Bekijk het origineel

De Martelaren van Schotland.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

De Martelaren van Schotland.

6 minuten leestijd

CCXXXVIII.

GEORGE WISHART.

In 1542 was koning Jacobus V gestorven, kort nadat hij eene groote nederlaag tegen de Engelschen had geleden. Zeven dagen voor zijnen dood was hem nog eene dochter, de bekende Maria Stuart, geboren. Deze moest dus haren vader opvolgen, doch onder een regentschap. Door den invloed van Engeland werd dit echter niet opgedragen aan hare Roomsche moeder Maria van Guise, maar aan den graaf van Arran, James Hamilton, terwijl de veel vermogende kardinaal Beaton gevangen gehouden en het lezen van Schotsche bijbels toegestaan werd. Maar de Schotten droegen niet lang het Engelsche juk. De graaf van Arran verliet de Engelsche zijde en voegde zich bij de Roomsche partij; Beaton werd bevrijd; de oorlog met Engeland begon weer en de kettervervolgingen namen weer een aanvang. Een der eerste martelaren van dezen tijd was George Wishart, wiene naam in het Grieksch overgezet is in Spocardius (Sophos kardia =: wijs hart). Hij is de eerste geweest, die niet alleen te Wittenberg gestudeerd, maar ook «: Gereformeerde kerken van Zwitserland bezocht heeft. Hij vertaalde voor zijne landgenooten de eerste Zwitsersche geloofsbelijdenis en was in de leer der Sacramenten gereformeerd.

Wishart' was ia 1544 üit Engeland naat zijn Vaderland teruggekeerd. Hij arbeidde als welsprekend prediker vooral in het westen en in Dundee. Aan zijne zijde trad John Knox op.

Door list viel hij in de handen van Beaton, den kardinaal. Drie weken te voren was door eene vergadering van priesters en andere geestelijken, onder leiding van Beaton, besloten, dat alles moest aangewend worden om Wishart te vangen. Deze was toen in de woning van John Cockburn van Ormiston, daar hij de onderwijzer van diens kinderen was.

Daarheen togen eenige ruiters, om Wishart gevangen te nemen. Maar Cockburn, die hem wilde redden, trad de vervolgers te gemoet en hield hen een tijd lang op, totdat de nacht zou aanbreken en George kunnen vluchten. Toen de kardinaal door zijne spionnen van Cockburn's plan hoorde, ging hij zelf naar Ormiston en liet al de wegen afzetten. Toch kon hij Wishart niet in handen krijgen. Daarom riep hij de hulp in van den graaf van Bothwell, die daar in de buurt woonde. Deze, die zeer gezien was, kreeg gedaan, dat men hem den martelaar overleverde, onder eede, dat hem geen kwaad zou geschieden. Toen de priesters hunnen vijand zagen waren zij blijde. Eenige weken werd hij gevangen gehouden te St. Andrew, waarna zij over hem vergaderden en als ketter veroordeelden, zonder hem zelfs te hooren.

De kardinaal schreef daarop aan den regent en verzocht hem om een rechter, die George Wishart zou kunnen veroordeelen.

Niemand dorst het voor den sketter" op te nemen, behalve David Hamilton, een bloedverwant van den onderkoning, die dezen met beden en vcrtoogen bestormde, dat hij toch geen onrecht zou plegen aan eenen man, die geen ander kwaad gedaan had, dan dat hij het Evangelie van Jerus Christus had gepi'edikt. ïDénk, o vorst, aan de Wel­ daden, die God u geschonken heeft; onze vorige koning heeft dit niet gedaan en wandelde in zondige wegen. Daarom is hij onverwacht van de aarde weggenomen. Zij, die hem hebben ten gronde gericht, willen dat ook u doen. Herinner u ook koning Saul, die eens zou gelukkig was. Hij verliet zijnen God en God verliet hem".

De regent was door deze woorden diep getroffen en schreef den kardinaal, dat hij met het proces geen haast zou maken.

Dit antwoord beviel den kardinaal in geenen deele. Hij wilde niet wachten, daar hij wist, hoe geliefd Wishart bij het volk was. Hij beval dus den martelaar uit de gevangenis te halen en liet in diens tegenwoordigheid John Winryme, onderprior van St. Andrew, die de waarheid in zijn hart toegedaan was, eene rede houden. Als tekst koos"' Winryme Matth. 13, de gelijkenis van den zaadzaaier, waaruit hij bewees, dat de ketterij tegen de Heilige Schrift inging. Men moest haar dus toetsen aan de Heilige Schriften van Apostelen en Profeten.

Onze Wishart had deze rede met genoegen gehoord; hij was het geheel met haar eens. Zij bevatte trouwens ook eene veroordeeling der Roomsche kerk. Daarom verzocht hij des anderen daags aan de Franciscaner-monniken, die hem zijn doodvonnis kwamen aanzeggen, of hij Winryme nog zou mogen spreken. Deze kwam met toestemming der bisschoppen en sprak lang met Wishart. Bij het scheiden vroeg hij, of hij het Avondmaal zou willen houden. »Zeer gaarne", was het antwoord des martelaars, imits ik het mag houden onder de beide gedaanten van brood en wijn." Dezen wensch bepleitte Winryme toen bij de bisschoppen en den kardinaal. Doch te vergeefs. Het antwoord der geestelijken was, dat een ketter geen voorrechten behoefde te hebben.

Omstreeks 9 uur kwam de toncica-ge hem uitnöodig'en, met hem, zijne huisgenooten en dienstbaren te ontbijten. Hij nam dit gaarne aan. Hij naderde de tafel, nam toen het brood en begon te spreken van het lijden en sterven van Christus. Daarna deelde hij het brood uit en ook den wijn en hield zoo Avondmaal met de aanwezigen. Vervolgens verwijderde hij zich en bracht zijnen tijd door in gebed.

Kort daarna verschenen twee beulen, door den kardinaal gezonden, in de kamer; de een bekleedde Wishart met een lang kleed en de ander omhing zijn lichaam met zakjes kruid. Toen ging het naar het schavot, waar de brandstapel voor hem was opgericht.

De kardinaal en zijn gevolg waren getuigen van zijnen marteldood. Zij zagen hem aan den paal binden, den brandstapel aansteken en de kruitzakjes ontbranden. Ook vernamen zij zijn laatste woord, als antwoord op de vermaningen van den concierge, die hem genaderd was, om te volharden, sik bid u, broeders en zusters", zoo sprak hij, «dat gij uwe geestelijken vermaant om toch het Woord Gods te bestudeeren, opdat zij zich leeren schamen voor het kwade en verlangen naar het goede. En indien zij zich niet bekeeren van hunne slechte wegen, zullen zij spoedig vallen onder de slagen van den toorn Gods en niet ontkomen." Nauwelijks had hij dit gezegd, of een der beulen trok het koord dicht om zijnen hals, zoodat hij stierf.

Zijne daareven aangehaalde laatste woorden werden binnen korten tijd aan den kardinaal vervuld. Deze werd namelijk eenigen tijd daarna vermoord door den graaf van Rothes, dien hij beleedigd had.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 mei 1897

De Heraut | 4 Pagina's

De Martelaren van Schotland.

Bekijk de hele uitgave van zondag 16 mei 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken