Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Voor Kinderen.

8 minuten leestijd

OP VOEDSEL UIT.

XIV.

De zon scheen reeds helder, en Walter haastte zich naar buiten om zijn verstijfde ledematen te koesteren in de verkwikkende stralen. Het water was nu rondom den berg weggezakt, zoodat hij weder overal loopen kon, doch over het bosch hing een nevel, die ontstond door het verdampende vocht.

In de warmte weder wat opgeknapt, begon onze vriend echter een geweldigen honger te gevoelen; geen wonder, hij had heel den vorigen dag gevast. Hij moest er dus op uit om voedsel te zoeken, en al had hij weinig lust zich nu in 't bosch te begeven, er zat niet anders op.

Toen hij onder 't geboomte kwam bespeurde hij aanstonds, dat het daar killer was dan hij aangenaam vond. Vochtige damp steeg op, overal had de regen de groeven met water gevuld, groote poelen waren ontstaan, aarde weggespoeld en" verscheidene boomen^.door de wind omgeworpen. Tegelijk bemerkte onze vriend, dat hij telkens op iets glibberigs trapte. Er kropen namelijk, nu 't zoo vochtig was, honderden groote slakken rond, en aanstonds kwam nu bij hem de gedachte op: zouden die ook te eten zijn ? De matrozen hadden hem verteld, dat in vele landen slakken worden gegeten, doch hij had het nooit zien doen. Hij keek de gedierten eens aan en .... eer een half uur verloopen was had hij er reeds ettelijke naar binnM gewerkt. De eerste had hem 't meeste moei* gekost, en de smaak was van geen enkele heel lekker. Maar er was op 't oogenblik niets anders. Zoo tastte hij dan toe, en haastte zich toen weer naar het strand, waar hij het echter spoedig zelfs al te warm kreeg. Lang had hij uitgezien naar de zee, in de hoop een zeil te ontdekken, doch vergeefs. Zou zijn schip wellicht nog terugkeeren? Ik moet den berg eens beklimmen, sprak hij bij zich zelf, dan kan ik verder zien. Zoo gezegd zoo gedaan. Doch dat was hem nu een zwaar werk, en voor 't eerst in zijn leven gevoelde Walter zich bijna te zwak voor iets, dat hij ondernemen wou. Toch bracht hij het tot aan den top. Voor hem lag de eindelooze, thans geheel kalme zee, waarop de zonnestralen schitterden, 't Was doodstil om hem heen, daar op dien boomen grasloozen berg, waarop behalve hem geen levend wezen was te bespeuren. Ook op de zee vertoonde zich niets dat zijn aandacht trok. En hoe mooi 't schouwspel voor hem ook was, wie in den nood zit heeft daar zelden oogen voor. Daarbij werd de hitte spoedig ondragelijk, en moest hij afklimmen.

5> Toch zal ik 't volhouden", sprak hij bij zichzelf. ïAls er een schip komt, kan ik het van hier zien, en als het nabij komt ook toeroepen of een teeken geven. Maar als het zonnig weer is, ga ik 's ochtends of tegen den avond, 't Is overdag niet te doen."

Beneden gekomen begaf hij zich naar zijn schuilplaats om daar uit te rusten. Terwijl hij daar lag, kwamen hem de dingen van den vorigen dag weer voor den geest, en herinnerde hij zich al wat hem toen had beziggehouden. »De Heere God ziet mij, en weet van mijn nood", zoo sprak hij bij zichzelf, en wederom bad hij om ontferming, en dankte God die hem dusverre had bewaard. Toen verzonk hij weder in diep nadenken. Nu kwamen hem ook een voor een de teksten weer te binnen, die grootmoeder hem had laten leeren : sDe Heere is nabij allen die Hem aanroepen" en sHet is mij goed verdrukt te zijn geweest" en wederom: »Allen zijn ze afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; daar is niemand die goed doet, ook niet één." Had hij op reis zijn Bijbel stil laten liggen, en het lezen verwaarloosd, nu vond hij er genoegen in al die teksten en verzen die hij kende nog eens te herhalen, zich hen nauwkeurig te herinneren. Voor 't eerst in zijn leven gevoelde hij, dat grootmoeder hem een schat had meegegeven, die niet te rooven viel. Maar ook werd hem eenigszins duidelijk, hoe hij aan dien schat niets hebben zou, als hij hem zoo veronachtzaamde als tot nu toe, en dat dan toch de grootste schat hem zou ontgaan.

Zoo bracht hij, al denkende, een groot deel van den dag door. Een paar weken geleden nog zou hij dit onmogelijk geacht, zeer vervelend genoemd hebben. Hij had wel wat anders en beters te doen, meende hij. Doch de Heere God heeft alle wegen en middelen in zijn hand. Als wij niet aan Hem denken, denkt Hij toch aan ons, en als wij Hem liefst vergeten weet Hij ons te herinneren, dat Hij er is, dat we Hem noodig hebben. Dan roept Hij ons toe ïDien God in wiens hand uw adem is, en bij wien al uw paden zijn, hebt gij niet verheerlijkt." En al staat het dan niet als in Koning , ^elsazars paleis met vingeren van eens menschen hand aan den wand geschreven, toch maakt de Heere het ons duidelijk. Gelukkig, zoo we dan op zija roepstem letten. Maar als wij 't doen is dit ook weer niet onze deugd, maar louter Gods genade, s Werkt", zegt de Schrift, uw zelfs zaligheid met vreezen en beven; want het is God die in u werkt, beide het willen en het werken naar Zijn welbehagen".

Toen Walter in den namiddag weder naar 't bosch ging, bevond hij dat de aarde was opgedroogd, maar tevens de slakken waren verdwenen. Dit speet hem wel, maar tot zijn geluk bemerkte hij een groote hagedis, die zich misschien in 't middagzonnetje zat te koesteren. Snel raapte hij een grooten steen op, sloop naderbij, en wierp met alle kracht den steen op het dier.

Hij had goed geraakt. Toen hij het beest te voorschijn haalde, was het geheel bewegingloos. Een paar slagen op den kop, met een dikken stok, beroofden het van het leven, en daarop droeg Walter zijn buit huiswaarts, en begon daar aan de ontleding, wcl te verstaan een gansch andere dan indertijd op school.

De hagedis — een zoogenaamde leguaan — was van de grootste soort, en daarbij een, di6 blijkbaar in zijn leven vooral veel gegeten had en daardoor dik en vet was geworden. Er zat vleesch genoeg aan voor minstens twee dagen, en met behulp van zijn staal en vuursteen gelukte het hem het vleesch van het oneetbare zoo te scheiden, dat hij al dadelijk een goed maal kon doen, waaraan wel veel — vooral zout — ontbrak, maar dat toch beter smaakte dan de slakken. Zou hij vroeger zülken kost niet hebben aangeroerd, thans dankte hij er den Heere voor, en met meer gevoel van eigen onwaardigheid, dan hij 't zeker ooit nog had gedaan, 't Was nu te donker geworden om den berg te beklimmen, en de slaap overviel hem daarbij eer hij er op verdacht was.

Vroeg in den volgenden morgen beklom hij weder de hoogte, en bleef er zoo lang mogelijk, al uitziende over de wijde zee. Maar er was geen schip te bespeuren. Walter herinnerde zich ook, hoe hij meermalen van de zeelieden had gehoord, dat slechts zeer zelden een vaartuig hier aanleï, en bij die gedachte werd het hem droevig te moede. Hij klom af en ging naar 't strand, waar hij zich nederzette.

Het was nu stU weer, en al turende in het water zag hij een visch voorbijschieten. Hij trad nader, en bespeurde nu hoe een menigte visschen, kleine en groote, van allerlei kleur en vorm, in het water dartelden. Soms sprongen ze er zelfs even boven uit. Het water was zoo helder, dat hij bijna tot op den bodem der zee, die hier zeer ondiep was, zien kon. Met genoegen zag hij het levendig schouwspel aan, al werd er dan ook weinig bij gepraat. Als ik zoo'n visck eens vangen kon, dacht hij. Dat zou een lekkere maaltijd voor mij wezen, en ik behoefde dan niet zoo te loopen zoeken ? Maar hoe aan een haak of een net te komen? Hij voelde in zija zakken om te zien of hij ook iets bezat, dat dienen kon. Maar dat was, gelijk we reeds zagen, niet veel. Met een vuursteen viel tegen visschen weinig uit te richten; met de enkele stukjes koper-en zilvergeld die hij had, evenmin. Voor 't overige vond hij niets dan een paar kleine ijzeren schroeven en een stuk papier.

Daarmee viel natuurlijk niet veel te vangen, maar, zoo dacht onze man, dan moet ik 't maar anders beproeven. Meteen bukte hij zich, stak de hand uit, en zoodra er een vischje voorbijging, greep hij toe. Maar jawel — 't was mis. Weer eens geprobeerd, en nu ging 't in zoover beter, dat hij althans den staart te pakken kreeg. Evenwel, die ging met het voorafgaande lichaam er ook even snel weer van door. Want een visch is vooral in 't water wel wat glad om hem stevig vast te houden. In't kort, na zes of ze venmaal vergeefs de jacht beproefd te hebben, moest Walter 't opgeven. Toch kon hij niet besluiten heel de visscherij uit het hoofd te zetten. »Ik moet er wat op uitvinden, " sprak hij, en die gedachte hield hem bezig heel den dag, zoodat hij op weinig anders lette, te meer daar hij nog voorraad had, en dus niet naar het bosch behoefde te gaan.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 mei 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 mei 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken