Digibron cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Digibron te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Digibron.

Bekijk het origineel

„Een Ceuwig Derband.”

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie
Print this document

„Een Ceuwig Derband.”

8 minuten leestijd

En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat Ik van achter hen niet zal afkeeren, opdat Ik hun wel doe; en Ik zal mijne vreeze in hun hart geven, dat zij niet van Mij afwijken. Jeremia 32 : 40.

Divorions" is de wildzang der brooddronken liefde. Laat ons jechtscheiden."

AVel shuwelijk", maar het huwelijk moet »los" zijn.

Een contract., maar een contract, dat uitsluitend afhangt van den wil van man en vrouw, onderwijl die wil telkens wisselt.

Heden ivil men huwen, en men huwt. Een jaar later vindt men beter niet meer gehuwd te zijn, en men ontbindt het huwelijk.

Tot die algeheele losheid van band wil men dan wel niet opeens overgaan. Integendeel. Aanvankelijk neemt men er genoegen mede, dat de losmaking van den band, de ontbinding van het contract slechts uit oorzake van bepaalde, in de wet aan te wijzen beweegredenen zal mogen plaats hebben. Maar dit is slechts het begin, en bij den eindpaal op den weg dien men inslaat, hoopt men een toestand te vinden, die scheiding om alle oorzaak, op elk oogenblik, zonder hooger beslissing, alleen door het eenparig goedvinden van de echtgenooten, mogelijk maakt.

Terugkeer alzoo naar den toestand, die onder het Romeinsche keizerrijk, toen het allengs begon weg te zinken, feitelijk bestaan heeit.

De ééne week met deze, de andere week met die vrouw gehuwd. Altoos wettig. Steeds in behoorlijken echt. Maar in een echt, die zich naar niets dan gril en inval regelt. En feitelijk alzoo door de wet gedekte ontucht met den eerenaam van huwelijk gesierd.

Vandaar dat de Christelijke kerk steeds zoo met hand en tand aan het ongeoorloofde van de echtscheiding vasthield.

Echtscheiding nooit dan onder de strengste wettelijke bepalingen, nooit dan na duchtig bewijs; en geestelijk alleen geoorloofd, waar echtbreuk in den wortel zelf het huwlijk had doen splijten.

Zoo oordeelde de kerk, niet alsof ze blind was voor het naamloos lijden, dat vaak in ongeschikte huwelijken geleden wordt, geleden wordt vooral door de mishandelde, getergde en in haar recht en haar gevoel miskende vrouw.

Maar ze begreep en doorzag, dat ook deswege niet mocht worden toegegeven; dat het huwelijk geen menschelijk maaksel, maar Gods schepping was; dat niet de mensch, maar alleen God er over te zeggen had; en dat losmaking van het huwelijk, om een eind aan zooveler lijden te maken, het aangaan van ondoordachte huwelijken slechts in de hand zou werken.

Ze had hier geen eigen oordeel.

Ze had te volgen de ordinance Gods.

Nu ligt, naar luid der Heilige Schrift, in het huwelijk onder menschen een sj'mbolische afschaduwing van het Huwelijk van Christus met zijn Kerlc.

In Cats' dagen werd dit nog gevoeld. Het is zoo, men was toen minder preutsch op het stuk van huwelijksliefde. Men waagde het, ook in Christelijke kringen, er meer openlijk over te spreken. Maar, Cats vooraan, deed men dit n steeds, als onder de schaduw van het heilige. Ook Cats' huwelijkszangen culmineeren in het heilig huwelijk van Christus met zijn kerk.

Onze schepping was naar Gods beeld. En hieruit volgt, dat niet alleen ons persoonlijk bestaan, maar ook ons gemeenschappetijk saamleven een hooger trek vertoont. Gelijk men eertijds het waagde, ons beeld van een ïhuishouding" over te brengen op > de Goddelijke huishouding van Vader, Zoon en Heiligen Geest in het Drieëenig Wezen', zoo ook gevoelde men dat omgekeerd in de levensbetrekking tusschen man en vrouw_ een trek doorstraalde, die aan hooger en heiliger verbond en band herinnerde, en dat die trek er door God ingelegd was.

Het was niet zoo, alsof het huwelijk er buiten God om was gekomen, en alsof nu e^n apostel, op dat huwelijk merkende, zich veroorloofd had, zekere vergelijking te maken tusschen dit huwelijk onder menschen, en de verbondsbetrekking tusschen den mensch en zijn God.

Neen, God zelf had het huwelijk als symbool van die hooge betrekking in het leven geroepen. Hij had den man zus en de vrouw opzettelijk anders., op den man passende, hem ter hulpe gecreëerd, en alzoo in de creatie van man en vrouw zelve, het wezen des huwelijks ingeschapen.

Zoo is het huwelijk niet iets dat bij ons leven bij., maar dat uit ons menschelijk leven voortkomt; en het komt er uit voort, omdat God zelf het er in schiep, en in die schepping zelve, zijn ordinantie over het huwelijk onveranderlijk en onverbreekbaar vastlegde.

Juist daarom is duurzaamheid van het huwelijk het onafscheidelijk kenmerk.

Ook in andere betrekkingen is duurzaamheid gewenscht, staat duurzaamheid verre boven losheid, en zulk een betrekking klimt ook voor ons besef in waardij en beteekenis, naar mate ze langer geduurd heeft en uitzicht geeft op nog langer toekomst; alleen maar duurzaamheid is in die andere betrekkingen niet noodzakelijk Een oude trouwe dienstbode, die jarenlang in dezelfde familie diende, staat hooger dan een andere die in drie jaar zes diensten had; maar toch van dienstbode ^a? ? men verwisselen, en een dienstbode kan wisselen van huis.

Een knecht op ambacht die tien jaren en meer bij één baas bleef, staat hooger dan een losse werker, die van winkel naar winkel verhuist; maar toch het arbeidscontract kan worden verbroken.

Klandisie neemt een intiemer karakter aan, als men jaren achtereen met eenzelidcn neringdoende in contact bleef, m^ar toch men kati zijn klandisie verleggen.

Ja, zelfs, de vriendschap, na het huwelijk de heiligste band, dien mensch met mensch aanknoopt, klimt wel in beteekenis en waardij naarmate ze langer duurt, en neemt wel bijna een gewijd karakter aan, als ze het vierde eener eeuw, of langer mag aanhouden; maar toch ook tusschen vrienden kan een geschil komen, dat ten slotte tot afbreking van den band der vriendschap noopt.

Dat ligt daaraan, dat alle deze banden tusschen mensch en mensch, niet in zijn wesen., maar alleen in wederdjdsche betrekking gefun deerd zijn, en daarom, bij verandering m die betrekking zelve wisselen.

Maar tegenover alle deze staat lijnrecht het huwelijk in zijn plechtige, iadriücwekkende to^eSteir over.

Het huwelijk is niet als één van die.

Want wel heeft het een gemengd karakter, in zoover het óók de wil van den man en ook de wilskeuze van de vrouw is, die tot sluiting van het huwelijk medewerkt; maar toch die wilskeuze is niet al het huwelijk.

Twee vrouwen kunnen niet huwen, en twee mannen kunnen niet huwen. Huwen kan alleen man en vrouw. En juist hierin ligt uitgesproken, dat het huwelijk niet uit 's menschen persoonlijken wil vloeit, maar een inzetting is naar Gods bestel, die met ons menschelijk wezen als zoodanig saamhangt, en daarin door God gelegd en er door God voor bestemd is.

De ongeoorloofdheid van echtscheiding hangt uit dien hoofde rechtstreeks samen met de ^eeuwigheid van Gods Verbond", en met de onberomuelijkheid zijner verkiezing."

Het huwelijk is in ons menschelijk leven de van God bestelde afschaduwing van zijn Verbond.

Gelijk dat Verbond eeuwig is, is daarom ook dat huwelijk onverbrekelijk^ en alleen door schrikkelijke zonde vernietigbaar.

Schaduw en beeld vertoonen krachtens hun saamhang op dit punt geheel gelijken karaktertrek.

In het Verbond openbaart zich, hetzij in den Verbondswrw, hetzij mystiek in het huwelijk van Christus met zijn kerk, of typisch in den band tusschen Jehova en Israël, de vastheid en onveranderlijkheid van den Goddelijken wil in haar tegenstelling met de wispelturigheid van den wil des zondaars.

Ook ia den mensch ^fbehoort de wil niet draaiend als de weerhaan^ maar vast en onverwrikbaar als de pilaar te zijn, en in de eeuwige heerlijkheid zal dat bij een ieder van Gods heiligen akoo wezen.

Dan zal ook 's menschen wil slechts één drijfkracht, één richting, één doel kennen, en daarom nooit of nimmer in zijn stand wankelen kunnen. Maar onder zondaren is dit anders.

Ons ontbreekt van nature de saambinding van karakter, de duurzaamheid onzer persoonlijkheid, de organische eenheid en het evenwicht der deelen in ons wezen.

Ons leven, voorzooveel het uit onze eigen natuur opkomt, is uiteengerafeld, ligt uiteengeworpen, en mist vastheid en verband beide. Daarom kan van onze zijde zelfs ons verbond met God nooit vaststaan.

Naar onzen aard is het, nu eens wel en dan weer niet, voor dit deel van onze existentie alleszins, en voor een ander deel geenszins met God te rekenen, tegen de ééne zonde te staan en»de andere in te willigen. Kortom gebroken en gedeeld, ongedurig en wispelturig zijn we, wat ons zelven aangaat, tot zelfs in het verkeer, in den omgang en in de gemeenschap met onzen God.

Maar juist'''daartegen dringt nu de Heere met zijn Woord op ons aan, door ons voor het zialsoog helder de eeuwigheid van zijn verbond, de vastheid van zijn belofte, de onveranderlijkheid van zijn besluit, en de onberouwelijkheid van zijn verkiezing te doen schitteren.

Dit toch dwingt ons, in weerwil van onszelven, om dit vaste en eeuwige., dit duurzam en standhoudende, hoog van adel en rijk aan innerlijke weelde te schatten boven onze wispelturigheid.

Daardoor begint dan ons eigen ik er iets van te beseffen, dat ook wij, om zelf in waarde te klimmen, aan eigen onvastheid en slingering moeten ontkomen, en in imxxi'xa\t bestendighei cere hebben te zoeken.

Aldus straalt de irfOTtójj-^/ï/van Gods Verbond ons toe, om ons karakter te stalen, om het evenwicht in ons persoonlijk leven te herstellen, om naar vastheid^te staan van wilsuiting en levensweg. En is het dan al, dat bittere teleurstelling ons telkens weer verraadt, hoever we van het grijpen van dit hooger ideaal nog af zijn, ook te midden van dien weedom des harten over eigen onvastheid van wil én levensrichting, komt dan diezelfde eeuwigheid van Gods .^ Verbond ons troosten.

Al wisselen wij en wankelen, zijn trouwe wankelt nimmer, en niet in onze wilskeuze, maar aan de vastheid van Gods eeuwige VerbondssMting ligt de ztktrhtiiyan'^onsj heil.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 mei 1897

De Heraut | 4 Pagina's

„Een Ceuwig Derband.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 mei 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken