Bekijk het origineel

Verkiezing in het kerkelijke.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Verkiezing in het kerkelijke.

5 minuten leestijd

II.

Wat is oorzaak geweest, dat de Gereformeerde kerken, na zoo beslist en helder het eenig ware beginsel op den voorgrond te hebben geplaatst, dat de aanwijzing van mannen voor het ambt van de geloovigen zelven behoort uit te gaan, nochtans in de practijk dat beginsel verloochend, en daarna die verloochening van beginsel met schijnredenen goedgepraat hebben ?

De oorzaak hiervan lag in het allengs binnensluipen van het denkbeeld der volkskerk.

Zoodra men eenmaal, in strijd met Belijdenis en Catechismus, de kerk niet meer als een vergadering van geloovigen in het midden der wereld ging verstaan, maar bedoelde dat keel de bevolking in de kerk moest worden opgenomen, werd het de ongerijmdheid zelve nog langer van een j vergadering der geloovigen" te spreken. Zonder iemand te na te komen, stond het toen toch al spoedig vast, dat in de kerk een gemengde massa werd opgenomen, die men volstrekt niet erkende, omdat ze geloovig waren, maar van wie men beproeven wilde, of men er, met zeer rekkelijke opvatting, geen geloovigen van zou kunnen maken.

De kerk hield alzoo op de > vergadering der geloovigen" te zijn, en werd een instituut in het midden der wereld, om al het landsvolk in zekeren kerkdijken band te houden.

Tot deze beschouwing en opvatting nu zijn ook de Gereformeerde kerken hier te lande ten slotte overgegaan, onder den drang van drieërlei motief.

Vooreerst het motief der politieke noodzakelijkheid. Wat men niet zelf in zijn kerk opnam bleef Roomsch, en wat Roomsch bleef was bondgenoot van de groote Europeesche macht, die het destijds op den ondergang van onze nationale zelfstandigheid toelegde. Ten einde zich als natie te sterken, heeft men daarom al spoedig den weg ingeslagen, om zooveel mogelijk lieden in zijne kerk op te nemen. Ja in Drente en elders heeft men ze er, bijna met militair geweld, toe gedwongen.

Een tweede motief lag in de nawerking der Roomsche idee, alsof de kerk, ook als mstituut, het geheele terrein van het nationale leven moest dekken. De Roomsche denkbeelden over den Doop vonden daardoor opnieuw ingang, en men begon te verlangen, dat de burgerlijke en de kerkelijke gemeente even ver strekken zouden. Immers de Overheid bleefook bij den nieuwen stand van zaken geroepen, om zich in het kerkelijke te mengen. Ook het onbekeerde, en buiten bekeering wegstervende leven, moest niettemin uitwendig gekerstend worden.

En het derde motief eindelijk school in de zucht, die al spoedig insloop, om alsnu kerkelijk gelijke macht uit te oefenen als de Roomsche kerk vroeger had uitgeoefend. Door deze motieven gedreven is men toen gaan onderscheiden tusschen het uitwendig en het inwendig genadeverbond, niet in dien goeden zin, dat men met onzen Catechismus belijdt, hoe er in het instituut der kerk altoos hypocrieten te duchten zijn, maar in dien principieelen zin, dat alle geestelijke eischen voor het behooren tot het kerkelijk instituut wegvielen, en men de geestelijke kerk zocht in een kleinen kring van «wezenlijk geloovigen" die invloed ten goede op de anderen poogden uit te oefenen.

De vraag hoe bij zulk een stand van zaken de heiligheid der kerk te handhaven, is toen nogmaals opgelost op soortgelijke wijze, waarop ze tot oplossing kwam in de dagen van Cyprianus.

Men nam aan, dat de leeraars, opzieners en diakenen wel tot de wezenlijke geloovigen zouden behooren, dat zij de geestelijke kern in de kerk vormen, en concludeerde nu, dat de kerk uit dien hoofde het veiligst zou staan, zoo aan dezen kleinen kring de beschikking gegeven werd over de ambten.

Immers al verwilderde dan ook de massa der kerk, en al was haar meerderheid gansch ongeestelijk, nauwelijks uitwendig belijdend, en in de wereld verstrengeld, de opzieners en armverzorgers konden dan nochtans waken, dat de leiding in handen bleef van het getrouwe deel der gemeente.

Niet zoozeer uit zucht, om den baas te spelen, maar met oprecht verlangen, om waar de kerk dreigde te verwilderen, voor goede en deugdelijke bezetting der ambten te waken, is toen het stelsel opgeko­ men, om de feitelijke bevoegdheid ten deze over te brengen bij den kerkeraad, en het recht der gemeente zSit& a. pro forma, zoover het ging, te eerbiedigen.

Dat zoo en niet anders metterdaad de gang der gedachten en de stuwkracht der beginselen was, blijkt op overtuigende wijze uit het notoire feit, dat men in kleine gemeenten de oude wijze van verkiezing bestaan liet, maar in alle groote plaatsen ze veranderde.

Ia kleine dorpen, waar men den toestand overzien kon, waar weinig keuze was, en de predikant zedelijken invloed over alle leden uitoefende, zag men in de verkiezing van de gemeenteleden geen bezwaar.

Maar in groote gemeenten dorst men het niet langer aan. Men kon daar aan de wereldsche massa de beslissing niet in handen geven. Dit zou er al spoedig toe geleid hebben, dat men met allerlei kettersche gevoelens in het ambt kwam, en dat aan de kerk vijjindige geesten over haar te beschikken kregen.

Daarom heeft men toen in te talrijke kerken de verkiezing van de gemeenteleden aan een kant gezet, en onder veel schoonen schijn een stelsel van coöptatie ingevoerd, dat feitelijk leiden moest en geleid heeft tot een oligarchie in onze kerken.

Dit werkte nu uitnemend, zoolang in dien kleinen kring, die de macht in handen kreeg, het geloof stand hield en geestelijke ernst den toon aangaf. Maar natuurlijk, zoodra ook in dien kleinen kring het bederf eerst insloop, en toen allengs de overhand verkreeg, was de ongeestelijke tirannie die toen vanzelf liieruit geboren moest worden stuitend.

Zoo is dan ook metterdaad het ongeloof allengs machtig in de kerken geworden, de geloovigen zijn teruggedrongen, en de coöptatie die oorspronkelijk bedoelde, de kerken zuiver en heilig te houden, heeft ten slotte tot niets anders geleid, dan om juist het Verbond Gods door de ambten zelven te laten ontheiligen.

Hoe goed dus ook het stelsel, dat mede in onze Kerkenordening staat, bedoeld zij geweest, en hoezeer het een tijdlang zeer zeker de kerken geschraagd heeft, toch mag niet verheeld: i °. dat het in strijd was met het beginsel, en 2". dat het ten slott een middel in de hand van ongeloof en wereldzin is geworden, om de kerken te verderven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 maart 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Verkiezing in het kerkelijke.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 maart 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken