Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Uit de Pers.

11 minuten leestijd

In een zeer subjectief, maar daardoor te interessanter schrijven, pakt Ds. Gispen zijn lezers door uit te pakken over eigen gewaarwordingen. Eerst was hij afbijterig tegenover het nieuwopKomend Calvinisme gestemd.

Gelijk zoovelen was ook mij, van kindsaf, ingeschcrp.t, dat «de vjfijsheid dezer wereld" dwaasheid is bij Gö'd; aatdc > naïüurl? (këmènscli"nietbëgr5pt de dingen, die des Geestes Gods zijn, en dat we ons verstand «gevangen moeten leggen".

Toen ik echter met de geschiedenis een weinig bekend werd, de geschiedenis der Christelijke leerstukken naging, eenig begrip kreeg van een Theologische Encyclopaedic, kennis maakte met de geschiedenis der wijsbegeerte, en iets meende te vatten van de verschillende stelsels der groote denkers uit den ouden en nieuwen tijd en, in verband daarmede, van de richtingen in de theologie, vooral die van de middeleeuwen en van onzen tijd, toen begreep ik, dat die Schrittwoorden toch een andere beteekenis hadden en een andere strekking, dan waarin zij, in de kringen der ongeleerden, meestal opgevat worden. Maar het ging mij onder alles naar het woord: die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart.

Want ik kon niet anders zien of, wat men nu het Calvinisme noemt, de geheele wereldbeschouwing der Gereformeerden, vond in de gansche Christenheid geen enkel wetenschappelijk verdediger meer. Het bestond nog wel, maar — als sekte, als wereldbeschouwing, die uitsluitend in de kringen der ongeleerden en der geringe lieden een kwijnend bestaan voortsleepte. De stroom van het eigenlijke, wetenschappelijke leven ging buiten ons om, raakte althans ter nauwemood onze voeten. En roeping scheen het mij toe, om buiten de legerplaats de smaadheid van Christus te dragen, gesterkt door het woord: heeft ook iemand van de oversten in Hem geloofd, ot van de Farizeën ?

Uit dezen gemoedstoestand verklaar ik voor mij zelven ook het wantrouwen, waarmede ik de geruchtmakende beweging in de Ned. Herv. kerk aanschouwde, die als echte. Gereformeerde zich aanmeldde. Ik hoorde van Evangelisten, die de stof hunner prediking geheel uit het Hooglied haalden en uit de Profetische boeken, en de menschen waarschuwden tegen de Remonstrantsche leeringen onder de Afgescheidenen in omloop, en tegen de gevaarlijke prediking in onze kerken, tegen de zonde der Afscheiding, en daarbij wezen op de noodzakelijkheid van het weenen op Sions vervallen muren en over de verbrekinge Jozefs. En ik dacht zoo, de menschen strijden voor een verloren zaak. Ze zijn een paar eeuwen te laat op de wereld gekomen, en schijnen te meenen, dat een kind der negentiende eeuw, aan bloedarmoede lijdende, genezen zal worden, als hij den pels van zijn overgrootvader aantrekt.

Maar Dr. Kuyper dan ?

Ja, Dr. Kuyper!

Wat heb ik mij wel moe gepeinsd op de vraag: Wie is toch Dr. Kuyper, wat wil hij, wat zal hij ? Er was zooveel in zijn schriften, dat mij aantrok, dat mij niet alleen schoon, maar onwederlegbaar waar toescheen; en ook weder veel, dat mij veeleer afstootte, dat mij voorkwam te zijn een zich schikken, zelfs in taal en stijl, naar het volk, dat zoo gaarne tot de kinderkens gerekend wordt, maar toch wijzer zich acht dan al zijne leeraren. Het ging mij dikwerf, zooals de moderne dichter een leek laat zeggen: «als ik mijn oogen sluit, dan wil ik 't wel gelooven; maar als ik ze opendoe, dan komt de twijfel weder boven." Zelfs bij de oprichting der Vrije Universiteit op Gereformeerden grondslag, ofschoon ik de idee toejuichte en den moed, die er zich in uitsprak bewonderde, kon ik de gedachte niet kwijt raken: wie bij Calvijn blijft staan, maakt Rousseau onvermijdelijk.

En dan — die Doleantie!

Wat was zij anders dan een nadoen en nabootsen van wat de Contra-remonstranten, in de 17e eeuw, ondernamen, maar met dit verschil, dat men toen doleerde tegen de overheids-macht, en nu tegen de kerkbesturen, waaronder men geboren was en leefde, en v/at zou zij anders uitwerken dan dat het aantal Protestantsche kerkgenootschappen in Nederland met één vv'erd vermeerderd ?

Ik begreep in die dagen nog niet, dat Dr. Kuyper niet bij Calvijn bleef staan, maar van-Calvijn ? «/ging. Uitging van de eeuwige, onveranderlijke en onvergankelijke beginselen, die de groote Hervormer ia de i6e eeuw, uit Gods Woord, aan het licht bracht, en dat Dr, Knyper niet was copieerder van Calvijn, maar regenerator van het Calvinisme, van geheel de Gereformeerde levensbeschouwing, waarvan de reformatie der kerk slechts een deel, zij het ook een belangrijk deel, uitmaakt. Dat die v/edergeboorte van het Calvinisme het geheele leven omvat, allereerst het wetenschappelijk leven van den modernen tijd raakt, en dat juist op dit gebied de strijd moet gestreden, om verder die eeuwige beginselen, in Gods Woord nedergelegd en geopenbaard, in hare toepasselijkheid voor de eischen, de nooden en behoeften van den modernen tijd, aan te toonen en te handhaven, tegenover den algemeenen tijdgeest en de veelvuldige tegenspraak. En ook begreep ik toen nog niet, dat er een terrein was, waarop Scheiding en Doleantie elkander konden ontmoeten en tot eenheid komen in de hoogere en toch zoo eenvoudige ged.achte, die niet gezocht behoefde te v.-orden, maar reeds voor eeuwen gegeven was in de Belijdenis en Kerkenordening der Nederlandsche Gereformeerde kerken. En evenmin begreep ik de noodzakelijkheid der wedergeboorte van onze Theologische School en van geheel de opleiding tot het predikambt, in verband met alles wat onze tijd vordert, en hoe ook dit in verband stond met de groote, alles beheerschende gedachte, dat God, ook op het gebied der wetenschap, tot zijn eere kome, en dat ook daar gelden de brdinantiën Gods en geen menschelijke inzichten.

Of ik dat alles dan nu begrijp? Een weinig, zou ik zeggen.

Een weinig geloot ik nu te begrijpen, waarom God de Heere, uit ons midden, een man als Dr. Bavinck verwekt heeft; en waarom Hij een reeks van jeugdige ambtgenooten vol geestdrift voor het leven, zooals het thans is, heeft geroepen en aangegord en toegerust, om te strijden voor het geloof, eenmaal den heiligen overgeleverd.

Zie, mijn vriend, als ik het naderend einde van mijn ambtelijk leven vergelijk met het begin, dan grijpt menigmaal verbazing mij aan, over wat ilc heb zien worden en vergaan. Slaar bovenal is dan in mijn hart een behoefte om te aanbidden, met schaamte over kleingeloof en twijfelmoedigheid. Dan zegt ook in mij een stem: onze God is wonderlijk van raad en machtig van daad; Plij doet gi'oote dingen die men niet doorgronden, wonderen, die men niet tellen kan !

Ik had u iets willen schrijven over de belangrijke studie van Mr. Anenia, en in plaats van dat ben ik aan de praat geraakt over mijzelven. Nu dat eenmaal zoo is, blijve het zoo. De kopie moet naar de drukkerij, en de volgende week zult ge, naar ik hoop, eenig verband kunnen vinden tusschen wat ik nu schreef en dan wensch te zeggen.

Het Calvinisme heeft niet alleen een toekomst, maar onder de Nederlandsche orthodoxen de toe­ komst.

Al het overige brokkelt af en versmelt. Te tobben heeft men, en tobben zal het ten einde toe blijven, omdat het Calvinisme den meesten te machtig is, maar juist omdat het zoo machtig is, verovert het de geesten en laat ze niet weer los.

Over het miaandblad - ^Het Diakonaat" schrijft Prof. Lindeboom in A^Baztiin dit goede woord, waaraan we ter bevordering van de zaak gaarne ook in ons blad een plaats verkenen.

Het Diakonaat is de titel van een «Maandblad, ge^vijd aan den arbeid der Dienende Liefde", dat wordt uitgegeven »vanwege de Christelijke Vereeniging voor de verpleging van lijders aan vallende ziekten, te Haarlem"; onder redactie van den oudzendeling, den heer J. L. Zegers, Directeur der Inrichtingen van die Vereeniging, te Heemstede; bij den uitgever F. W. Egeling te Amsterdam. De prijs van dit Maandblad is niet hoog, f i-oo per jaar. De eerste bladzijde van elk No. bevat de voorwaarden ter opneming van kranken in de inrichtingen der Vereeniging en in onderscheidene andere Diakonessenhuizen. Deze Vereeniging is haar i6d< : jaar irig'etréd'en, en haar Maandblad het II de. Allen, die in dezen arbeid belangstellen, inzonderheid hun, die zelf daarin arbeiden, bevelen wij de lezing ook van dit Maandblad aan. »Zonder hoop gaan wij het nieuwe jaar niet in" — schrijft de geachte directeur en redacteur. »Wij hebben goede, milddadige vrienden en een rijken God, die alle harten in Zjjne hand heeft, de nooden kent, de gebeden verhoort.

Men blijve met belangstelling onze mededeelingen, onze artikelen in het Diakonaat volgen!

Onder al de bladen en blaadjes ook in het laatste jaar met eenige vermeerderd, behoudt ons orgaan toch steeds een eigenaardige plaats. Waaraan de Christelijke pers ook aandacht wijde, en welke belangen zij ook krachtig en aanhoudend bepleit, voor den diakenen-en diakonessen-arbeid, schijnt zij in den regel niet veel plaats over te hebben. Zooveel mogelijk willen wij voor verscheidenheid zorgen. Maar ieder kan licht beseffen, dat dit voor een orgaan als het onze, vooral bij zeer weinig medewerking, niet gemakkelijk is.

Gaarne nemen wij zooveel mogelijk op wat den arbeid van andere Vereenigingen geldt, om zoo »den arbeid der dienende liefde in het algemeen" te bevorderen. Van den arbeid in gestichten, gezinnen, wijken, gemeenten, brengen en houden wij onze lezers gaarne op de hoogte. «Wij leven met elkander en dienen d'een den ander".

Ik geloof, dat velen ons streven op prijs stellen. Moge de gang van ons blad dit jaar voorspoedig zijn!

Wij hebben ons blad lief, en velen deelen in die Uefde.

Toone men die liefde door zijn uitbreiding inde hand te werken en nieuwe inteekenaren te werven! De prijs is zoo billijk. Tegen ƒ 1.15 per jaar ontvangt men het franco per post of door zijn bc.ekhandelaar.

Wij weten dat wij ons werk, al ons werk, ook dit werk, met veel zwakheid verrichten, en hadden wij in onze onmiddellijke nabijheid niet eenkrachtigen steun, wij nogal eens tegen onze taak zouden opzien. Maar wij dienen er een goede zaak door, en de Heere zal helpen en zegenen, gelijk Hij trouw gedaan heeft.

Allen, die het met onze Vereeniging en haar streven, met den arbeid der dienende liefde, met de belangen van het Godsrijk in dezen emstigen tijd ernstig meenen, roep ik ernstig toe: Laat in uw hart en huis nooit ontbreken een vurig gebed tot God voor den hoogstbelangrijken arbeid der Christelijke barmhartigheid! Onze broeders en zusters, diakonen en diakonessen, die hen besturen, en die hen opleiden, zij zullen van dat gebed de hun zoo noodige geestelijke kracht ondervinden; en de berichten, die wij u maandelijks zullen kunnen geven, zullen bewijzen, tot versterking van het eigen geloof, dat onze God leeft en wij Hem niet zonder reden als > Hoorder der gebeên" belijden.

Die God, wiens liefde in Christus wij ondervonden, Dien wij door onze daden wenschen te prediken in de wereld, zij u en ons voortdurend met Zijne genade in alles nabij, en zegene velen, zeer velen door uwen en onzen, onzengemeenschappelijkenarbeid!" Vele waren de aanvragen voor particuliere verpleging, d. i. van familiën, die een verpleger of verpleegster bij zich verlangden.

»Wij deden wat wij konden door de uitzending onzer Broeders en Zusters, maar op menig verzoek moest ontkennend geantwoord worden.

Dat laatste is verbazend jammer, want de behoefte aan geoefende hulp is dikwijls zoo groot, en het blijkt nu toch gedurig, dat men van de hulp van Roomsche zijde niet altijd gaarne gediend is.

In dat gebrek is alleen te voorzien door vermeerdering van het aantal diakonessen in alle Huizen, ook bij ons, en door uitbreiding van het getal diakonen.

Bovendien wordt algemeen ingezien, dat eene degelijke opleiding en vorming der Broeders en Zusters onmisbaar, en daarvoor niet alleen tijd en geduld, maar ook een grooter aantal personen noodzakelijk is.

De zaak des Heeren wordt toch zeker het best door bekwame hulp bevorderd."

We zijn het daarmede volkomen eens. Die overtuiging heeft ook tot de organisatie eener eigen sOpleiding" in de Gereformeerde Gestichten voor krankzinnigen geleid. Wat nu reeds een enkele maal geschiedt, n. 1. dat »Veldwijk" een broeder of zuster afstaat voor verpleging van een patient in den schoot zijner familie, zal eerlang meermalen kunnen geschieden, zoodra het getal gediplomeerden grooter wordt. Voor deze en al dergelijke Vereenigingen is het van het grootste belang geschikte personen te verkrijgen, die aanleg hebben en lust en tact, en bovenal een hart, dat uit de liefde van Christus kan medelijden met de lijdenden.

Zonder die gaven en zonder die liefde zal ook de beste opleiding niet de gewenschte vruchten dragen, niet in de roepende behoeften voorzien. Al wie dezen arbeid wil bevorderen, geve niet slechts een jaarlijksche bijdrage, maar werke ook mede, om zulke personen te ontdekken en hen tot den arbeid op te wekken en te steunen.

Het trekt ons steeds zoo aan, als we den geachten schrijver over den Dienst der Barmhartigheid mogen hooren.

Blijkbaar is hij daarvoor de made vian. Voorwaar in Christus' kerk, vooral in onze dagen, geen geringe onderscheiding.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 mei 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 9 mei 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken