Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Kinderen.

8 minuten leestijd

DE EERSTE REIS,

VII,

Was onze vriend Walter met juist geenvrooliike gedachten vervuld geweest, toen hij de kust langzamerhand zag verdwijnen, weldra week de treurigheid onder den indruk van al het nieuwe en vreemde dat hij te zien kreeg.

Voor 't eerst bevond hij zich op de wijde, emdelooze zee, wier golven om het schip sloegen en soms bruisend, hoog tegen den boeg opspatt'en. Er woei een tamelijk sterke wind, die de zeden zwellen deed en het schip danste over het water, terwijl alles in beweging scheen, en het vaartuig als een visch door het water schoot, In de verte kon men de witte zeilen van vertrekkende en van huiswaarts keerende schepen onderscheiden, en al turende en rondziende, vergat Waker het land en zijn bewoners en was geheel vervuld — gelijk meermalen — met hetgeen hem juist op dat oogenblik omgaf.

Ongelukkig genoot hij het schouwspel niet • lang. Want plotseling gevoelde hij zich zeer naar en wonderlijk, en eer hij het wist tastte hem de_ bekende ziekte aan, waar veel raad en weinig baat vbör is, maar dié hêt ieinand k a z n v b v e w e d op zee zeer onaangenaam kan maken, Walter althans, terwijl hij daar beneden in de kooi lag, en zich zieker voelde dan hij ooit geweest was, wenschte wel honderdmaal, dat hij maar op 't land was gebleven, waar men althans vast staan kon. Gelukkig echter kwam zijn vriend de kapitein hem troosten, en zei: sDat gaat wel weer over, jongen; met een paar dagen ben je beter. De meesten weten daar een paar dagen van". En schoon nu die paar dagen wel drie paar werden, was toch eindelijk het lijden voorbij, en kon Walter weer uit zijn bed en naar boven gaan, wel wat zwak, maar toch geheel hersteld.

Het schip bevond zich thans in den grooten Atlantischen Oceaan. Het was bestemd naar de Westkust van Zuid-Amerika en had dus — gelijk de lezers op de landkaart kunnen zien — een lange reis, vooral in een tijd toen stoomschepen nog onbekend waren. De brik, waarop Walter voer, was een flink schip, zoo goed als er maar een te vinden was, en daarbij had men dusver niets dan gunstigen wind gehad. Vandaar dat de reis, terwijl Walter ziek was, al eenheel eind was gevorderd en iedereen zich verheugde over de voorspoedige vaart. Wat onzen jongen vriend betreft, hij werd onder 't bijzonder too zicht van den stuurman geplaatst, die, al deed hij 't niet alles zelf, zorgen moest dat Walter alles leerde wat hem als zeeman nuttig en noodig was. Nu, om te leeren was er alle gelegenheid en zelfs tijd meer dan genoeg, wijl er bij het fraaie weder en den gunstigen wind niet bij zonder veel te doen viel. Zoo kreeg dan Walter soms van den eersten, maar meest van den tweeden stuurman onderwijs in de zeevaartkunde en leerde hij onder toezicht van den bootsman de practijk van het vak. Hij moest in de mast klimmen, zeilen helpen reven, touwen leeren winden en knoopen, aan den kaapstander helpen werken, in ée'n woord alle werk leeren doen, dat trouwens heel goed was.

Over verveling had onze vriend dus niet te klagen en over zijn gezelschap evenmin. De stuurlieden, de bootsman en de matrozen waren al aanstonds heel voorkomend voor hem geweest, waarschijnlijk wijl ze begrepen, dat onze vriend onder de bijzondere bescherming van den kapitein stond, en het dus zaak was hem diensvolgens te behandelen. Toch duurde het niet lang 'of Walter had zich, ook om andere redenen, even eigen en bevriend gemaakt met de zeelui hier als vroeger met die in zijns vaders herberg. Daar was iets in den aard van den jongen, 't welk maakte, dat het scheepsvolk^hem bijzonder lijden mocht: hij was moedig tot het overmoedige toe, en daarbij dienstvaardig voor iedereen,

iWel" zoo vroeg de kapitein den eersten stuurman een paar weken nadat onze vriend zijn zeemansleven was begonnen, »schiet u nog al met den jongen, met Walter op? "

»0, u bedoelt den Lord ?

»Neen, Walter Smith."

sjawel, mijnheer, maar ik hoor hem altijd bij zijn bijnaam noemen. Die hebben de mgtrozen hem gegeven, om zijn flinke houding en zijn knap uitzicht. Hij is lang voor zijn jaren, en als hij zoo over 't dek wandelt, zou men hem ook best voor een Lord kunnen houden.

„Nu, ik zie hem vooreerst nog niet zoo'n groot, adellijk heer worden", sprak jde kapitein sMaar wat dunkt u, stuurman, zou er een zeeman van groeien." Dat is de eerste vraag op 'tooseu' blik".

„Ik meen van ja" was't antwoord. sDe jongen heeft een schranderen kop en wil ook wel. En wat het werk betreft, ik heb nog nooit een jongen, ^ die er pas bij was, zoo vlug in de mast zien klimmen, of zoo ferm met de boot roeien als hij. 't Is een hachje. Goed dat hij zwemmen kan, anders had ik hem niet zoo dadelijk met alles mee laten doen. Gisteren heeft hij in 't want gezeten, en hij haalde 't zeil niee in zoo goed als de beste matroos. Van dien jongen groeit bepaald wat goeds".

't Scheen dat die meedeelingen den scheepsbevelhebber recht genoegen deden. Dien avond sprak hij, gelijk meer, zelf weer eens met den ïLord" — zoo werd Walter nu bijna uitsluitend genoemd — en gaf hem goeden raad. Ongelukkig liet onze kapitein den besten achterwege; eenvoudig wijl hij zelf dien ook niet kende. Dat was de raad, dien grootmoeder haar kleinzoon vóór zijn verlrek gegeven had, om op den Heere God tej.vertrouwen, en niet op eigen verstand en eigen kracht te steunen. En nu is het ongelukkig en een bewijs van onze bedorven natuur, dat we zulken raad, die toch de beste is, altijd het eerst vergeten en veel meer luisteren naar eiken anderen. En Walter was niet beter dan zoovelen. Het deed hem goed, dat hij op 't schip al dadelijk zooveel vrienden vond; zijn bijnaam was eigenlijk een eerenaam. En als de stuurman hem prees als een jongen daar wat in zat, of wanneer de matrozen een hoera aanhieven terwijl hij zoo vlug in de niast klom, dan zwol zijn hart van genoegen en ook van zelfbehagen.

't Was dan ook zeer begrijpelijk, schoon zeer treurig tevens, dat Walter den goeden raad van grootmoeder, om eiken dag in Gods Woord te lezen, geheel vergat. De eerste dagen was hij te ziek geweest om te lezen, de volgende week had hij te druk met al de nieuwe werkzaamheden, en nog vele dagen daarna was er nu eens een gesprek met dezen of genen, dan weer het leeren van dit of dat, dikwijls ook 't een of ander vermaak, 't welk hem zoo bezig hield, dat er geen tijd of eigenlijk geen lust was om den Bijbel op te nemen en te onderzoeken. Nu, de kapitein deed het ook niet, evenmin de stuurman en de andere matrozen. Alleen Zondags als er op het schip kerk werd gehouden, kwam de Bijbel even in 't gezicht, en werd er ook soms een goed lied gezongen en een deel van een predikatie gelezen, en uit een boek door den kapitein gebeden. Maar daarmee scheen dan ook elk aan boord wel te denken dat hij Gode gegeven had wat Godes was, en dus verder zich om God en Zijn dienst niet meer had te bekommeren.

Zoo begon Walter dan ongemerkt aldus te overleggen : de kapitein is een knap man, en de stuurman ook, en toch lezen zij nooit in den Bijbel. Vader en moeder zijn evenzoo brave menschen, en toch heb ik hen nimmer een hoofdstuk zien lezen. Waartoe zou ik het dan doen ? Zoo sprak zijn arglistig hart, en 't einde was, dat de Bijbel netjes ingepakt in de scheepskist liggen bleef, goed bewaard voorzeker, maar — al te goed zooals grootmoeder en zeker te recht, zou hebben gezegd. Als iemands Bijbel er altijd nieuw blijft uitzien, vrees ik, dat de eigenaar voor dat fraaie uiterlijk een al te hoogen prijs betaalt.

AAN VRAGERS.

Wat wordt bedoeld met sde beslotene en erlatene" in Deuteronomium 32 : 36:

„Want de Heere zal zijnen volke recht doen, n het zal Hem over zijne knechten berouwen; ant Hij zal zien, dat de hand is weggegaan, n de beslotene en verlatene niets is? "

Deze uitdrukking, die we ook elders vinen, wordt niet altijd op dezelfde wijs ver­ klaard. Sommigen lezen er uit gehuwden en ongehuwden, anderen mondigen en onmondigen; ook wel wordt het opgevat als kleinen en grooten. Doch het waarschijnlijkst is, dat men er onder te verstaan heeft gevangenen en vrijen, zooals men ook in verschillende vertalingen leest. Ook onze Kantteekening verklaart het, als doelende op hen, die ergens gevangen of bewaard zijn en op hen die in 't vrije veld waren. Het bedoelt in elk geval allen, niemand uitgezonderd, 'tzij hij verborgen, opgesloten of vrij was. In de Engelsche vert^ing staat, hij: > die opgesloten is en] hij, die vrij rondwandelt, "

HOOGENBIRK.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 maart 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 maart 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken