Bekijk het origineel

Over de erkenning van den Doop.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Over de erkenning van den Doop.

14 minuten leestijd

Een lezing door Dr. H. H. Kuyper op de Ouderlingenconferentie te Leeuwarden gehouden en in de Friesche Kerkbode opgenomen, wenschen we, om de belangrijkheid van het onderwerp en de helderheid en bondigheid waarmee het behandeld is, ook aan onze lezers voor te leggen.

Het stuk luidt voor de eerste helft als volgt:

De vraag hoeverre de erkenning van den doop zich behoort uit te strekken, is door de jongste gebeurtenissen in de Hervormde Kerk weder met nadruk op den voorgrond geschoven. Evenals in 1868, toen Ds. Tinholt, predikant te Koudura, een volwassene overdoopte, die reeds vroeger door een modernen collega uit Workum, zonder het uitspreken der doopsformule, gedoopt was, zoo zag ook in het voorgaande jaar de Synode der Hervormde Kerk zich genoodzaakt, naar aanleiding van een bepaald geval, waarin van de doopsformule door een predikant in Zuid-Holland was afgeweken, uitspraak te doen over de wijze, waarop in den kring harer Kerk de doop moest bediend worden. En evenals destijds nam de Herv. Synode ook nu weder een beslissing, die door halfslachrigheid zich kenmerkt, den vromen schijn redt, maar feitelijk aan de willekeur vrij spel laat. In een Synodaal rondschrijven aan alle Kerken werd herinnerd, dat de doop in de Hervormde Kerk behoorde bediend te worden met de bekende formule aan Matth. 28 : 19 ontleend, gehjk dit immer gebruik was geweest. Maar tegelijk vergat de Synode deze bepaling als verplichtend in haar Reglement op te nemen, ontsloeg zij den aangeklaagden predikant - van alle rechtsvervolging, en liet zij de wettigheid van den doop der door liem gedoopte kinderen onaangetast. Het Synodale rondschrijven was een vermaning, maar die krachteloos werd, omdat de poenale sanctie ontbrak.

Het lijdt dus geen twijfel, dat een doopattestatie uit de Hervormde Kerk, zonder meer, geen waarborg aanbiedt, dat men een werkelijk gedoopte voor zich heeft, daar naar aller Christenen eenparig gevoelen, een doop in den naam van geloof, hoop en liefde bediend, geen Christelijke doop is. Overal waar gegronde reden tot wantrouwen voorhanden is, zal naar de geldigheid van den doop der Hervormde Kerk onderzoek moeten worden gedaan, om een in schijn gedoopte niet als werkelijk gedoopt te erkennen.

De Roomsche Kerk heeft reeds geruimen tijd bedenking om den doop der Herv. Kerk als doop te erkennen, en doopt in vele gevallen proselieten weer met de restrictie: Indien ge niet gedoopt zijt, doop ik u. Op de Synoden der vroegere Christ. Geref, Kerk, kwam de vraag meermalen ter sprake, hoe geoordeeld moest worden over de geldigheid van den doop in de Hervormde Kerk bediend. En op de jongste Generale Synode onzer Kerken te Middelburg werd een bepaald geval door de Kerk van Den Helder voorgelegd, waarin de doop had plaats gevonden niet sin den naam van" maar stot de belijdenis van den naam des Vaders en Zoons en H. Geestes" en werd gevraagd, of deze doop als wettig te erkennen was. Volkomen terecht oordeelde de Generale Synode, dat eerst de Classis en desnoodig de Provinciale Synode uitspraak moest doen, voordat de Synode in hoogste ressort een beslissing nemen kon. (Art. 82).

Het geval kan zich dus elk oogenblik voordoen, vooral in Friesland, waar de doopsformule door moderne predikanten reeds zoo dikwijls veranderd is, dat de Kerkeraad eener plaatselijke Kerk geroepen wordt, om uitspraak te doen over de wettigheid van eene doopsbediening. Juist daarom is het zeer noodig, dat ook de Ouderlingen grondig worden ingelicht omtrent hetgeen de Gereformeerde beginselen te dezen eischen, opdat zij in staat zijn, zonder aan anderer leiband te loopen, zelfstandig een oordeel te vellen.

Nu neem ik bij mijn referaat mijn uitgangspunt in het dogma der Christelijke Kerk dat ook de doop, in Kerken van afwijkende richting bediend (of de zoogenaamde ketterdoop), als doop moet erkend worden, wanneer vorxn en wezen van het Sacrament zijn bewaard gebleven. Want wel weet ik, dat èn in vroeger eeuw en nu door allerlei kettersche secten, (de Donatisten en Novatianen ten dage van Augustinus, de Wederdoopers ten tijde van de Reformatie en de Baptisten in onze dagen) dit dogma verworpen wordt en men in die kringen aUeen den doop in eigen Kerk bediend als wettig erkende, zoodat men wederdoopte al wat buiten dien kring gedoopt was — maar onze Gereformeerde Kerk heeft steeds èti door hare belijdenis èn door hare practijk getoond, dat zij met dit separatistisch en sectarisch drijven niets gemeen wilde hebben en zich hield aan wat de Katholieke, d. i. algemeene Christelijke Kerk te dezen oprichte, als regel had vastgesteld.

Het is dus geenszins mijne bedoeling de geldigheid van den ketterdoop, als ware dit eene disputabele stelling, in uw midden te verdedigen. Wij komen hier saam als Gereformeerde Ouderlingen. Wij hebben allen als ambtsdragers trouw gezworen aan de belijdenis, die God in genade aan onze vaderen schonk en waarin het zuiverst wordt weerkaatst, wat God in Zijn heilig Woord ons leert. Die belijdenis moet niet eerst worden bezwezen, maar is het fundament waarop vire bouwen, het meetsnoer, waarnaar ons gedrag moet worden gericht.

Wel wilde ik u in een korte historische schets toelichten, hoe dit dogma in den loop der tijden is ontstaan, door de Reformatie is gewijzigd en in onze Gereformeerde Kerk tot volkomen afronding is gebracht, terwijl ik daarbij tevens gelegenheid zal hebben u aan te toonen, op welke gronden dit dogma der Christelijke Kerk rust. De les der historie is nog nooit door Christus' Kerk zonder schade voor haar eigen bloei veronachtzaamd. Reeds daarom is het goed haar te beluisteren, maar nog meer, omdat de Ouderlingen, die helaas de kennis der Latijnsche sprake missen en daardoor onze beste Gereformeerde schrijvers niet kunnen lezen, hun v? ijsheid steeds putten uit den Hollandschen vader Brakel en deze, het smart mij om zijne nagedachtenis het te moeten zeggen, ook op dit punt lijnen trok, die verre zijn van Gereformeerd.

I. Aanvankelijk is in de Christelijke Kerk over de erkenning van den ketterdoop niet eenparig geoordeeld. Uit den strijd der meenmgen is de waarheid aan het licht gebracht. In de 3e en 4e eeuw onzer Christelijke jaartelling stonden twee partijen scherp tegenover elkander, In de Oostersche en Afrikaansche Kerken was sinds menschenheugenis de practijk inheemscli om degenen, die door ketters gedoopt waren, als ongedoopt te beschouwen en daarom met den Christelijken doop weder te doopen. En menige Synode dier dagen drukte op deze praktijk het zegel harer goedkeuring. Op zich zelf beschouwd behoeft dit feit u niet te verwonderen, want eigenlijk volgt deze gedachte consequent uit de Roomsche kerkidée, die? ich toen refcds begon te ontwikkelen. De Roomsche Kerk beschouwt zichzelve als de eenigc ware Kerk op aarde, en leert diensvolgens, dat er buiten haar geen zaligheid te vinden is. Zij ziet in den doop niet een sacramenteel teeken van het verbond der genade, maar een magisch middel, waardoor genade aan de ziel des gedoopten wordt meegedeeld, nl. de vergeving der zonde en de wedergeboorte. En zij laat het ambt, waardoor de doop bediend moet worden, niet opkomen uit de gemeente, krachtens volmacht door Christus haar verleend, maar bindt het ambt aan de Apostolische successie, die alleen door handoplegging van den bisschop wordt verkregen. Consequent door geredeneerd zou dit tot de slotsom moeten leiden, dat de doop, door ketters bediend, slechts een schijndoop was, omdat de ketters buiten de Kerk staan, hun ambt niet door Apolistische successie is verkregen en dus hun doop ook geen genademiddel kan zijn.

Te opmerkelijker is het daarom — en er mag hierin wel een vinger Gods erkend worden, die zijne Kerk voor verder afdwalen wilde behoeden — dat juist de Roomsche of Westersche Kerk van meet af een andere practijk heeft gevolgd, den ketterdoop als geldig heeft erkend en deze practijk in heel de Christelijke Kerk de overwinning heeft bezorgd. Dit laatste geschiedde echter niet dan ten koste van een bitteren strijd, waarin het zelfs een tijdlang tot een breuke kwam in de Kerk, aangezien de bisschop van Rome de kerkelijke gemeenschap met de overige Kerken verbrak, omdat zij, gelijk hij het uitdrukte, Anabapisten, Wederdoopers geworden waren.

De machtigste woordvoerders waren in dien strijd aan de zijde der Oostersche en Afrikaansche Kerken Cyprianus, bisschop van Carthago en Firmilianus, bisschop van Cappadocie, en aan de zijde der Westersche Kerken Stephanus, bisschop van Rome. Over dien strijd schreef Dr. Van Goor, thans Gereformeerd predikant te Bunschoten, een proefschrift, toen hij te Utrecht den doctorstitel halen ging. Uit dat proefschrift blijkt, dat de conclusies, waartoe beide partijen kwamen, deze waren :

Cyprianus ging uit van de gedachte Extra ecclesiam nulla salus, buiten de Kerk is geen zaligheid. Daaï de doop dient tot zaligheid, kan er buiten de Kerk geen doop bediend worden. De ketters staan buiten de Kerk; dus is de doop, door hen bediend, geen doop, maar alleen een vleeschelijke wassching. De vraag hoe de doop door hen bediend is, met de doopsformule of niet, doet niets ter zake. »Er is maar één doop, die der Katholieke Kerk, en degenen^ die van het overspelig en onrein water komen om gewasschen en gereinigd te worden door het ware water des heils, worden door ons niet herdoopt, maar gedoopt". Feitelijk hing dus de geldigheid van den doop aan hem, die den doop bediende.

Stephanus leerde daarentegen, dat de geldigheid van den doop afhing van het gebruik der doopsformule. Volgens hem was elke doop geldig en oorzaak van de vergeving der zonde, wanneer die doop bediend was in den naam van Vader, Zoon en H. Geest, onverschillig, of die doop bediend was in of buiten de Kerk, door een wettig geordend priester of door een ketter. Het was onverschillig wie den doop bediende, de doopeling kon altoos door zijn gemoed en geloof de genade des doops verkrijgen.

Deze strijd, die van weerszijden met groote hardnekkigheid gestreden is, is eerst tot beslissing gebracht door het machtig woord van den man, aan wien wij Calvinisten zooveel te danken hebben, Augustinus, den kerkvader bij uitnemendheid. De tijdsomstandigheden, waaronder hij optrad, waren hem bijzonder gunstig. Juist in zijn dagen nam hand over hand toe de secte der Donatisten, die, den lijn van < ''yprianus consequent doortrekkende, leerden, dat niet alleen de doop onwettig was door een ketter buiten de Kerk bediend, maar ook door een priester in de Kerk, wanneer deze in doodzonde gevallen was. Tot dit uiterste moest men komen. Hangt de geldigheid van den doop aan hem die den doop bedient, dan is niet alleen de doop van ketters onwettig, maar ook de doop van lederen priestef, die voor zijn eigen hart buiten de genade staat. Wie zelf geen genade heeft, kan geen genade meedeelen.

Augustinus heeft meesterlijk, gelijk hij alleen dit kon, met het scherpe wapen van zijn woord, dit subjectieve (onderwerpelijke) standpunt bestreden en het objectieve (voorwerpelijke) standpunt omtrent den doop gehandhaafd. De wettigheid van den doop, zoo stelde hij, hangt niet aan den mensch, die hem bedient, maar aan de instelling van Christus. De mensch doopte niet, maar Christus zelf uit den hemel doopte, en gebruikte den mensch slechts als zijn hand en zijn mond. De waardigheid of onwaardigheid van het werktuig, waarvan Christus zïbh bediende, deed niets af of toe aan den doop zelf. Overal; waar die doop bediend werd naar de instelling van Christus, d. i. met rein water en in den naam des Drieëenigen, was er een Christelijke doop. En evenmin hing de v/ettigheid_ van den doop aan de waardigheid van hem die den doop ontving. Al was de doopeling op het oogenblik van den doop ongeloovig, zoodat hij, wat zichzelf betrof, geen recht had op het Sacrament, zijn ongeloof deed het Sacrament niet te niet. Het was hiermede evenals met den ongeloovige, die het Avondmaal onwaardiglijk gebruikte en toch het Sacrament ontving. Sderf zulk een onbekeerde, dan was de doop, dien hij ontvangen had, een verzwaring van zijn oordeel. Kwam hij later tot bekeering, dan behoefde de doop niet hernieuwd te worden; zijn vroegere doop bleef van kracht. Het was met den doop als met het veldteeken, den Romeinschen soldaten in den arm ingebrand, om hen als soldaten te herkennen. Wie dat teeken droeg was rechtens soldaat van Rome, ook al had hij het teeken als spion ontvangen of al was hij later tot de vijanden overgeloopen. In één woord saamgevat, de geldigheid van den doop hing volgens Augustinus noch aan hem die den doop bediende, noch aan hem die den doop ontving, maar alleen aan de ordinantie des Heeren.

Het is Augustinus' onsterfelijke verdienste dit zoo glashelder in het licht te hebben gesteld, dat sinds alle tegenspraak vanzelf verstomde, en zijn gevoelen in heel de Christelijke Kerk ingang vond. Verscheidene concilies hebben zijn gevoelen als dogma vastgesteld. Alle groote Scholastieken uit de Middeleeuwen hébben dit gevoelen verdedigd. En op het bekende Concilie van Trente, waar de Roomsche leer het zuiverst is omschreven, werd in de Vn sessie. Canon IV bepaald: Indien iemand zegt, dat de doop door ketters bediend in den naam van Vader, Zoon en Heiligen Geest met de bedoeling, om te doen wat de Kerk doet, geen ware doop is, Anathema sit, die zij vervloekt.

In. Toen de Hervorming de kluisters van Rome brak, waarin de Christelijke Kerk gebonden lag, heeft het Protestantisme de grondgedachte van Augustinus overgenomen en in zijn belijdenisschriften neergelegd. Hoewel de Kerk van Rome als valsche kerk verworpen werd, heeft toch geen der Reformatoren, noch Luther, noch Zwingli, noch Calvijn er ooit aan gedacht zich opnieuv/ te laten doopen, alsof de vroegere doop in de Roomsche Kerk slechts een schijndoop was. En ook na dien tijd is er geen geval uit de geschiedenis bekend, waarin een Roomsche her« doopt is geworden door een Protestansche Kerk. En niet alleen dat de praktijk zoo duidelijk genoeg spreekt, ook de geschriften dier uitnemende Godsmannen laten geen anderen toon vernemen. Calvijn zegt in zijn Institutie IV. 2—11 uitdrukkelijk, dat de Heere ook in de Roomsche landen nog bewaart het getuigenis zijns verbonds, te weten den doop, dewelke, door zijn mond en woord geheiligd zijnde, in spijt van alle goddeloosheid der menschen, zijn kracht behoudt. Onze kerk belijdt in haar Confessie Art, XXXTV: Hierom gelooven wij, dat zoo wie voornemens is in het eeuwige leven te komen, die moet maar eens gedoopt worden met den eenigen doop, zonder dien immermeer te herhalen, want wij kunnen ook niet tweemaal geboren worden. Een artikel, waarbij Maresius in zijn Exegesis SymboH terecht opmerkt, dat hierin een veroordeeling ligt van eiken herdoop in en buiten de Kerk des Heeren.

Hoewel onze vaderen het dus eens waren wat de grondgedachte betreft met Augustinus, zoo heeft toch het Calvinisme een wijziging aangebracht in het dogma, waarop ik in de tweede plaats uwe aandacht vestigen wilde.

Het dogma dat de ketterdoop als wettig te erkennen was, had n.l. in de Roomsche Kerk door vermenging van het Roomsche kerkbegrip met de doopsgedachte een vorm gekregen, die zeer bedenkelijke gevolgen met zich medebracht.

Gelijk ik u reeds vroeger zeide, vereenzelvigt de Roomsche Kerk de onzichtbare met de zichtbare Kerk des Heeren. Zij alleen is de ware Kerk, Al wat naast haar optreedt is secte, geen Kerk, In zulk een secte zijn geen ambtsdragers maar alleen private personen, die den titel van ambtsdragers zich aanmatigen. Waar de Roomsche Kerk nu toch de wettigheid van den doop . in zulk een secte erkent, daar heeft deze erkenning niets te maken met den persoon, die den doop bediend heeft, of de secte waar de doop bediend is. Elke doop met water en de doopsformule is wettig, geheel afgezien van den persoon, die den doop bediende. Ja, de Roomsche Kerk trekt dit zoover, dat zij zelfs de wettigheid erkent van een doop bediend door een Turk, Jood of zelfs een Heiden, mits de vorm van den doop zuiver is.

En in de tweede plaats, daar de doop volgens Rome het middel is om den doopeling in do Kerk in te lijven, en er maar één Kerk is, n.l. zij zelve, zoo leert zij, dat alle gedoopten feitelijk lid zijn van haar Kerk en-desnoods met geweld tot erkenning der ware Kerk moeten gebracht worden. Nu nog houdt de Paus de pretentie vast, dat alle Protestanten krachtens hun doop aan hem onderworpen zijn en dat ons niet erkennen van zijn gezag niet anders dan revolutie en muiterij is.

Geheel deze voorsteUing verwierp het Calvinisme, Calvijn maakte scherp onderscheid tusschen de zichtbare en onzichtbare Kerk. De onzichtbare Kerk was het mystieke lichaam van Christus, de vergadering van alle uitverkorenen, waarvan onze Geloofsbelijdenis zegt: Ik geloof ééne heilige, algemeene. Christelijke Kerk, Die algemeene (Katholieke) Kerk, die onzichtbaar was, openbaarde zich in zichtbare gestalte niet als ééne Keik, maar als gedeeld, ze bestond niet alleen in de Gereformeerde Kerk, maar ook in de Anglicaansche en Luthersche Kerk, ja ze werd zelfs gevonden in de Grieksche en Roomsche Kerk. De Gereformeerde Kerk maakte er nooit aanspraak op de eenige Kerk te zijn, maar onder de Christelijke Kerken te zijn de meest gezuiverde, d. i. Gereformeerde. Ook de andere Kerken, zoolang de Christelijke belijdenis niet geheel was prijsgegeven, waren, hoewel verbasterd, diep verdorven en overspelig, toch Kerken van Christus.

Een volgend maal geven we het slot.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 april 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Over de erkenning van den Doop.

Bekijk de hele uitgave van zondag 25 april 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken