld naar Gods' vrijmachtig bestel. Maar dit leert de Heere, ons dan toch in zijn gelijkenis, dat de maa, van de vijf en van de drie talenten in, de eeuwigheid volstrekt niet gelijk staat met den man van het ééne talent, noch ook dat het er voor de eeuwigheid niet toe doet, ' of men zijn talent eenvoudig bewaard, of dat men het ook ontwikkeld heeft. Die vijf talenten had, won er andere vijf. Dat stelt zijn ontwikkeling voor. Die er één ontving won er geen. Dit stelt voor ontstentenis ca gemis aan ontwikkeling. En nu is het er zoo ver vandaan, dat Jezus dit voor de eeuwigheid onverschillig zou noemen, dat juist de man die zijn talent niet ontwikkeld heeft, doodarm, zelfs van dat ééne talent nog beroofd, de eeuwigheid ingaat, terwijl de man van de vijf talenten, die vijf met de vijf andere die hij er bij won, in de eeuwigheid indraagt. Ook al geven we dus toe, dat én Paulus in I Cor. 13 én Jezus in deze gelijkenis in de eerste plaats doelen op geestelijke kennis en geestelijke talenten, er blijkt daa> toch uit, dat een verrijkt bewustzijn rijk dea hemel ingaat, en een arm, of nog erger, verarmd bewustzijn, ook leeg en arm in de eeuwigheid komt. Er is alzoo overgang, er is aansluiting, er is verband en samenhang. En voor zooveel nu de gemeene gratie het van God verordend middel was, om onzen men-, schelijken persoon hier op aarde te vormen, en onzen geest te verrijken, en ons karakter te ontwikkelen, mag op grond van de Heilige Schrift vastgesteldi dat de vrucht der gemeene gratie, voor wat de enkele personen aangaat, ook wat de verrijking van het leven van hun bewustzijn betreft, volstrekt niet in het graf voor altoos ondergaat, maar, na in het graf te zija weggezonken, weer, eeuwig op zal bloeien in die hooge, rijke en volmaakte kennisse, die eerst de eeuwigheid ons brengen kan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 februari 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken