Bekijk het origineel

Verkiezing in het kerkelijke.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Verkiezing in het kerkelijke.

9 minuten leestijd

I.

Van zija optreden af heeft de Heraut zich steeds uitgesproken voor eea meerder zeggeaschap der ledea vaa Christus' kerk, bij de verkiezing van de Opzieners ea Armverzorgers.

We hebbea dit puat niet te scherp noch te ontijdig aangedrongen, omdat de veel ernstiger vraag vaa den welstand van het lichaam der kerken en haar inverbandstelling voorging; maar nu de kerken, éa wat haar bestaanswijze éa wat haar onderling verband betreft, allengs op geëfifende paden komen, dient ook de > Verkiezing in het kerkelijke" weer ter sprake te wordea gebracht.

Reeds op de Synode te Middelburg was meer daa ééa verzoekschrift desaangaande ingekomen. En vooral, nu men vaa audere zijde weer de oude strijdvraag van »vaste ouderlingen" opwierp — een wolk die gelukldg reeds neigt tot overdrijvea — blijkt wel, dat op gansch natuurlijke wijze de aandacht der kerken zich ook op het gewichtig vraagstuk van de ambtelijke verkiezing richtea gaat.

Voor het geldende recht kan mea tea deze natuurlijk aiet anders verwijzea dan naar de Dordsche Kerkenordening ia Art. 4, 23, 24, coll. 5.

Toch is het niet de Kerkenordening die ons de ongekrenkte Gereformeerde beginselen ten deze doet kennen.

De nog altoos geldende Kerkenordening is in meer daa ééa opzicht een kiad vaa haar tijd geweest, op meer daa ééa punt vrucht van compromis, en beheerscht volstrekt niet alleen door den eisch der beginselen, maar óók door den aood der tijden.

Reeds deswege is critiek uit de begiaselea op zulk eea Kerkenordening even noodzakelijk als geoorloofd, en is de vraag niet te onderdrukken, of de omstandigheden en gelegenheden, die destijds tot zulk een regeling noopten, niet genoegzame wijzigingea ondergingen, om ons thans op wijziging der Kerkenordening te doen aaadringen.

Het Gereformeerde beginsel waarvan ten deze moet worden uitgegaan is gelukkig aiet ia geschil.

Ia de beste tijdea van het Calvinisme zijn alle gezaghebbende schrijvers het er over eens, dat de macht om de personea aaa te wijzen, op wie Christus het ambt zal leggen of doen leggen, berust bij de Kerk in haar geheel.

Niet bij de Overheid.

Ook niet bij den heer eener heerlijkheid. Noch ook in de kerk bij eenig bisschop of bij eenigen paus.

Neen, maar bij de kerk zelve, te verstaan als het ingestelde hchaam van de geloovigen, of ook waar dit lichaam nog niet ingesteld is, te verstaan als de bijeenvergadering van de geloovigen ter plaatse.

Vv^elke schrijvers ge hiervoor ook naslaat, altoos is dit het uitgangspunt, dat ze én tegenover Rome, én tegenover de Remonstranten, én tegenover de Erastianen met klem en kracht verdedigen.

Niet de souvereia des laads, ea ook niet de heer ter plaatse, ea eveomia de maa te Rome, maar de plaatselijke kerk zelve heeft macht ea roeping, niet om het ambt te schenken, noch ook om met macht te bekleeden, maar wel om de personea voor het ambt aan te wijzen.

Deze aangewezen personen ontvaagen dan het ambt van Christus, en Christus legt de ambtelijke macht op hen door middel van zija ambtsdragers, hetzij daar ter plaatse, hetzij als er ter plaatse aog geea ambtsdragers zijn, door ambtsdragers van elders. Scherp wordea dus altoos deze twee uiteengehouden : De aanwijzing van de personen voor het ambt is niets dan aaawijzing. Het ambt komt vaa dea Koning der kerk. Hiermede in overeeastemming zegt dan ook Art. 31 onzer Belijdenis, dat Dienaren des Woords, Ouderlingen en Diakenen behoorea verkozen te worden idoor wettelijke verkiezing der kerk."

En eveazoo wordt in het Formulier van bevestiging gevraagd, of men bekent wettelijk door de gemeente en mitsdien van God zelvea geroepea te zijn. Een uitdrukking waarin de verwisseling van het woord kerk met dat van gemeente klaarlijk aanduidt, dat niet bedoeld is een roeping vaa dé kerk

door een van haar orgaEea, maar door de gemeente zelve.

Hierin stond men dan ook zoo vast, dat niet alleen Calvijn en Voetius, maar evenzoo Turretin, a Brakel, Spanheim, De Moor e. a, zich in dezen geest uitspraken. •

Prof. Bernard de Moor geeft zich zelfs nog de moeite, dit punt breedvoerig vast te stellen en te betoogen.

Zijn eerste stelling is die van a Marck, dat het recht en de macht van roeping met bij de opzieners rust, maar bij het lichaam zelf der gemeente; en ten bewijze hiervoor beroept hij zich op het gebruik in den apostolischen tijd, gelijk ons dit blijkt uit Hand. i : 23, Hand. 6 : 3, 5, 6, Hand. 14:23, Hand. 15:22, 25, I Cor. 16:3, 2 Cor. 8:19 e. a.

Ten tweede verklaart hij, dat het aldus volgt uit den aard van het ambt; het ambt toch is er om de gemeente, en niet de gemeente om het ambt. Is nu het ambt er ten bate en ten dienste van de geheele gemeente, zoo volgt dat ook bij de geheele gemeente het recht en de macht moet zijn, om tot het ambt te roepen. Cf i Cor. 3 : 22, 2 Cor. 4:5.

In de derde plaats wijst hij er op, dat op de geheele gemeente de plicht gelegd is, om tusschen valsche en ware leeraars te onderscheiden (Gal. i : 8, ijoh. 4: , 2 Joh. 8 : 10). En dit nu kan niet, zegt hij, tenzij ook de geheele gemeente recht van roeping hebbe. '

En in de vierde plaats bewijst hij zijn stelling door een beroep op de oude kerkhistorie, waaruit blijkt, dat nog in de 2e en 3e eeuw dit beginsel in de kerk van Christus leefde, gelijk zulks door Calvijn, Cave, A. Alting, en Turretin is aangetoond.

Dit nu hoorende zoudt ge dus verwachten, dat De Moor nu ook den strijd voor de vrijheid der kerken tegen het stelsel van coöptatie zou hebben aangebonden, en zich verzet zou hebben tegen het systeem, om feitelijk de beroeping en benoeming toch weer aan den kerkeraad over te laten.

Maar, eilacen, hoe ge u in die verwachting ziet teleurgesteld.

Verre van dien wordt nu, na dit krasse en stellige betoog, door hem geleeraard, dat dit alles wel zoo is, maar dat zulk een macht en bevoegdheid, voor wat de uitoefening er van betref, zeer wel door afstand, hetzij deze stilzwijgend of uitdrukkelijk hebbe plaats gehad, op anderen kan overgaan.

En door dit gevaarlijk beweren komt hij dan op eenmaal tot de stelling, dat dit recht van beroepen thans feitelijk weer overgegaan is in de handen van den kerkeraad, der coUatoren, of zelfs van * de Overheid.

Wel verblijft er dan aan de gemeente nog altoos iets. De gemeente zal als er bedenking rees, die bedenking kunnen inbrengen. Maar of die bedenking gegrond is, zal weer niet de gemeente, maar kerkeraad of classis beoordeelen. En is deze het niet met de gemeente eens, dan betaamt het der gemeente te berusten. d i h z n m

Dit nu is eenvoudig stuitend en ergerlijk.

Ge begint met op den voorgrond te stellen, dat de Koning der kerk deze macht en bevoegdheid in den boezem der gemeente heeft gelegd, en nog legt. Ge erkent dat in de dagen der Apostelen dienovereenkomstig gehandeld is, en dat de Christelijke kerk in haar zuiverste periode evenzoo handelde. Ook geelt ge toe, dat de aard zoo van het ambt als de natuur der kerk het aldus eischen.

En na dit alles in beginsel schoon en zuiver te hebben beleden, keert ge nu op eenmaal heel de zaak, voor wat de practijk aangaat, in haar tegendeel om, en verdedigt een standpunt, dat meebrengt om de gemeente feitelijk zoogoed als geheel van de zaak uit te sluiten, de aan haar van Christuswege gegeven macht op een kerkeraad, een collator of magistraatspersoon over te dragen, en haar hoogstens een recht van inspraak te blijven geven, dat wederom niet door haar, maar door een andere macht zal berecht worden.

En welke is nu de schoone theorie, waardoor dit wordt goedgepraat?

Zie onze Koningin heeft recht op de kroon. Niemand dan zij kan die dragen. Maar de uitoefening van de regeermacht heeft op dit oogenblik niet zij, maar haar Moeder. En zoo nu ook wordt hier de stelling aangenomen, dat wel aan de gemeente de hoogste macht onder Christus toekomt, maar dat de uitoefening van die macht haar niet, maar wel aan kerkeraad, collator of magistraat behoort.

Maar natuurlijk bij de gemeente kan niet gelijk bij de Koningin sprake zijn van min derjarigheid. De gemeente der geloovigen is mondig. Hier moest dus een andere uitweg worden gevonden. En dien uitweg zocht men hierin, dat de gemeente Ö«I/< ? ; 'J^^/(/werd van de uitoefening van deze ijiacht afstand te hebben gedaan.

Fraaie theorie!

Alsof de gemeente van Christus, die van haar Koning deze macht ontving, ooit recht zou hebben, deze macht op een ander over te dragen.

Zulk een overdracht laat zich denken, als de opdracht van bevoegdheid van een mensch uitgaat, die gebrekkig oordeelt en daarom zich vergissen kon. Maar hoe dit aan te nemen, waar Christus deze toebedeeling van macht schenkt, Hij die zich niet kan vergissen.

Maar bovendien, wie zou hier hebben overgedragen, gesteld al dat er overdracht kon plaats hebben? Toch nooit anders dan de op een zeker oogenblik de gemeente uitmakende leden voor wat hen persoonlijk aangaat.

Zelfs dat geven we niet toe en achten het rechtens onverdedigbaar.

Immers als 100 personen saam zekere macht bezitten, hebben de 51 niet de be­ voegdheid, om van de 49 die er tegen zijn, de bevoegdheid over te dragen. Hiermede toch zoudt ge aan de meerderheid een geheel nieuwe bevoegdheid verleenen, die haar niet is toegekend in haar qualiteit.

Voorts wisselt dit personeel gedurig. Er sterven er, en er komen er bij. Zoo kan de meerderheid van dit jaar, reeds een volgend jaar minderheid zijn.

Maar ook al brengt ge dit alles niet in rekening, toch staat het boven alle bedenking vast, dat de gemeente in de 15de eeuw nooit macht had, om over de rechten der gemeente in de 17de, i8e en 19e eeuw te beschikken.

Om van overdracht te kunnen spreken, gesteld altoos dat deze mogelijk ware (wat wij betwisten), dan zou er toch een behoorlijk stuk moeten bestaan, waaruit bleek, dat de gemeente, in wettige samenkomst opgeroepen, twee-of driemaal in elke eeuw deze overdracht gedaan en bevestigd had.

Maar neen, ook daar weet men niets van.

Nooit is de gemeente opgeroepen om hierover te handelen.

Nooit heeft ze er zich over uitgesproken.

Er is geen stemming geweest, er bestaat geen stuk, en er bestaat geen vernieuwing van overdracht.

En dat alles dekt De Moor dan evenals zijn voorgangers, enkel door de ergerlijke fictie, dat de gemeente stilzwijgeud haar macht overgedragen heeft.

Op die wijze is er met deze door Christus verleende macht een droef spel gedreven.

Doch hierover een volgend maal meer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 maart 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Verkiezing in het kerkelijke.

Bekijk de hele uitgave van zondag 21 maart 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken