Bekijk het origineel

Van de gemeene Gratie.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Van de gemeene Gratie.

19 minuten leestijd

TWEEDE STUK.

XXIV.

En ik zeg u, dat ik van nu aan niet zal drinken van deze vruclit des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer ik met u die nieuw zal drinken in iict Koninkrijk mijns Vaders. Mattli. 26:29.

In zake de overvloeiiag van het leven onder de ïgemeene gratie" in het leven der heerlijkheid moet aan het bijzondere dat we dusver bespraken, thans nog een algemeene beschouwing worden toegevoegd. Dat bijzondere toch betrof uitsluitend de vrucht van de gemeene gratie, die én uit het leven der volkeren, én uit het leven van de enkele personen mee overgaat in de eeuwigheid. »De eere en de heerlijkheid der volkeren" wordt in het nieuw Jeruzalem ingedragen, en ook hun die ingaan ia dit nieuw Jeruzalem ^volgen htm werken na" Iets waarbij tevens door ons is aangetoond, welk verband er in dit tweeërlei opzicht tusschen het leven hier ea het leven hiernamaals bij het licht der Schrift gezien wordt. Het kind wordt man; wat hier in spiegelbeeld gezien werd, zien we daar in het wezen. Doch afgescheiden van dit bijzondere, dat meer bepaaldelijk op de vrucht van de gemeene gratie voor het eeuwige leven doelt, dient thans ook de vraag besproken te worden, hoe de gemeene gratie, als ze ten slotte ophoudt en een einde neemt, aansluit aan den toestand, die daarna komt. Ten eiade nu ook •hier ons uitgangspunt in een stellige uitspraak der Heilige Schrift te nemen, gaan we bij deze bespreking uit van het op zich zelf eeaigsrins raadselacliüge zeggen van Jezus bij de Avondmaalsinstelling: »Ik zeg u, dat ik van deze vrucht des wijnstoks van nu aan niet zal drinken, totdat ik die met u nieuw zal drinken in het Koninkrijk mijns Vaders". Woorden, waarover men meest heenlas, en waaraan dusver door de kerk, in haar breeder afmeting, niet al te ernstige beteekenis is gehecht.

Op drieërlei wijze heeft men deze raadselachtige woorden o. i. onvolledig pogen te verklaren. Op het eenvoudigst heeft men ze willen uitleggen, als de aankondiging, dat Jezus vóór zijn sterven en tot na zijn opstanding geen wijn meer met zijn discipelen drinken zou. Na zijn opstanding zou hij dit hier wel hebben gedaan. Anderen weer oordeelden, dat de wijnstok hier niet in eigenlijken, maar ia overdrachtelijken zin te verstaan was. De heerlijkheid die komt wordt vaak afgebeeld als een maaltijd vol wijn en mergs. Jezus zou dan bedoeld hebben: Dit Paschamaalis ons laatste feestmaal op aarde. Wat nu komt is ons feestmaal in de eeuwigheid. En een derde uitlegging eindelijk meende het geheel als beeldspraak van een geestelijk drinken te moeten opvatten en bracht het in verband r.'iet ons aanzitten aan het Avondmaal. Slechts hier en daar dook tenslotte een vierde, o, i. juister verklaring op, dat de woorden in letterlijken zin zijn op te vatten, en datjezus hier uitspreekt, hoe ook op de nieuwe aarde de vrucht des wijnstoks zal gekend worden, maar dan in een hooger heerlijkheid, en hoe Jezus van het heilig Avondmaal opeens overgaande op zijn wederkomst, eerst in die toekomende heerlijkheid de voortzetting van het dusver genoten aardsche leven aan zijn jongeren voorspiegelt.

Dat het een woord van gewicht is, mag reeds daaruit afgeleid, dat het én bij Mattheüs, én bij Marcus, én bij Lucas voorkomt. Bij Marcus is het nog versterkt door het voorvoegsel: Föörzf««r"ikzegu." En bij Lucas staat het ia eenigszins gewijzigden vorm aldus: Ik zeg u dat ik niet meer drinken zal van de vrucht des wijnstoks, totdat het Koninkrijk Gods zal gekomen zijn", wat voor de beteekenis geen verschil maakt. Meer belang boezemt het dan ook in, dat Lucas aan dit zeggen over »de vrucht des wijnstoks", nog een gelijksoortig zeggen van Jezus over het Pascha laat vooraf gaan. Bij hem toch lezen we (22:15, 16): En hij zeide tot hen: k heb grootelijks begeerd, dit Pascha met u te eten, eer dat ik lijde; want ik zeg u, dat ik niet meer daarvan et~n zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods." Op deze nóg raadselachtiger woorden vestigen we intusschen slechts in het voorbijgaan de aandacht, in zooverre er uit blijkt, datjezus zijn profetisch woord niet tot den wijnstok bepaalde, maar met wijn én brood ia verband bracht. Te ontkennen valt toch niet, dat we hier het voorspel vinden van wat Paulus in dezer voege uitdrukte: Gedenkt den dood des Heeren totdat hij komt." Jezus zal nu sterven, en na zijn opstanding opvaren ten hemel. Dit dreigt voor het besef der apostelen den Christus en zijn Koninkrijk geheel te vergeestelijken, zoodat ze voortaan alle verband tusschen Christus en deze aardsche schepping uit het oog zouden verliezen. Uit de wereld weg en naar Jezus toe, om nu niets dan Jezus te bezitten, en Jezus uitsluitend geestelijk te bezitten, en voorts aan heel Gods zienlijke Schepping, aan dit kunstgewrocht van zijn scheppende macht niet "meer te deuken. Dit nu ware den Christus deelen, aan zijn vleeschwording alle beteekenis ontnemen, zijn opstanding voor niets achten, zijn bestaan in ons vleesch in den hemel waardeloos maken, om niets dan QtVi geestelijken Jezus over te houden. De ontzettende dwaalleer, idle loochent dat Jezus in het vleesch gekomen is", van den antichrist volgens Johannes' getuigenis uitgaande, kon aldus insluipen in de kudde des Heere. - Tegen dit gevaar om den Christus te vergeestelijken treedt nu het Sacrament van het heilig Avondmaal op, dat zeer tastelijk op brood wijst en brood laat breken en eten, en wijn laat schuimen in den beker, en uit den beker laat drinken, en in deze beide teekenen zichtbaar wijst op de vleeschwording, het lijden, het sterven en de opstanding. Immers dat brood is zijn lichaam, en die wijn is zijn bloed.

Die zinbecldige gemeenschap van brood en wijn zou intusschen ook een geestelijke realiteit hebben door de werking des Heiligen Geestes, en als eenmaal deze bedeeling was afgeloopen, en de Heere wederkwam, zou het Sacrament weer wegvallen, en de vleeschelijke betrekking tusschen Jezus en de zijnen hersteld worden. Het Avondmaal staat dus als hulpmiddel tusschen Golgotha en de Parousie in, om in die tusschenperiode waarin Jezus in den hemel is, het tastelijke bij het geestelijke te voegen Maar natuurlijk dat duurt maar totdat hij komt. Dan heeft dat zinbeeldige weer uit, en keert het reëele weder. En deze tusschenperiode nu overziende, en het Paaschmaal rechtstreeks aan zijn wederkomst aansluitende, zegt Jezus : Dit Pascha zal ik dan eerst weer met u eten, en dien drinkbeker dan eerst weer met u drinken, als het rijk der heerlijkheid op de vernieuwde aarde onder den vernieuwden hemel zal gekomen zijn. Zoo verstaat men, uit wat oorzaak deze merkwaardige woorden juist op dat oogenblik gesproken werden. Ze komen niet langer vreemd, los en zonder samenhacg tusschen het bij het Avondmaal gesprok'-ne in te staan. Juist zooals we de béi^ekenis verstaan van Paulus' bijvoeging: totdat hij komt, zoo ook verstaan we den zin van wat Jezus hier sprak over den nieuwen wijnstok.

De stoffelijke beteekenis van Jezus' woorden handhaven we tegenover hun geestelijke of sacramenteele duiding, omdat de stellige bewoordingen waarin Jezus zich uitsprak geen andere uitlegging toelaten. Jezus zit met zijn jongeren aan den disch. De kanne wijns stond voor hem, en de beker was ingeschonken. Dien beker met wezenlijken wijn hief fezus op, dien liet hij rondgaan onder de discipelen, dat ze dronken. En onderwijl er aldus wezenlijke wijn rondging en gedronlcen werd zegt Jezus nu: Van deze vruöJit des wijnstoks zal ik niet meer drinken." Zoo duidelijke, stellige woorden nu geestelijk of sacramenteel op te vatten gaa; : ier metterdaad niet aan. De vrucht des wijnstoks kan niets anders beduiden dan wezenlijke wijn. En van dien wezenlijken wijn nu zegt Jezus, dat hij dien met zijn joageren voortaan niet meer drinken zal, edoch dat het niet-diinken van dezen wijn eens een einde zal nemen, en dat wel cp een bepaalden dag. Er staat toch: ot op den dag dat ik dien nieuw zal drinken in het Koninkrijk Gods." Op en na dien dag keert het gebruik vaa den wija terug, edoch onder anderen vorm. Het zal dezelfde vrucht des wijnstoks zijn, maar nieuw. Ook de vrucht des wijnstoks zal derhalve op de nieuwe aarde een nieuwen hmgeren bestaansvorm ontvangen, en ia diea nieuwen vonn zal Jezus in dat rijk der heerlijkheid den wijn eens met zijn jongeren drinken, als het Koninkrijk zijns Vaders zal zijn ingegaan. Aan een weer drinken van wijn na de opstanding van Jezus uit de dooden, kan derhalve niet gedacht worden, want na de opstanding des Heeren was het nog de oude zelfde wijn van vóór zijn sterven. Zelfs nu nog is het de oude wija dien wc aan het Avondmaal gebruiken. Nieuw kan ook de wijn eerst worden op de nieuwe aarde onder den nieuwen hemel. Iets waaruit tevens volgt, dat evenmin aan het Avondmaal zelf kan gedacht worden, overmits ook bij het Avondmaal de wijn nog oud en nog niet nieuw is. En wat men gezegd heeft, dat het Koninkrijk zijns Vaders terstond na zijn hemelvaart op den Pinksterdag is ingegaan, en dat hier dus geen sprake zou zijn van het rijk der heerlijkheid, maar eenvoudig van de kerk des Nieuwen Verbonds, is evenmin aannemelijk, daar Jezus nog pas te voren (zie Matth. 25 : 34) verklaard had, dat eerst in het oordeel tot de gezaligdea zal gesproken worden: Komt, gij, gezegenden des Vaders, beërft dat Koninkrijk dat u bereid is van vóór de grondlegging der wereld." Al kan men toch in zekeren zin zeggen, dat het Koninkrijk reeds nu gekomen is, in geen geval mag beweerd, dat het kwam op den Pinksterdag. Neemt ge het Koninkrijk louter geestelijk, dan was het er reeds vóór Jezus' sterven, want Jezus zelf sprak: uHet Koninkrijk Gods is binnenin ulieden." Neemt ge het daarentegen én geestelijk éa uitwendig beide, dan komt dat Koninkrijk bij Jezus' hemelvaart hemelsch, doordien Jezus nu gezeten is aan Gods rechterhand, maar tiitwending en aardsch kan het dan eerst komen met zijn wederkomst op de wolken, wanneer de laatste vijand aan Jezus' voeten zal onderworpen worden, en het Koninkrijk aan de7i Vader zal worden overgegeven, om nu eerst in vollen zin thet Koninkrijk des Vaders" te heeten. Overmits Jezus nu niet zegt; iTotdat mijn Koninkrijk zal gekomen zijn", maar: Tot op den dag dat we dien nieuw drinken zullen in het Koninkrijk des Vaders", is elke andere uitlegging uitgesloten.

Staat dit nu alzoo vast, dan volgt hieruit, dat Jezus ons het leven op de nieuwe aarde voorstelt, niet enkel als een geestelijk leven, maar ook als een uitwendig leven ia rijke scheppingsvveelde, en dat die weelde uit de oude schepping, die nu onder den vloek ligt, daardoor zal voortkomen, dat God het aanschijn, de gedaante van dit aardrijk vernieuwt, en zoo ook den wijnstok in veredelden overgangsvorm doet uitkomen. De grondgedachte is hier derhalve, dat de schepping die God eens door zijn machtwoord ia het leven riep, bestemd is om eeuwig te blijven; dat ze nu ingezonken en van haar Paradijsglans beroofd is; maar dat ze door een machtdaad Gods, die zal plaats grijpen bij de wederkomst van den Christus, uit haar inzinking zal worden opgericht, om alsdan eeuwiglijk in meer dan Paradijsglans te schitteren. Moet ge alzoo > de wereld", nu ze in het booze ligt, en voor zoover ze in het booze ligt, mijden en vlieden, ge moet diezelfde wereld, in haar kern ea wezen, als kunstgewrocht van de almacht uws Gods, om Gods wille, liefhebben ea eeren. Ge moogt niet willen dat ze, om uw geestelijke eenzijdigheid te voldoen, wegga en vernietigd worde, maar ge moet hunkeren naar het oogenblik, waarop ze de bezoedeling zal afwerpen, en in nieuwen vorm, als voleind kunstgewrocht van uw God zal uitblinken. De wereld gaat dus niet teloor. Wat voorbijgaat is de tegenwoordige gedaante der wereld; maar wat blijft is de schepping Gods en die schepping Gods zal opklimmen tot nog hooger heerlijkheid dan ze in de schepping vertoonde. Zooals ze geschapen was, was ze bestemd om zich tot nog rijker glans te ontplooien. Dit is door den vloek tegengehouden. In stee van rijker te worden, is ze verarmd en verdord. Maar aan deze verdooving van den glans van het goud wordt eens paal en perk gesteld, en dan komt al het schoon weer uit dat ia haar school, alsdan tevens tot zijn hoogste toppunt opgevoerd. Jezus zelf noemt dit de wedergeboorte der schepping (Matth. 19 ; 28). En bij den Paaschmaaltijd lichtte hij dit woord in dien zin toe, dat ook de vrucht des wijnstoks in het rijk der heerlijkheid, mits dan veredeld, overgaat. Iets waar wij wel niet aan willen. Wij geven die wereld in ons sterven liever prijs, en begeeren alleen den hemel te bezitten. Maar de ordinantiën Gods zijn niet alzoo. De aarde wordt eens nieuw, u wordt eens een vernieuwd lichaam gegeven, en eeuwiglijk zult ge uw aanzijn in heerlijkheid hebben, niet enkel geestelijk, maar óók lichamelijk, niet onzienlijk alleen, maar ook in het zienlijke, onder velerlei weelde óók drinkende van de vrucht des nieuwen wijnstoks.

Brengt ge dit nu met de gemeene gratie in verband, dan ontwaart ge terstond, hoe de »gemeene gratie", die niet alleen op uw zielsleven, maar ook op uw licha­ melijk bestaan, en op de instandhouding van deze wereld betrekking heeft, die wereld in stand hield, opdat ze in »den grooten en doorluchten dag, " vernieuwd zou kunnen worden. Ware de gemeene gratie niet ingetreden, dan zou zonde, vloek en dood terstond na den val hebben doorgewerkt tot den einde toe, heel deze wereld zou ganschelijk verdorven zijn geworden, en er zou ten slotte niets dan één machtige wildernis zija overgebleven. Dit nu heeft de ïgemeene gratie" afgeweerd. Ze stuitte de voortetiag van dezen kanker. Ze stremde de volstrekte doorwerking van dood en verderf. Zij het dan omfloerst en omneveld, de wereld als zoodanig bleef in stand. De zon bleefopgaan over boozen en goeden. God had het aan Noach gezworen in zijn algemeen genadeverbond, dat de vloed het aardrijk niet zou verdelgen.

Zoo is dan de wereld ook in stand gebleven, en dank zij de doorgaande ontwikkeling der gemeene gratie in het menschelijk leven, is zelfs de gedaante van het aardrijk allengs verrijkt. Wie het hart van Afrika vergelijkt met onze landouwen merkt dat verschil. Wat al wildernissen zija niet omgezet in schoone bebouwing. Wat al vi^ateren zijn in hun bedding opgesloten. Wat al plassen zijn droog gemaakt en met velden bekleed. Hoe heeft niet allerwegen menschelijke bewoning de eerst wilde streek geordend en lieflijk gemaakt. En zoo ook wat schatten zijn niet uit de diepten en holen der aarde tp voorschijn gehaald; wat krachten die sluimerden zijn niet wakker geroepen; wat heeft menschelijke hand niet allerwegen de gedaante en de waardij van den bodem tot hooger stand weten te brengen. Zoo ziet ge dus wel, hoe de gemeene gratie volstrekt niet alleen strekt om de burgerlijke gerechtigheid aan te brengen, maar hoe het ook één harer vruchten was, dat ze de aarde die doornen en distelen voortbracht, omgetooverd heeft in een schoone, rijke winstc biedende natuur. Hiertoe nu is de wereld in stand gebleven, is haar inzinking tegengehouden, en ze zal er, als Jezus wederkomt nog zijn, volkomen geschikt om alsdan door Christus vernieuwd en in haar rijkste ontplooiing uitgebracht te worden. Wel verre dus van te zeggen: de zichtbare wereld gaat voor eeuwig weg, en wat blijft is alleea de onzichtbare kerk, moet omgekeerd betuigd, dat de zichtbare kerk voor altoos weggaat, ea dat hetgeen eens eeuwig in vernieuwden vorm blijven zal, is deze aarde, met daarop ons menschelijk geslacht, edoch dit alles vernieuwd, een menschelijk geslacht van niets dan uitverkorenen onder den Zoon des menschen als aller Hoofd.

Wil men dus het rijk van de Natuur en het rijk der Genade tegenover elkander stellen, dan moet beleden, dat de genade strekt, om de natuur te redden en tot haar verheerlijking te brengen; maar dat, als dit werk der genade voleind is, de dienst der genade uit zal hebben, en het rijk der heerlijkheid het rijk zal zijn van de geredde, verheerlijkte natuur, het uitblinken van Gods oorspronkelijke Schepping ia volmaakten luister. Nemen we toch genade in den zin van een kracht Gods die tegen de zonde ingaat en van het verderf redt, welke werking zou van deze genade dan nog kunnen uitgaan, als eenmaal alle uitverkorenen ter zaligheid zullen zijn ingegaan, uit aller hart alle smet der zonde zal zijn weggenomen, en als het laatste spoor ol overblijfsel van den vloek, van onze ziel, van ons lichaam,

en van onze wereld zal zijn weggenomen? Waar alles geheiligd en verheerlijkt is, valt de mogelijkheid zelfs van een verdere wer­ I king der reddende genade weg.

Natuurlijk is en blijft voor eeuwig Christus' zoenverdienste de grondslag waarop het gebouw van aller zaligheid rusten zal, en ook spreekt het vanzelf, dat de verlosten eeuwiglijk God zullen danken voor zijn > onuitsprekelijke gave", wetende hoe ze alleen door genade verlost zijn en uit louter genade de heerlijkheid genieten; maar een reddende, een verzoenende, een wederbarende werking der genade is dan volstrekt ondenkbaar geworden. Waar niet één zondaar, en in niemands hart eenige zonde meer is, daar valt niet meer te redden, omdat allen gered zijn, wie te redden waren, en niemand meer zal kunnen verloren gaan. De zaligheid zelve sluit in haar voltooiing elke gedachte van reddende genade uit. Alle vrucht der genade, zoo der gemeene gratie als der particuliere genade, zal daarom alsdan in de verheerlijking van het oorspronkelijk Scheppingsplan, d.i, in het rijk der Natuur zijn opgenomen; en Christus zal dan tevens het Koninkrijk weer aan God den Vader overgeven, omdat het groote werk van verlossing dan zal zijn voleind en afgeloopen, en God de Vader in zijn geredde, herstelde en tot hooge heerlijkheid vernieuwde schepping triomfeert. Dan zal de aarde vol zijn van de heerlijkheid des Heeren, en God tegenover Satan de victorie doen uitkomen in gansch het heelal. En dan zal het blijken, hoe de gemeene gratie met de particuliere genade in wondere harmoniej^heeft saamgewerkt, om het werk Gods, zij het ook langs twee verschillende wegen, op ditééneschoone einddoel te doen uitloopen.

Van de vernieuwing die deze wereld alsdan ondergaan zal, kunnen we ons slechts bij benadering en bij manier van vergelijking een denkbeeld vormen, omdat de Schrift zelve ons uitsluitend op deze wijze daaromtrent onderwijst. Gelijk de zilversmid oud goud opsmelt, om uit liet versmolten goud fonkelnieuwe sieradiën te smeden, zoo ook zal God de Heere deze verouderde en versleten wereld opsmelten, en zullen alle elementen brandende worden bevonden, om straks uit die versmolten massa de daarin gehandhaafde levenskiemen in schooner vorm door afkoeling te doen voortkomen. Voor dezen wereldbrand liggen de onmetelijke vuurmassa's nu reeds in het binnenste der aarde gereed, en de vuurspuwende bergen herinneren er ons gedurig aan, hoe onder de aardkorst waarop wij wonen, het groote wereldvuur zich verbergt. Hoe kool en diamant slechts andere vormen zijn voor éénzelfde grondstof toont reeds de scheikunde, en de Schrift wekt de voorstelling, hoe eens wat nu gewone steen is altegader »kostelijk gesteente" zal zijn, als om onseden veel hooger graad van volmaaktheid aan te toonen, die alle leven alsdan bezitten zal. Reeds hier toont' ons God de schaal waarlangs ge van het lage naar het hooge opklimt. De kapel uit den worm blijft altoos het sterkst sprekend voorbeeld, om ons nu reeds den overgang uit onooglijken in luisterrijken vorm met onze voorstelling te doen doorloopen; maar hier moeten we n dan het proces nog een stadium verder laten doorgaan, en het ons voorstellen, dat de h kapel nogmaals overging'^in een nog hoogeren vorm, op haar beurt even hoog boven de vlindergestalte uitstekend, als de vlinder met zijn met stofgoud overdekte vlerken reeds uitstak boven den kruipenden worm. En denkt ge u naar die mate en wijze allen bestaansvorm van aardsche existentie of van menschelijk leven verhoogd, vernieuwd en verheerlijkt, J weg alle plage die kwelt, alle insect.'dat vernielt, alle gif dat doodt, alle ziektekiem t die krank maakt; geen uitputting meer en h geen ofïeren meer van levenskracht; geen koude meer die verstijft noch hitte die be­ v nauwt; het al overdropen niet meer met b het licht der zon of met het schijnsel van de maan, maar zich badende in het oorspronkelijk licht; al het lagere in het m hoogere ontplooid; ja, edel, rijk en goddelijk b heel de schepping van uw God uitstralende — h dan zult ge er ook geen tegenstrijdigheid meer in vinden, om in zulk eenïschepping l u uw Jezus te denken, ; als in die nieuwe h wereld heerschende, en heel het vernieuwde s menschelijk geslacht inleidende in de heer­ i lijkheid Gods.

Welnu, in dat komen van Jezus tot de herstelde wereld, in dat bijeenkomen van den verheerlijkten Christus, voor wien alle knie zich buigen zal, met de van vloek verloste en vernieuwde schepping, daarin ligt de aansluiting van het eindpunt A^x gemeene gratie met den toestand die eeuwiglijk blijft. Dan neemt alle gemeene gratie een einde. Ze kan niets meer stuiten, omdat er niets meer te stuiten is. Zoo verdwijnt ze. Ze houdt op. Ze heeft Gods raad gediend. Er zou geen plaats meer voor het hol van haar voet zijn. Maar daarom is ze niet doelloos geweest. Door haar alleen toch is het mogelijk geweest, dat wat bestond stand hield, en het is óók in de vrucht van haar werking, 5dat de veelvuldige wijsheid Gods uitkomt.

Kort saamgevat kan men dus zeggen, dat de gemeene gratie drieërlei vrucht voorliet rijk der heerlijkheid afwerpt: i". in de ontwikkeling van ons menschelijk geslaclit en van de door God in dit geslacht gelegde gaven (de eere en heerlijkheid der volkeren); 2". in de ontwikkeling van karakter en persoonlijkheid bij de enkele uitverkorenen (hun werken die hen navolgen); en 3". in het in stand houden van deze wereld, opdat ze kunne vernieuwd worden. (De nieuwe wijnstok in het Koninkrijk des Vaders).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 maart 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Van de gemeene Gratie.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 maart 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken