Bekijk het origineel

„Ce niet doen dengene die 'tgeweld des doods had

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„Ce niet doen dengene die 'tgeweld des doods had".

16 minuten leestijd

[PASCHEN 1897].

Overmits dan de kinderen des vleesches en bloeds deelachtig zijn, zoo is hij ook desgelijks datzelfde deelachtig geworden, opdat hij door den dood te niete doen zoude dengene die het geweld des doods had, dat is, den duivel. Hebr. 2:14.

Reeds sinds oude dagen, lang vóór Jezus verrees, was er meer dan één, die eerst gestorven was, uit den dood in het leven teruggekeerd.

Denk slechts aan het gebeurde in het huis van de weduwe te Zarphath, toen Elia haar levend heur kind teruggaf, of aan wat voorviel in de profetenkamer van Eliza, ten huize der Sunamitische.

Of ook denk aan Jaïrus, die zijn dochterke, aan de weduwe van Naïn, die haar zoon, aan Maria en Martha die heur broeder, dank zij het machtwoord van den Heiland zelf, uit den dood terugontvingen.

Ja, zelfs op het eigen oogenblik dat Jezus op Golgotha stierf, zijn er nabij Jeruzalem graven geopend, en ontslapen heiligen in het leven teruggekeerd, en aan velen verschenen.

En toch dit alles waren geen opstandingen in dien vollen rijken zin, waarin Jezus uit den dood verrees.

Voor die allen was het een kort, een tijdelijk terugkeeren in dit aardsche leven, om straks nogmaals den tol aan den dood te betalen, en ten tweeden male te worden uitgedragen naar diezelfde stervenssponde, of naar datzelfde graf, waar reeds eenmaal hun dood lichaam had gerust.

Maar zoo was het bij Jezus niet.

Hij keerde niet terug in dit aardsche leven, maar ging door de poorte dezes aardschen levens in het leven der heerlijkheid binnen, en sterft nü nimmermeer, want over hem heeft na zijn verrijzenis de dood geen macht meer.

De Christus heeft in zijn sterven en verrijzenis den dood zelven overwonnen; te niet gedaan »dengene, die 't geweld des doods had; " voor eeuwig de banden van den dood verbroken.

Niet Lazarus, Jezus is »de eersteling uit de dooden." Niemand verrees vóór hem. Al wie buiten hem eeuwig leven smaken zal, komt achter hem aan.

> De eersteling Christus. Daarna die van Christus zijn. Een iegelijk in zijne orde."

Wel hadden ook de opwekkingen van Lazarus en die vele andere, zinrijke, zinbeeldige beteekenis, en bestond er tusschen hun tijdelijken terugkeer in het leven en Jezus' verrijzenis verband; maar alleen een verband van symbolische profetie in de feiten, en in het minst niet een verband van gelijkheid.

Vooral in wat Jezus sprak, toen hij Lazarus ging opwekken, komt dit uit, en in heel Johannes elf verwart ge u telkens weer, zoo ge op dit juiste verband niet let.

Stellig kwam Lazarus uit, om weer te sterven, en toch vlecht Jezus in zijn spreken met Martha het hoog-geestelijke woord in : > Ik ben de opstanding en het leven, die in mij gelooft zal leven, al ware hij ook gestorven." Een woord dat stellig niet op Lazarus sloeg, want anders had ook Maria, had ook Martha, die injezus geloofden, in dit aardsche leven, na haar dood, moeten terugkeeren. En toch stond het met Lazarus' opwekking in verband, maar in verband als zinnebeeldige aanduiding, als profetie in het feit, als betoon in beperkte mate van diezelfde macht, die straks heel anders zou uitblinken, eerst als Jezus zelf herrees, en eenmaal in de verwekking tot heerlijkheid van al zijn volk.

Op die macht komt het hier aan.

Er wordt in Jezus' opstanding een worsteling tusschen twee heelalsmachten, als we ons zoo mogen uitdrukken, beslecht.

In zijn verrijzen doet Jezus in beginsel te niet, dengefie die 't gewéld des doods had.

En in en achter die macht Christi wrocht de tnacht van God Drieëenig.

Zóó toch getuigt het ons de oorkonde van Gods heilige openbaring: Er was hier tde uitnemende grootheid zijner kracht, naar de werking der sterkte van Gods macht, die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij hem uit de dooden heeft opgewekt" (Ef. I IQ, 20).

Dit was niet zoo toen Lazarus voor een wijle nog leven kwam, maar wel toen Jezus opstond uit de dooden. En daarom leest ge van Lazarus verder niets, maar wentelt zich, naar het apostolisch woord, om Jezus* opstanding, als om zijn spil, heel het rad des heils, voor nu en eeuwig.

Uit die opstanding is uw geloof l^ï. i: g), uit die opstanding uw rechtvaardigmaking (Rom. 4:25), uit die opstanding uw komen ten leven (Ef. 2:1), uit die opstanding uw behoudenis (i Petr. 3:21), uit die opstanding van Ckn%\.\is de heerlijkheid ^^& ^x\^^.c}s)^. (i Cor. 15:23).

Zonder die opstanding van Christus is alle profetie en betoon van heil ijdel.

Eerst door die opstanding wordt op alle stukken van het heil het zegel gedrukt, gaat het alles van de belofte in de vervulling, uit het voorbeeld en het zinbeeld in de werkelijkheid over.

En dit alles omdat eerst in Christus' opstanding uw God zich betoont waarlijk God, God den Almachtige, den Schepper, endiensvolgens Herschepper van hemel en aarde te zijn.

En ook is dit voor Gods kinderen geen vreemde zaak, geen wonder schijnsel aan den horizont, dat ze uit de verte aanschouwen en bewonderen, maar dat buiten hen omgaat, want ze dragen het uitwerksel van diezelfde alles te boven gaande almachtigheid Gods reeds hier op aarde in hun eigen menschelijk hart om.

Immers dat in het hart van een zondig mensch geloof leeft, is niet maar een genade, maar een zoo alles te boven gaand wonder, dat de heilige apostel letterlijk getuigt: e macht Gods, die in u het geloof inschiep, is dezelfde, even groote, alles evertreffende kracht van Gods almacht, die Hij wrocht in het opstaan van Jezus uit het graf (Zie Ef. i : 19 en 20).

Hoe kan dit?

Alleen daardoor, dat beide, én in vm geloof, én in Jezus' opstanding, een kracht uitkwam, die voor eeuwig en altoos den toestand van heel deze aarde, van alle starren en alle zonnen, korter gezegd: een macht die den toestand van het gansche heelal beheerscht.

Waarom God de wereld schiep, Hij die toch algenoegzaam in zich zelven is, wie zal het ons openbaren ?

De mensch weet het niet. God weet het. Maar nu Hij eenmaal die wereld schiep, heeft God die gansche wereld, als zijn maaksel, zijn gewrocht, ziJ7i eigen uitdenksel en zijner handen schepping lief.

En dat Hij een wereld schiep, beduidt niet maar, dat Hij een eindeloos heir van allerlei stoffen en krachten schiep, want dat op zich zelf was nog niets dan de chaos of aller elementen bajert. Maar het beduidt, veel meer en veel hooger, dat God alle die stoffen en krachten ordende, saamvoegde, tot één machtig organisch verband ineenzette, en dat in dit ééae groote organisme het hoogere het lagere beheerscht, om in het hoogste schepsel, d. i. in den mensch, zich door God te laten beheerschen, opdat die God alzoo in heel zijn schepping Koning der eere zou zijn.

Zoo heerschte - God in de ziel des menschen, de ziel des menschen beheerschte zijn licJiaam, de mensch door dat lichaam niet alleen het dier maar ook alle rijk der natuur, en het was uit den mensch en door den mensch, als den mond der gansche schepping, dat Gode toekwam lof en cere en aanbidding.

Dat alles hing als één onlosmakelijk geheel saam, Goddelijk meesterstuk en toonbeeld van des Heeren veelvuldige wijsheid.

En gelijk de mensch door zijn ziel zijn lichaam beheerschte, en door dat lichaam de wereld, zoo heerschte in alle mensch weer het hoofd der menschheid, en daarom viel, toen dat hoofd der menschheid, d. i. toen Adam viel, alles.

Met één trilling trilde de lof dien Adam eerst Gode bracht heel de schepping door, maar ook toen Adam viel, gleed de verderving van uit zijn menschelijk hart als in één rechte lijn door tot aan alle uiteinden van den omtrek der Schepping, en die verderving was de dood.

En uit dien hoofde nu kou dat geweld des doods op geen andere wijze weerstaan, neergeworpen, ontwricht en vernietigd worden, dan juist kngs dienzelfden weg, waarlangs de dood eens in de Scheppingsloop.

Er moest ook nu zijn een hoofd der menschheid; dat lioofd der menschheid moest den dood van zijn ziel afweren, en alzoo zijn ziel over zijn lichaam doen heerschen; ten, einde, na de kiem en den wortel des doods in zijn eigen lichaam vernietigd te hebben, even daardoor het uitgangspunt te scheppen, vanwaar uit de menschheid eerst, en door die menschheid straks uit heel de wereld, de dood kon worden teruggedrongen.

Zoo verstaat ge het, hoe het feit, dat in Jezus' ziel, als Hoofd der menschheid; de kratht voer; bm den cJb'od daad­ werkelijk in zijn eigen lichaam te vernietigen, en, vrij van den dood, voor eeuwig op te staan. : iet groote machtige keerpunt is gewerden in het lot van gansch het heelal. Want nu gaat de lichtende levensvonk van hem door op al de zijnen, van die herboren menschheid op heel de wereld, van heel de wereld op gansch de schepping, en is alzoo satans toeleg om te verhinderen wat God eeuwiglijk over zijn Schepping bij zichzelven had voorgenomen, eens en voor altoos verijdeld.

Daarom zegt de heilige apostel, dat Christus door zijn dood te niet heeft gedaan dengene die 't geweld des doods had, namelijk den duivel.

En omgekeerd schrijft diezelfde apostel aan de kerk van Efeze, dat God, toen Hij door het alles te bovengaande van zijn almacht Christus in zijn Uchaam over het gif van den dood deed triomfeeren, ^alle dingen" d.i. gansch het heelal, aan zijn voeten heeft onderworpen, »alle overheid, alle kracht, alle heerschappij, en alle naam die genoemd wordt, niet alleen in deze wereld, maar ook in de toekomende"; en dat Christus die tot alles doorgaande en doordringende werking uitoefent »door zijn gemeente", d. i. door zijn herboren menschheid, omdat zij »zijn lichaam is, en de vervulling, of wilt ge het alles bereikende orgaan, van hem, die alles in allen vervult".

Een volheerlijke lofverhefHng, die uit het thema van Jezus' opstanding wordt uitgezongen, maar die verstaan noch begrepen wordt, te'nzij ge deze gouden keten vasthoudt : Het Hoofd der menschheid beheerscht door God; die menschheid door haar Hoofd; in die menschheid de ziel het lichaam beheerschend; en die menschheid door het lichaam heerschende over Itet gansch heelal.

Christus aan God; aan Chri.stus alle dingen; en alle dingen aan dien Christus door den band zijner gemeente ondenvorpen.

Hoe nu glijdt langs die gouden keten de lichtvonk van het herwonnen, van het door opstanding onvernietigbaar gemaakte leven voort ?

Dit zult ge verstaan, als ge op het eerste begin van Genesis één teruggaat.

Er was de bajert, de chaos, maar die chaos v/as nog de wereld niet. Ze kwam wel uit de schepping, maar voleind werd die schepping eerst, toen God al wat in den bajert was, geordend, saamgevocgd en tot één machtig geheel verbonden had (Zie Gen. 2:1).

En daartegen nu komt de dood op.

Schepping is saambinding, de do^-ys ontbinding.

Door schepping klimt ge uit den chaos tot een wereld als Gods kunstgewrocht op; door den dood keert ge uit die schepping terug naar den chaos. De dood gaat tegen de schepping in, doet de schepping teniet, is van de schepping het vlak tegenovergestelde.

Zie het aan het lijk.

Eerst was er het lichaam, één bezield, levend, sterk geheel, met in dat lichaam allerlei stoffen en scheikundige krachten, maar die altegader beheerscht werdendoor het leven van de ziel in dat lichaam werkende.

Zoolang dus de ziel in dat lichaam huist, en het beheerscht, blijft het één geheel, en zijn al die schuilende krachten en stoffen gebonden, saamverbonden, als één lichaam, en worden door de ziel ab één organisme in stand gehouden.

Maar zóó is de dood niet ingetreden, en de ziel afgescheiden, of het lichaam wordt lijk, en als ge dat hjk maar tijd gunt, ziet ge de ontbinding komen. Als toch de dood is ingetreden zijn alle deze stoffen en haar krachten haar.meester kwijt. Ze gaan nu elk haar eigen weg. De ééne raakt van de andere los. De ontbinding schrijdt voort en voort. En ten slotte blijft er niets dan een chaos over, uiteengevallen stoften, zich almeer loswikkelende krachten. Het lichaam is er niet meer; en zelfs het lijk verdwijnt.

En op geheel dezelfde wijze werkt de dood overal en in alle schepsel. Hij doet niets dan losmaken, scheiden, ontbinden wat God in zijn schepping saamvoegde en verbond. Het moet alles uit elkaar. Heel het schoon gebouw, dat de opperste Kunstenaar en Bouwmeester had opgetrokken, moet worden afgebroken, verdieping voor verdieping, balk voor balk, steen voor steen, tot eindelijk ook de fundamentstukken worden losgewrikt. En als dan eenmaal alles zou omvergehaald, gesloopt en uiteengetrokken zijn, wat God had saamverbonden, dan zou de Schepping te niet gedaan zijn, de chaos terugkeeren, en satan trïomfderen bv'er God.

God als de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde, zou verwonnen zijn.

De dood zou het leven hebben vernietigd!

En daartegenover nu heeft onze almachtige God klaarlijk getoond, dat Hij niet alleen die ontbinding van zijn Schepping door den dood weer door herverbinding kan te niet doen, maar veel meer ijog, dat Hij zijn ontbonden Schepping weer zoo kan saambinden, dat van nu af de alles ontbindende hand van den dood er nimmer meer aan wrikken of aan raken kan. Dat is de Herscltepping.

Want in herschepping zitten drie stukken in. Ten eerste dat God de wereld, ook onder den vloek des doods, nochtans in standhoudt. Ten tweede, dat Hij er ten slotte den dood uit bant en wegdringt. En ten derde, dat Hij ze eens voor altoos voor den dood afsluit, zoodat ze, voltooid in heerlijkheid, staan zal eeuwiglijk.

Maar ook bij die Herschepping gaat het naar de van God gestelde orde toe.

Het hart van de wereld was de menschheid, en het kernpunt in die menschheid was het hart van haar Hoofd.

Aan die gestelde orde was satan gebonden. Dies kon hij Gods schepping niet anders aantasten, dan door Adam in zijn hart met God te doen breken. Eerst daardoor kon hij den band tusschen het hart van Adam en zijn lichaam losbreken. Zoo 'den band tusschen Adams lichaam en die aarde waaruit hij genomen was. En zoo eindelijk den band tusschen deze aarde en het heelal.

Maar was satan voor zijn vernielingswerk aan die van God gestelde orde gebonden geweest, ook God zelf bleef er aan gebonden bij zijn herschepping. Anders toch ware het geen herschepping, maar nieuwe schepping geworden. Herschepping toch is juist scheppingsvernieuwing naar de orde der eerste schepping.

Zoo lag het bestek dus gereed.

De ontbonden menschheid moest weer worden saamverbonden onder een nieuw Hoofd, in vrfens hart de band met God onvernietigbaar vastlag. Dat is de Vleeschwording des Woords.

Van dat nieuwe Hoofd der menschheid, van dien tweeden Adam, moest satan het lichaam losbreken, tot God de ziel en hij het lichaam had. Dat is Golgotha.

En dan moest God Almachtig in die ziel van Jezus de alles te bovengaande kracht inwerken, om dat lichaam terug te nemen, en alsnu zóó met zich te verbinden, dat satan nu noch eeuwig, er ooit meer een vezel van kon loskrijgen. Dat was de Opstanding.

In de kribbe van Bethlehem ziel en lichaam in Jezus losmakelijk. Op Golgotha ziel en lichaam van Jezus van elkaar losgemaakt. Door de Verrijzenis ziel en lichaam van Jezus zoo vastgemaakt, dat ze nimmermeer los te maken zijn.

Aldus is er in dat verheerlijkte lichaam van Jezus na zijn verrijzenis een punt in de Schepping gegeven, waartegen de ontbindingswoede van satan niets meer vermag. Op dat ééne punt is de herstelling, de herschepping, de verheerlijking volbracht. En nu komt alle verdere herschepping tot stand, doordien God alle verkorenen aan dien verrezen Heiland vastschakelt, met dien verrezen Heiland tot één organisme of, gelijk Paulus zegt, tot ééne plante maiakt, er een lichaam uit doet worden, en in dat ééne Lichaam van Christus het alles inlijft, wat ten leven verordineerd is.

Zoolang dit ééne punt nog ontbrak, kon er niets uit de Schepping worden. Maar nu in de hereenigde ïziel en lichaam" van Christus dat ééne vaste punt gegeven is, nu gaat van daaruit de wederherstelling aller dingen even vastelijk voort, als de ontreddering aller dingen noodzakelijk volgde uit de breuke in Adams hart met zijn God.

In den verrezen Heiland ziel en lichaam hereenigd, om nimmermeer gescheiden te worden. Straks onze sterfelijke lichamen aan zijn heerlijk lichaam gelijkvormig gemaakt. Om en voor ons een nieuwe aarde onder een nieuwen hemel. En die nieuwe aarde, evenals die nieuwe hemel eens vol van de heerlijkheid Gods.

Aldus van den kant der zienlijke dingen, en daarmee saam werkt nu in de verborgen wereld der onzienlijke dingen, de macht Gods om zijn verkorenen weder te baren, en in dat wederbaren hun het geloof in te planten.

En die twee, dat Jezus verrezen is, en dat de verkorene het geloof in de ziel ontvangt, hangen saam.

Het is Vel zoo als onze Catechismus zegt.

Christus heeft ten eerste door zijn opstanding den dood overwonnen. Hiermede hangt dan saam dat wij door wedergeboorte op. staan tót een niéuw leven. Ed k'eï einti is. dat uit zijn verrijzenis ook onze verrijzenis in heerlijkheid eenmaal voortvloeit.

Zoo ligt alles ineengeschakeld, zoo hangt alles organisch saam, zoo vindt het al in Jezus' verrijzenis zijn wortel, zijn oorsprong, zijn uitgangspunt.

En vraagt ge nu ten slotte, waarom dit uitgangspunt, dit eerste motief, juist in het zienlijke, in het stoffelijke, ia het vleesch van Christus, in het lichaam van den Heilige moest gezet, dan luidt het antwoord, dat de herwinning van de verloren schepping niet anders kon beginnen, dan op dat punt in den omtrek, waar ze het verst van God aflag.

Dit nu was niet aJzoo in het persoonlijk bestaan van den mensch, want dat, was naar Gods beeld geschapen, en lag alzoo het dichtst bij God.

En ook niet in de ziel des menschen, want die ziel is geestelijk en aan God verwant.

Maar dat was wel alzoo in het lichaam des menschen, genomen uit de aarde, uit haar stof, uit wat, voor zoover hier tegenstelling doorgaat, vlak tegen den geest ov& c staat; en dat zinnehjke, dat verst afliggende, had Jezus aangenomen in zijn lichaam.

Gelijk de heilige apostel het ons dan ook in den Hebreërbrief (2 : 14) met zooveel nadruk betuigt.

Juist opdat Christus door den dood, d. i, door de losmaking van ziel en lichaam, te niet zou doen dengene die het geweld des doods had, moest ook hij het vleesch en bloed der kinderkens aannemen; juist zooals wij allen als kinderkens in vleesch en bloed geboren zijn.

En daarom wijst de machtige gebeurtenis, die we op ons Pascha herdenken, de Christenheid achterwaarts naar de oorspronkelijke schepping terug, en vóór ons uit tot in de eeuwige heerlijldieid, en betuigt het ons dat het de opstanding van Christus uit de dooden is, die het Paradijs dat ver^ loren werd met het Paradijs, dat eens gewisselijk weerkomt, in de wezenheid zelve der dingen verbindt.

Nog onlangs heeft Sascha Schneider, een Rus van Duitsche herkomst, en schilder van even zeldzaam kunstgenie als bezielend geloof, satan bij het doode lichaam van Jezus op het doek gebracht. Een meesterstuk van conceptie, opgekomen in een ziel die den schijntriomf van den verzoeker verstaan had. Satan is van bovenmenschelijke gestalte, in het kleed van Babylons vorst^, met een doordringend schranderen kop, en op het gelaat de uitdrukking van in zichzelf genietende, en op het zien van het lijk, triomfeerende hoovaardij; maar toch m.et angst in blik en trekken. Er spreekt uit dat lijk zulk een majesteit. Sa, ta.n vertiyuwt dat lijk niet. En juist in dat niet vertrouwen van het lijk toont Schneider de beduidenis van Pascha te hebben gegrepen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 april 1897

De Heraut | 4 Pagina's

„Ce niet doen dengene die 'tgeweld des doods had

Bekijk de hele uitgave van zondag 18 april 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken