Bekijk het origineel

Artikel 36.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Artikel 36.

6 minuten leestijd

Amsterdam, 30 April 1897.

De Synode van Middelburg heeft de behandeling van Art. 36 aan de orde gesteld, niet in overmoed, maar om der eerlijkheidsvnlle, en niet eigenmachtig, maar met den uitgesproken wensch, dat alle Gereformeerde kerken over dit gev/ichtig punt haar licht mochten doen schijnen.

Nu is er, helaas, niet de minste kans, dat de vele Gereformeerden, die nog in de Ned. Herv. kerk zijn, hierover kerkelijk zullen kunnen mede oordeelen.

We zeggen niet, dat het absoluut onmogelijk ware. Voor ons is het zeer wel denkbaar, dat er hier of daar een classis ware te vinden, zoogoed als geheel uit Gereformeerden saamgesteld, die voor dit uiterst belangrijke stuk een commissie benoemde, met verlof om ook naar buiten te werken, en met anderen in contact te treden.

Ook daü zou een classis nog wel geen Synode zijn, en zich dus allerminst het recht kunnen aanmatigen, om in naam der kerken te spreken, maar een classis kon daarom zeer wel adviseeren, evenals vroeger vele malen geadviseerd werd door een theologische faculteit.

Doch ook al kon het daartoe niet komen, zoo zou het ons toch een zeer begeerlijke zaak dunken, zoo de broederen van Gereformeerde kringen in de Ned. Herv. kerk op de eene of andere wijze, samenspreking over deze zoo gewichtige aangelegenheid mogelijk konden en wilden maken.

Men kan wel op een afstand blijven staan, den afstand steeds breeder uitmeten, en op dien steeds grooter wordenden afstand, uit de verte elkander allerlei leelijke dingen toedichten, maar beiderzijds zal men toch toestemmen, dat dit noch mannelijk noch broederlijk noch met de eere van Gods heilige waarheid overeenkomstig is.

Niet te groot is iii èit'frgoedè land dé kring van hen, die genoegzaam gemeen-schappelijk uitgangspunt bezitten, om op doeltreffende en zakelijke wijze saam te redeneerea en saam te besluiten.

Maar met deze broederen hebben we bijna alle vereischte principiën gemeen.

Ze aanvaarden met ons de Heilige Schrift in ongebroken autoriteit.

Ze bekennen zich tot gelijke Formulieren van eenigheid.

Ze zijn met eenzelfden eerbied voor het werk der vaderen in de i6de eeuw vervuld.

Wij kunnen elkander dus verstaan, omdat allereerst de fontes salutionis, d. i. de bronnen waaruit de beslissing gehaald moet, voor hen en ons eender zijn.

Bovendien moeten we toch aannemen, dat de liefde voor de broederen niet geheel vreemd is aan hun en ons hart, en dat we alzoo bereid zijn om ten deze elkander te dienen.

Zou het daarom zoo ondenkbaar zijn, dat die Gereformeerde broederen, die van oordeel zijn, dat Art. 36 ook nu nog te handhaven is in zijn ouderwetsche beteekenis, zich saam vereenigdcn, om uit hun midden zeker aantal kundige mannen aan te wijzen, die zich tot overleg en saamspreking leenen konden?

De Ethische handhavers van Art. 36 blijven buiten spel.

Wie zegt: »Ik ben het in de zaak met u eens. DeOverheM moet niet keuren wie ketter is. En allerminst de ketters te lijf gaan. Alleen maar, ge kunt de woorden van Art. 36 ook wel zóó lezen, en zóó verstaan, dat er dit niet in ligt, " staat buiten het principieele geding.

Met hem hebben we alleen een symbolisch-methodologisch verschil. Hij oordeelt, dat men de formulieren niet historisch behoeft uit te leggen, en er in lezen mag al wat het rekbare woord maar even toelaat. Wij daarentegen zeggen, dat een historisch formulier historisch moet uitgelegd, en dat niet te vragen is, wat wij er in leggen kunnen, maar alleen wat de opstellers er meê hebben bedoeld.

Met die broederen handelen we alzoo niet over de zaak zelve. Daarin zijn zij het geheel met ons eens.

Maar wel staat ons geding met die andere broederen, die evenals wij de formulieren historisch verstaan, en ook met ons erkennen, dat Art. 36 den plicht aan de Overheid oplegt, om te keuren wie ketter is, en althans de heresiarchen strafrechtelijk te vervolgen.

Van deze broederen verscMien v^e zakelijk.

Wij toch oordeelen, dat wel, zonder twijfel, de kerken dit eertijds zoo beleden en bedoeld hebben, maar dat ze hierin dwaalden, en we oordeelen alzoo op grond van Gods Woord.

Die casuspositie nu wordt natuurlijk ook door de broederen, die zakelijk van ons verschillen, aanvaard.

Ze stemmen ons in beginsel toe, dat de Confessie, en dus ook Art. 36, te allen tijde appellabel is aan Gods Woord.

Van de Belijdenis gaan dus én zij én wij, beiden, op Gods Woord, terug.

Zij zeggen: Wat in Art. 36 aan de Overheid ten opzichte van de kerken wordt opgelegd, is conform den Woorde Gods.

Wij zeggen: Wat in Art. 36 aan de Overheid ten opzichte van de kerken wordt opgezegd, is niet conform den Woorde Gods.

Het is alzoo tusschen hen en ons een uitlegkundig dogmatisch geschil.

Een geschil dat niet met beroep op dezen of genen tekst is uit te maken. Beiderzijds toch kennen we die teksten zeer wel. Maar de vraag is, welke regel er uit het geheel dezer teksten, naar de analogia fidei, is af te leiden.

Het geldt hier toch een dogma dat niet op zich zelf staat, maar dat saamgevlochten is met tal van andere dogmata, en waarover niet te oordeelen valt, tenzij men, aan de hand der Heilige Schrift, op die diepe beginselen ingaat, waarin die onderscheideae dogmata haar verbindingspunt vinden.

Een schoone arbeid alzoo, wel waard, dat alle theologische kracht er zich op richte, te meer, daar beiderzijds wordt toegegeven, dat in het punt van de kettervervolging tal van andere gewichtige punten inzitten.

Wij werpen daarom met vollen ernst de vraag op, of het zoo ondenkbaar zou zijn, dat de broeders die ten deze een ander gevoelen zijn toegedaan dan wij, zich ten deze vereenigden, om met hun beste en kundigste mannen een gezamenlijke behanpeling van dit zoo interessante punt voor ons mogelijk te maken.

Tegenover de wereld zou dit waardiger zijn, dan dat men voortgaat, den broeder die in gevoelen verschilt, uit de verte met steenen te gooien.

De Ethischen zouden er den indruk door ontvangen, dat het scheepke der Gereformeerde beginselen hecht en sterk genoeg is, om ons over de felst bewogen wateren in veilige haven te brengen.

De gemeente zou er door gesterkt en verkwikt worden.

Er zou uit blijken dat men beiderzijds nog iets hoogers kende dan kerkelijk gekibbel.

En hetzij men het ten slotte eens werd, hetzij men eindigde met tweeërlei weg te blijven bewandelen, over en weer zou ons inzicht verhelderd zijn, men zou eerbied voor den ernst van elkanders overtuiging hebben gewonnen, en de scheiding zou er zuiverder en broederlijker door kunnen zijn.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 mei 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Artikel 36.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 mei 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken