Bekijk het origineel

Verkiezing in het kerkelijke.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Verkiezing in het kerkelijke.

9 minuten leestijd

I X. [Slot).

Nu onze overtuiging in zake de kerkelijke verkiezing voorshands genoegzaam is toegelicht, dient er ten slotte nog op gewezen, welk geestelijk motief hier dringt.

Want wel geven we toe, dat het ook op zich zelf gewenscht is aan het verlangen van vele broederen ten deze te gemoet te komen; en dat het vooral in onzen tijd, nu meer algemeen de volksinvloed zich uitbreidt, zonderling komt te staan, indien juist Calvinistische kerken de coöptatie handhaven; maar toch op zich zelf zou noch het een noch het ander den doorslag kunnen geven. Neen, er staat een hooger belang op het spel; en dat wordt het beste ingezien, als men zich de vraag stelt, waar men, niet in den hemel, maar op aarde, zijn uitgangspunt vindt voor de regeering der kerken. Met opzet zeggen we: !> 7«W in den hemel, maar op aarde, " omdat juist deze onderscheiding zoo vaak uit het oog wordt verloren, en toch het niet letten op dit onderscheid den blik op heel de kerkinrichting noodzakelijk verwart.

Daarover dat de souvereiniteit, d. i. de hoogste regeermacht in de kerk, door God Drieëenig op den Christus is gelegd, zijn alle Christelijke kerken het eens.

Allerlei richtingen in die kerken, die allengs het geloof verzaakten, mogen dit óf tegenspreken, óf feitelijk ongedaan pogen te maken, maar de kerken, als kerken, hebben in haar belijdenis, zich nooit anders over deze zaak uitgelaten.

Dat Christus het tcaput ecclesiae", d, i, het »Hoofd der kerk" is, .staat zoo stellig en beslist in de Heilige Schrift, dat nooit eenige kerk er aan gedacht heeft, dit te betwisten.

Dit belijdt de Grieksche, de Armenische, de Roomsche, de Koptische, de Luthersche, de Gereformeerde kerk.

Hierover zijn alle zonder uitzondering het eens.

Zelfs de Remonstranten, Socianen en Dooperschen hebben het als zoodanig nimmer ontkend.

Maar, gelijk vanzelf spreekt, men is met deze erkenning nog geen stap gevorderd, tenzij men zich tevens uitspreke over de vraag, die terstond uit deze erkentenis volgt: Hoc, op wat wijze, door wat instrument, oefent Christus deze zijn souvereine macht op aarde in de geïnstitueerde f kerken uit?

Aan die vraag nu toegekomen, is in hoofdzaak slechts drieërlei antwoord mogelijk. Christus kan zijn gezag over de kerk uitoefenen: i", door Geest en Woord, 2", door het Ambt, en 3", door den Magistraat.

En al zijn nu deze drie lang niet altijd zuiver uit elkander gehouden, zoodat er ook allerlei vermengingen zijn voorgekomen, in hoofdzaak kan toch gezegd worden, dat alle stelsels ten deze op één van deze drie neerkomen.

Over Christus' regeering van zijn kerk door den Magistraat, hebben we thans niet breed uit te weiden.

Zij die dezen weg inslaan, bedoelen óf, dat Christus tevens Hoofd van het burgerlijk bestuur is, dat de Magistraat zijn dienaar is, en dat Christus door dezen, zijn dienaar, de kerk regeert. Zoo houden het tot op zekere hoogte de Lutherschen, die den vorst des lands tot hoofd der kerk maken. Of wel anders zóó, dat God Drieëenig souverein van staat en kerk is, en nu door zijn ambtdragers of overheden op aarde, wet en recht in zijn kerk bestelt. Op die lijn gingen de Remonstranten en de Staatschen ten onzent.

De Schotten, die de Vrije kerken stichtten, onder de leuze: Tlie headship of Christ, Christ our Captain, d. i. Christus in de kerk souvercin, protesteerden daarmede tegen de macht, die de heerlijkheden, onder parlementswet, in de kerk uitoefenden.

Ook ons verzet tegen de Koninklijke Be­ E sluiten van 1816 kwam op uit hetzelfde 1 e motief.

Koning Willem I had zich, door Duitsch-Luthersche denkbeelden bewerkt, aangesteld als hebbende in zijn hoedanigheid van souverein des lands recht oni ook in de kerk te bevelen.

Alle deze stroomingen en richtingen stem-) z men alzoo hierin overeen, dat ze, ook bij de erkentenis van Christus als Hoofd der kerk, den Magistraat, als met Goddelijk gezag bekleed, gerechtigd achten in de kerk te heerschen.

Er is dan nog wel verschil onder hen, in zoover de een zegt: Christus is aller ^^^.ffelijk Hoofd, en de Magistraat heerscht alleen in het uitwendige, terwijl de ander de magistraatsmacht rechtstreeks met Christus zelvcn in verband brengt, maar feitelijk komt beide toch op hetzelfde neer.

Een geheel ander standpunt wordt ingenomen door hen, die zeggen: Christus is het Hoofd der kerk, en oefent dit gezag op aarde uit door het ambt, nu niet als magistratuur, maar als kerkelijk ambt bedoeld. Op dit standpunt staat b.v, de Roomsche en de Engelsch-Episcopale kerk.

Ook de Roomsche kerk erkent met ons dat Christus in zijn kerk souverein is, maar ziet in, dat hiermede op zich zelf nog niets gezegd is, wijl Christus in den hemel is, en wij toch op aarde niet anders met dit gezag kunnen rekenen, dan waar het zich tastbaar op aarde in menschen belichaamt. In zoover is dit dan ook onbetwistbaar juist, en komt geheel met onze eigen belijdenis overeen.

En ook moet op zich zelf de mogelijkheid worden toegegeven, dat het Christus beliefd had, voor de uitoefening van dit zijn gezag één enkel ambtsdrager als orgaan te kiezen. In de dagen van Israels uittocht uit Egypte was Mozes zulk een ambtelijk orgaan voor den Goddelijken wil. En in de dagen des Nieuwen Verbonds hebben de Apostelen soortgelijk gezag in de kerken uitgeoefend. Wat wij betwisten is dan ook niet de mogelijklieid dat Christus het alzoo verordend had, maar wel het. feit dat hij dit aldus zou verordend hebben.

Dit echter houdt de Roomsche kerk staande. Ze acht, dat het apostolisch gezag niet met den dood der Apostelen is weggevallen, maar nog voortbestaat; dat dit apostolisch gezag culmineerde in Petrus; dat Petrus bisschop van Rome was toen hij stierf; en dat hij in die qualiteit dit gezag op zijn opvolger in het ambt heeft overgedragen. In de reeks van zijn opvolgers zou Sdat gezag dan steeds zijn voortgegaan, en alle overige bisschoppen en priesters zouden hun gezag ontleenen, ook aan Christus, maar door het orgaan van dit steeds voortlevend apostolisch gezag.

Hier is dus het ambt aanknoopingspunt, orgaan, trechter, of hoe ge het noemen wilt van het gezag dat Christus over zijn kerk uitoefent.

De Engelsch-Episcopale kerk leert nu datzelfde wel op andere wijze, in zoover zij de opvolging anders uitlegt; maar toch ook deze kerk houdt vast aan het ambt als orgaan, en bindt dat orgaan aan Christus door de opvolging der tijden, de suecessio temporis.

Ten deele gaat ook de Luthersche kerk hierin mede door haar stelsel van de dusgenoemde Ecclesia docens, d. i. van het leerambt als buiten de gemeente om over de gemeente gesteld.

Het derde standpunt eindelijk dat ten deze kan worden ingenomen is, dat Christus voor de uitoefening van zijn gezag over de kerk zijn aanknoopingspunt vindt niet in den Magistraat, en niet in het ambt, maar ia de geloovigen zelven.

Op dit standpunt stellen zich dan ook de Gereformeerden, en met hen de Dooperschett.

Tusschen beiden bestaat intusschen tweeërlei aanmerkelijk verschil.

Het eerste bestaat hierin, dat de Gereformeerden het ambt handhaven, en de Dooperschen het in beginsel verwerpen.

En het tweede daarin, dat de Gereformeerden de werkingen des Geestes aan /iet Woord gebonden verklaren, onderwijl de Dooperschen den band des Woordt ten slotte losmaken.

Ook hierin behoort scherp tusschen hetgeen mogelijk ware geweest, en hetgeen eitelijk zoo is, te worden onderscheiden.

Op zich zelf dient toegegeven, dat het alleszms denkbaar ware geweest, dat Christus zijn gezag had uitgeoefend door rechtstreeks op elk geloovige door zijnen Heiligen Geest in te werken. Immers er zijn dagen geweest in de tijden des Ouden Verbonds dat dit feitelijk zoo was. In de dagen der patriarchen is er geen synode, geen bisschop, geen kerkeraad, geen bijbel. Alle openbaring en inwerking is rechtstreeksch.

Wat we alleen ontkennen is, dat Christus het alzoo heeft ingesteld, overmits i', de werkingen des Heiligen Geestes onder het Nieuwe Verbond geen absoluut karakter vertoonen; 2", omdat er ambten zijn ingezet; en 3". omdat Christus ons zijn Woord ea in dat Woord zijn koninklijke wet ook voor zijn kerk heeft achtergelaten.

Op dien grond nu stelt de Gereformeerde belijdenis, dat Christus zijn gezag op aarde in zijn kerk uitoefent door zijn Geest en zijn Woord.

Door zijn Geest, want waar door den Heiligen Geest geen leven in de zielen is gewerkt, is niets dan het zondig natuurlijk leven, en is dus niet zijn kerk.

Worden daarentegen door den Heiligen Geest de zielen wedergeboren en verlicht, dan ontstaat macht en heerschappij van den Christus in en over deze personen.

Die heerschappij intusschen wordt niet individueel in elk persoon op zich zelf uitgeoefend, maar door de personen in onder' ling verband, als leden van één lichaam. Eu dan wordt die heerschappij uitgeoefend niet enkel onmiddellijk, maar ook middellijk. En vandaar de heerschappij van het Woord en de regeering van de gezamenlijke geloovigen door het ambt.

Aldus belijden wij het, omdat de Heilige Schrift het ons zoo leert, en de uitkomst het ons bevestigt.

De Heilige Schrift leert het ons aldus: i". omdat zelis Christus en zijn Apostelen zich aan het geiïag van de Heilige Schrift

des Ouden Testaments onderwierpen; 2°. omdat Christus zelf de ambten ingesteld heeft en bestendigt; en 3"*. omdat de Apostelen feitelijk optraden om alle persoonlijke wilkeur te beteugelen.

En ook wordt het ons door de ervaring bevestigd. Immers waar men buiten ambt en Woord op de werkingen des Geestes dreef, is het onvoorwaardelijk op misstand en verwarring en verbrokkeling en ten slotte op ongeloof, dwaling en onzedelijkheid uitgeloopen.

Dit nu zoo zijnde, hebben we dus met drie factoren te rekenen: x^.vsMsXhet Woord; 2^. met den Geest, maar met dien Geest als onderscheidenlijk werkende: a. in de geloovigen en b. ambtelijk door de ambtdragers (de sleutelen des hemelrijks).

En dit nu leidt tot de vraag: Waar ligt hier het uitgangspunt en laatste steunpunt? In het Woord ? In het ambt ? Of in de geloovigen ?

En hierop nu kan niet anders worden geantwoord dan in de geloovigen, omdat het de wedergeboorte is, die als de meest rechtstreeksche en onmiddellijke genadedaad van Christus de werking zijner kracht het zuiverst doet uitkomen.

Zegt men: Het uitgangspunt ligt in het ambt, —dan kan de daad van Christus in zijn geloovigen nooit tot zijn recht komen inde kerkregeering, en staan we ond^r menschen, overmits ook een goddelooze, gelijk Judas, het ambt kan bedienen.

Op allerlei wijs keert dan de hiërarchie terug.

En ook kan men niet zeggen, dat het laatste steunpunt in het Woord ligt, want het Woord eischt wetenschappelijke studie en uitlegging, en alzoo zoudt ge de gemeente brengen onder de heerschappij der •wetenschap.

Als wij dus zeggen, dat Christus op aarde zijn gezag uitoefent door de geloovigen, in wie hij door zijnen Heiligen Geest werkt; door deze geloovigen niet elk op zichzelf maar als eenheid; en wel zoo, dat de geloovigen gebonden zijn aan de instelling der ambten; en dat ambt en gemeente gebonden is aan het Woord; dan komt elk der drie factoren tot zijn recht, maar blijft het laatste steunpunt op aarde toch altoos daar, waar de Christus rechtstreeks werkt met zijnen Heiligen Geest.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 mei 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Verkiezing in het kerkelijke.

Bekijk de hele uitgave van zondag 23 mei 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken