Bekijk het origineel

Een getuigenis uit den vreemde.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Een getuigenis uit den vreemde.

7 minuten leestijd

Nu, tot ons leedwezen, juist in die kringen, die ons confessioneel het naast staan, nog steeds een voorstelling van de Heraut wordt gegeven, als ware ons blad in azijn gedrenkt en geschreven met een pen in bittere gal gedoopt; iets wat lezers, die ons blad niet lezen, natuurlijk voor waarheid aannemen; kan het doeltreffend zijn, het oordeel over het karakter van ons schrijven en over dat van deze critische broeders, van een buitenlander, die geheel buiten onzen strijd staat, te vernemen.

We verwijzen daartoe naar wat te lezen staat in de Reform. Kirchenzeitung van 18 April, waarin het heet:

Von niemandem wird denn auch Kuyper gehassiger und kleinlicher bekampft, als von einer Partei der landeskirchlichen Orthodoxen, die in dem Wochenblatt De Gereformeerde Kerk ihr Organ besitzen. Der Hasz geht soweit, dasz man selbst Aeuszerungen, welche Prediger der Kuyperschen Richtung im Privatgesprach thun, und die scheinbar oder wirklich ketzerisch sind, in diesem Blatte mitteilt, natürlich mit denliebreichsten Bemerkungen verziert. Fast ergötzlich ist der zornige Eifer der Theologen der Gereformeerde Kerk über die Absicht der mit Kuyper separierten reformirten GememdeUj den Artikel 36 der Confessie Belgica., zu revidieren. Artikel 36 scharft der Obrigkeit die Pflicht ein, nicht nur über die bürgerliche Gerechtigkeit zu wachen, sondern auch die Ketzer zu bestrafen: »Es ist Sache der Obrigkeiten, nicht allein besorgt zu sein um die Erhaltung der bürgerlichen Ordnung, sondern auch bemüht zu sein, dasz der Dienst am Heiligtum bewahrt, aller Götzendienst und falscher Gottesdienst ausgerottet, das Reich des Antichrist zerstört, Christi Reich aber verbreitet werde". In Wiirdigung der realen staaüichen Verhaltnisse und des heutigen über die in der Reformationszeit herrschenden Ideen hinausgewachsenen Staatsbegriffs, vor dem die Forderung emer Bestrafung der Ketzer ebenso unmöglich wie lacherlich erscheint, gedenken die reformirten Kirchen diesem mit dem Geist des Neuen Testaments sich sicherlich nicht deckenden Artikel soweit nachzusehen, dasz auch in diesem Punkte ihr Bekenntnis kein toter Buchstabe zu bleiben brauche. Unter ermüdender Berufung auf das Beispiel der israelitischen Könige füUte die Gereformeerde Kerk seit Wochen ihre Spalten mit dem ohnmachtigsten Gezanke, völlig vergessend, dasz eine Theokratie etwas anderes ist als ein moderner Staat. Es ist nur angemessen, dasz Dr. Kuyper in seinem JT^rra; »/für derartige Angriffe kein Wort der Erwiederung hat. Nichts kennzeichnet überhaupt den Heraut besser, als die Abwesenheit jeder unnützen Zankerei und der durchaus vornehme Ton, der jede Nummer durchweht. Höchst selten finden wir ein Wort, das sich verachtlich über den Gegner auszert, auch wird das poliüsche Gebiet nie berührt, wahrend sich z. B. de Gereformeerde Kerk., das Hauptblatt der konfessionellen Partei, in jeder Nummer gedrungen fühlt, den sachlichen Kampf durch persönliche Zuspitzungen zu verbittern und politische Fragen anzuschneiden mit der auf diesem Gebiet üblichen Höflichkeit._ Sogar die Römischen vermogen sich dem Eindruck nicht zu entziehen, dasz man bei Dr. Kuyper Noblesse lernen kann, auch sie mussen ihm und seinem Heraut ihre Achtung bezeugen. In der römischen Zeitschrift De Katholiek stand neulich wörthch zu lesen: »Bei Dr. Kuyper ist das Wort Gottes eingegangen in seine ganze Person, beide Testamente scheinen in ihm Fleisch und Blut angenommen zu haben, er redet die Worte des Lebens aus voUem überflieszenden Herzen. Seine Schriften, sein Wort sind nicht ein mit Kunst eingelegtes Mosaik von Bibeltexten, nein, sein Wort strahlt wie ein vielseitig geschliffener Diamant, der nach allen Seiten den Glanz des Sonnenlichtes wiederspiegelt. Seine Ausdrücke und Wendungen, sein Gedankengang und seine Bildersprache, die Aeuszerungen seines Gemüts, seine Liebe und sem Hasz, sein Zorn und sein Mitgefühl, es ist alles durchaus schriftgemasz. Durch sein Wort geht der lyrische Flug des Propheten, der klagende Ton eines David, der Siegesgesang eines Mose, einer Deborah und Judith, die feurigen Liebespfeile eines Paulus und Johannes. Er erzahlt in der anmutigen Weise der historischen Bücher, er bezaubert den Leser, wenn er der hohen Einfalt der Evangeliën folgt. Und so hat er sein Wort ganz umgesetzt und gleichsam seine Gestalt verandert durch die Macht und Glut des Schriftworts; die Kraft und die Majestat, das Pathos, das Zarte und Gefallige in den Worten der götthchen Offenbarung ist völlig Eigentum seines Geistes geworden." Obwohl selbstverstandlich in der Fortsetzung des Artikels heftige Vorwürfe gegen Kuypers Calvinismus nicht ausbleiben, so ist es doch bedeutsam, dasz selbst ein römischer Gelehrter es sich nicht versagen kann, dem Manne seine Hochachtung zu bezeugen. Und in der That, _wer seine Schriften kennt, seine erbaulichen nicht minder wie seine wissenschaftlichen, begreift wohl, dasz Hollands Volk seinem Worte zujauchzt. ')

•) Door niemand wordt Kuyper op meer hatelijke en laffe wijze bestreden, dan door een zekere groep orthodoxen in de vaderlandsche kerk, die in het weekblad de Gereformeerde kerk hun orgaan bezitten. Hun haat gaat zóóver, dat zelfs werkelijk of schijnbaar kettersche uitdrukkingen, door predikanten van Kuyperiaansche richting in intieme gesprekken gebezigd, in dit blad worden medegedeeld, natuurlijk door de liefelijkste opmerkingen omlijst. Bijna vermakelijk is bij deze theologen de toorn, waarmede zij ijveren tegen het plan der Gereformeerde kerken, om art. 36 der Confessie te herzien. Art. 36 schrijft der overheid als plicht voor, niet alleen te waken voor de burgerlijke gerechtigheid, maar ook de ketters te bestraffen: »Het ambt der overheid is, niet alleen acht te nemen en te waken over de poliiie, maar ook de hand te honden aan den heiligen kerkedienst; om te weren en uit te roeien alle afgoderij en valschen godsdienst; om het rijk des antichrists te gronde te werpen en het Koninkrijk van Jezus Christus te bevorderen." Rekening houdende met de werkelijkheid der staatkundige verhoudingen en met de hedendaagsche, sinds de tijden der Reformatie geheel gewijzigde staatsidee, die den eisch van art. 36 even onmogelijk als belachelijk maakt, meenen de Gereformeerde kerken dit artikel, dat zeker niet conform is aan den geest des Nieuwen Testaments, zoodanig te moeten wijzigen, dat ook op dit punt hunne belijdenis geen doode letter behoeft te blijven. Met een tot vervelens toe herhaald beroep op het voorbeeld der Israëlitische koningen, vulde de »Gereformeerde kerk" sinds weken hare kolommen met krachteloos twistgeschrijf, terwijl zij ten éenenmale scheen te vergeten, dat eene theocratie iets anders is als een moderne staat. Dr. Kuyper heeft groot gelijk, dat hij in zijn Heraut geen woord op dergelijke aanvallen antwoordt. Niets karakteriseert de Heraut dan ook beter, dan het stilzwijgen over alle nutteloos gekibbel, en de bijna altijd voorname toon, die den lezer uit ieder nummer tegenademt. Niet dan hoogst zelden komt een verachtelijke uitdrukking over een tegenstander voor; ook wordt het politiek terrein nooit betreden, terwijl b. v. de Gereformeerde kerk zich geroepen acht, in ieder nummer den zakelijken strijd door persoonlijke toespelingen te verbitteren en politieke quaesties te behandelen met de op dit gebied gebruikelijke wellevendheid. Zelfs de Roomschen kunnen zich den indruk niet ontveinzen, dat men van Dr. Kuyper «noblesse" leeren kan; ook zij kunnen niet nalaten hem en zijne//"^raa/hunne hulde te brengen. In het Roomsche tijdschrift De Katholiek stond onlangs letterlijk het volgende te lezen: (Een citaat aan onze lezers reeds bekend. Zie No. 1000, d.d. 21 Februari 1.1.)

Dat verderop in het artikel heftige beschuldigingen tegen Kuyper's Calvinisme niet uitblijven, spreekt vanzelf. Maar toch is het van beteekenis, dat zelfs een Roomsch geleerde zich gedrongen gevoelt hem zijne hoogachting te komen betuigen. En inderdaad, wie zijne geschriften kent, zijne stichtelijke, zoowel als zijne wetenschappelijke, verstaat het, waarom Holland's volk zijne woorden toejuicht.

Zulk een woord geeft weer moed, om rustig voort te gaan op den weg.

Vroeg of laat, we zijn er zeker van, zal hooger genade ook de broederen die nu nog door den geest der bitterheid gedreven worden, kalmer stemmen en daardoor tot juister en rechtyaardiger oordeel bekwamen.

Voorshands, we gelooven dit gaarne, zien ze het niet anders, en handelen ze, gelijk ze handelen, uit volle overtuiging.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 mei 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Een getuigenis uit den vreemde.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 mei 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken