Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

Voor Kinderen.

8 minuten leestijd

AAN HET STRAND.

VUL

Zonder veel van vfind en weer geleden te hebben, was men Kaap Hoorn om, en door de straat van Magellaen in den Stillen Oceaan gekomen. Thans ging het noordwaarts lar.gs de Westkust van Zuid-Amerika, die toen nog aan Spanje behoorde.

Hier echter liep het voor 't eerst op de reis den schepelingen tegen. De wind, die westelijk was geweest, liep om-naar 'moorden en dreef de brik juist in een richting, anders dan die men volgen wou. In enkele dagen was men meer achter-dan vooruit gegaan en 't Het zich niet aanzien, dat er spoedig verandering zou komen. De kapitein zette een bedenkelijk gezicht, doch er viel niets aan te doen, en de vrees was groot dat het slot van de dusver zoo voorspoedige reis nog veel bederven zou.

Op zekeren Zondagmiddag — 't was nu in April van 't jaar 1770 — bevond Walter zich j op het dek, en kuierde al fluitende wat rond. Aan Bijbellezen dacht hij niet meer, noch Zondags noch in de week. Zich wat vervelend, keek hij rond, of er ook 't een of ander voor hem te doen viel, toen hij aan den boeg twee scheepsjongers bespeurde, die bezig waren een zwaar touw op te rollen, 't Ging hun niet al te best af en Walter, die zulke dingen nu al zoo goed verstond als de beste matroos, dacht dat hij hun eens moest wijzen, hóe het op de makkelijkste manier ging.

De jongens schenen van de aangeboden hulp bijster wel gediend; het werk liep goed, toen ongelukkig een der twee knapen in de gedachten kreeg boven op den ineengerolden ketting te gaan staan. Nauwelijks was dit geschied, of onverwacht kwam er een geweldige windstoot, die het vaartuig op zij deed hellen en al wat er op was tevens. De jongen op de ketting ervoer het. Hij tuimelde op zij en wilde zich nog vastgrijpen, maar vergeefs. Een oogenblik later lag hij in de onstuimige zee.

Man over boord!" schreeuwde de andere jongen, en een oogenblik later werd die kreet door vijf, zes monden herhaald. Op 't zelfde oogenblik echter plompte er weer iets in 't water, en terwijl het scheepsvolk met lijnen en louwen naar den boeg snelde, zag men hoe Walter in zee was gesprongen, en met kracht tegen de golven in worstelde. De drenkeling was reeds tamelijk ver, ea had blijkbaar moeite zich boven water te houden; ook scheen hij niet te bespeuren, dat men hem te hulp kwam.

De boot uit!'' beval de stuurman, en een oogenblik later was het vaartuigje, met zes matrozen bemand, al van 't schip afgestooten. Doch toen de kapitein, die gewaarschuwd was, op het dek verscheen, zag hij reeds, hoe Walter in de verte kwam aanzwemmen met den drenkeling, 't Was een zwaar werk, want de scheepsjongen scheen door den val min of meer 't bewustzijn te hebben verloren. Het bootje naderde intusschen, doch 't kostte bij de hooge zee nog wat moeite het tweetal er in te krijgen. Eindelijk gelukte het, en snel roeide men weer naar 't schip, waar allen met levend gejuich werden ontvangen.

Toen Walter, na van kleeren gewisseld en een hartsterking gebruikt te hebben, weer boven verscheen — de scheepsjongen moest naar kooi — werd hem van alle zijden de hand gedrukt. De kapitein gaf te zijner eere al 't volk een borrel en zoo ontstond er een algemeene vroolijkheid. Aan den Heere God te danken, die genadig twee menschenlevens had bewaard, dacht echter niemand, ook Walter niet. Men maakte jjleizier tot laat in den avond, en Walter hoorde van allen kant dat hij een knappe, wakkere jongen was, die hare in zij n lijf huil Kortom, de jongen voelde zich recht in zijn schik, en zijn trots verhief zich. Geen wonder dat hij. den Heere God vergat, en aan grootmoeders lessen in 't geheel niet meer dacht.

Een dag later werd de wind gunstiger en kon men de reis weder voortzetten, 't Zou, berekende de kapitein, nog een week duren, eer de haven bereikt was, die aan de Panamasche kust lag, doch wier naam ik u niet zeggen kan.

Nu kwam er echter een andere hindernis, 't Bleek namelijk, dat er meer hout verstookt of minder in voorraad was dan waarop men gerekend had. Doch erger was, dat er bij het onstuimig weer der laatste dagen een deel van den watervoorraad was verloren gegaan, wijl de tonnen lek waren geworden. Wat nu te doen ? Na kort beraad werd besloten een der vele eilanden op te zoeken, die langs de kust liggen. Die eilanden zijn meestal zeer klein, en grootendeels onbewoond. Doch men vindt er houtgewas in overvloed en meestal ook goed drinkwater, gelijk de schepelingen bij ervaring weten. Het zoogenaamde eiland van Robinson ligt ook in die streken.

Reeds na een halven dag kreeg men zulk een eiland in 't gezicht, en besloot men te beproeven of daar het gezochte was te vinden. Zeer verlangend naar wat ze zouden te zien krijgen, en niet ontevreden, dat men na zoo'n lange zeereis eens weer aan land kon gaan, stonden de mannen op het dek, Walter natuurlijk vooraan. Ieder hoopte zoo straks eens een wandeling te mogen maken, al wist elk dat er slechts twaalf man zouden gaan.

Men was nu vlak bij de kust, en de kapitein nam door zijn verrekijker het land in oogenschouw. 't Rees uit de zee zacht glooiend op, en was met struikgewas bedekt; verder op zag men hooge en vrij dikke boomen. Nitt ver van het strand liep aan de eene zijde het land steil opwaarts, en verhief zich in de verte tot een berg, die geheel kaal scheen te zijn. Met verlangen tuurden allen naar het eiland. Twee booten werden haastig gereed gemaakt en uitgezet, en daarop koos de kapitein twaalf der flinkste zeelieden uit, om op het eiland het noodige hout en water te gaan halen. Zij kregen strikt t bevel vóór den avond terug te keeren. Het schip wierp het anker zoo dicht mogelijk aan het strand.

Mag ik ook mee kapitein? " vroeg Walter, die te midden van vele teleurgestelden met verlangen naar de booten keek.

Dat gaat niet jongen", was 't antwoord, 't Is altijd een min of meer gewaagd werk. Men kan vreemde ontmoetingen hebben op zulke eilanden, waar niemand en iedereen baas is. Als je een ongeluk overkwam, zou ik het voor je ouders niet kunnen verantwoorden."

ïOch kapitein, ik zal wel oppassen. Ik wou zoo graag eens aan land."

Zoo! Begint het je nu al op zee te vervelen, jongellef! Dat ziet er slecht uit", antwoordde de kapitein glimlachend.

De stuurman riep den kapitein nu ter zijde, en fluisterde hem in: > Laat den lord maar eens meegaan, kapitein, 't Is een flinke jongen, en hij heeft gisteren pas getoond wat er in hem zit. Hij mag nu ook wel eens wat hebben tot belooning."

Daar wist de kapitein niet zoo dadelijk iets tegen in te brengen. Er was weinig lijd te verhezen en hij sprak: »Nu, in vredesnaam dan. Neem den lord meê, maar zeg aan den bootsman dat hij op hem past."

Haastig en door niet weinigen afgunstig nagekeken, sprong Walter in de boot, die weldra wegrceide. Niemand vermoedde hoe weinig reden de een had om blij, de ander om wangunstig te wezen.

Na een half uur waren de booten geland. De mannen begaven zich aan wal, en iedereen scheen vergenoegd dat hij eens op vasten grond kon wandelen te midden van gras en struiken. Zij bevonden zich op een der Gallapagoseilanden ') dicht onder den evenaar en dit werden zij gewaar door de geweldige warmte, te meer daar er nu weinig wind was. De watertonnen werden aan land gebracht, en daarop haastte men zich vooreerst onder de boomen schaduw te zoeken en tevens uit te zien naar een bron of kreek die drinkwater bevatte. Hout was er genoeg; dit had men maar voor't kappen.

In het bosch begonnen de manschappen van de eene boot aanstonds met het laatste. Zij hieuwen takken van de boomen, velden de jonge stammen, en bonden alles in bossen saam. Middelerwijl gingen de andere mannen dieper het woud in om naar water te zoeken. Bij den laatsten troep was ook Walter, Men had afgesproken, dat zoodra een der mannen water gevonden had, hij een luiden schreeuw zou geven, en zoo men hem dan niet hoorde een pistool af zou schieten. Allen waren goed gewapend, en bovendien mocht geen van allen zich ver verivijderen. Ieder had daarbij te zorgen de richting in 't oog te houden, van tijd lot tijd te roepen of te schieten, wat de anderen dan zouden beantwoorden. Wie niets vond moest zorgen tegen den avond weer aan het strand te zijn.

d. i. Schildpad-eilanden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 maart 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 14 maart 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken