Bekijk het origineel

Naschrift.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

Naschrift.

6 minuten leestijd

Hoezeer we onze reeks over de kerkelijke verkiezingen gesloten hebben, schijnt toch één punt nog nadere opheldering te behoeven.

Men verstaat wel, dat de souvereiniteit van Christus zich op aarde moet openbaren, en ook dat deze souvereiniteit over de kerk zich niet openbaart door den burgelij ken magistraat, maar over de tegenstelling tusschen openbaring door het ambt en in de geloovigen door Woord en Geest schijnt nog" onduidelijkheid te zweven.

Toch is het van overwegend belang, dat die onduidelijkheid wijke, en daarom ter nadere toehchting nog een kort woord.

Christus is in den hemel, en oefent zijn souverein gezag over de kerk uit van den troon des Vaders,

Dat doet hij: i". door de schikkingen van het Voorzienigheidsbestel; 2". door de rechtstreeksche werkingen van den Heiligen Geest; 3". door het Woord, dat als vrucht der bijzondere openbaring tot stand kwam; en 4". door het ambt.

Stel ik nu de vraag: Hoe kan ik op aarde dit ontwaren, dit merken, hiermee in aanraking komen, dan valt het eerste punt weg. Immers het Voorzienigheidsbestel wordt ons niet meer, als in de dagen der profeten toegelicht en in bijzonheden verklaard. Het is er wel, maar er is geen aanwijzing van, er is geen uitsluitsel over. De één zal op dit, de ander op een ander punt wijzen. De een zal in voorspoed een zegen, in verdrukking een straf zien, onderwijl de ander juist in dien zegen een verzoeking zal meenen te ontwaren, of ook in dat lijden een teeken, dat de Heere zijn kerk weer opzoekt. Immers juist in de dagen van lijden en verdrukking heeft de kerk geestelijk gebloeid.

Dat Voorzienigheidsbestel werkt alzoo wel, evengoed in ieders persoonlijk leven als in het lot van de geslachten, de steden, de dorpen, da volken en natiën; maar er is geen van God bestelde uitlegger, en zoo heeft men hier geen vastheid.

De werkingen des Heiligen Geestes brengen ons reeds verder, doch alleen voor wat de werkingen des Heiligen Geestes in de eigen ziel aangaat. Daaromtrent kan geloofszekerheid uitsluitsel geven. Komt het daarentegen aan op de beoordeeling van andere personen, dan leert Hebr, 6 op overtuigende wijze, hoe men zich vergissen kan, en belijdt onze kerk zelve, dat velen die dusver heiligen schenen, toch eens blijken zullen hypocrieten te zijn geweest.

Ook het Woord geeft wel terdege vastheid, maar dat Woord mag niet buiten de prediking, buiten de studie, buiten de gemeenschap der heiligen worden genomen, als een boek, dat geïsoleerd voor mijn ziel ligt, en mij van alle verdere gemeenschap ontslaat. Dan toch zou de Schrift de kerk opheffen en niet bouwen,

In aanraking, in rechtstreeksche aanraking met het gezag van Christus te komen is er alzoo alleen indien ik in levenden lijve ambtsdragers voor mij zie, die van Christuswege met gezag bekleed zijn, en dit gezag in de kerk uitoefenen.

Dit is dan ook de waarheid die in het Roomsche stelsel en in het stelsel van de Episcopale kerk schuilt.

Doch hiermede zijt ge er nog niet.

Een ambtsdrager is in zijn persoon als ieder ander mensch, en zal ik zijn gezag als gezag Christi aanvaarden, dan behoor ik ook te weten, wat waarborg ik bezit, dat hij niet in schijn, maar werkelijk door Christus met dat gezag bekleed is,

Hoe nu is dit uit te maken?

En dan zegt de één: Christus droeg dat gezag aan zijn apbstelen op, die aan hun opvolgers, deze 'opvolgers weer aan hun opvolgers, en zoo is het aan hem gekomen.

Zoo zal het dan hangen aan historisch bewijs.

En over achttien eeuwen zal men hebben na te gaan, of van geslacht op geslacht, werkelijk die overdracht van gezag steeds wettig en naar eisch heeft plaats gehad.

Dit nu is juridiek onmogelijk, uit gemis aan de noodige bewijsstukken, en is voor elk geloovige onmogelijk, omdat hij tot zulk onderzoek niet in staat is.

Langs dien weg komt men dus tot geen zekerheid, en slaat men dan toch dien weg in, dan zijn het deze ambtdragers, omtrent wie men geen genoegzame zekerheid bezit, die feitelijk de kerk uitmaken.

Zij toch ontvingen dan eerst langs de verticale, en sinds langs de horizontale lijn, hun gezag uitsluitend van den Christus.

In hen is zijn gezag, en wij hebben niets anders te doen, dan ons aan dat buiten ons staande gezag te onderwerpen.

En daarom nu is het, dat de Gereformeerde kerk de gemeenschap der heiligen wel aan de ambten, en beide ambt en gemeente wel aan het Woord bindt, maar als uitgangspunt steeds teruggaat op de rechtstreeksche werking van Christus door den Heiligen Geest in de gemeente.

Die werking van den Heiligen Geest in den persoon, is de wederbarende, geloofwerkende, tot bekeering leidende, heiligmakende actie, die in ons en om ons heen, die alle eeuwen door plaats grijpt.

Zij is de werking, die we in ons zelven persoonlijk gevoelen, en die inwerkt op den wijsgeer en op den onnoozele, op den geleerde en den ongeleerde, op den arme en op den rijke, op man en vrouw, op kind en op bejaarde.

Zij brengt alzoo rechtstreeks met > Christus in den hemel'' in aanraking. Het is zijn daad in menschen. Zijn telkens nieuwe, zijn altoos voortgaande daad.

Slechts staat men hierbij bloot aan het gevaar dat schijn bedriege, of zelfmisleiding voor wezen doe aanzien wat slechts vorm is. De Dooperschen hebben het ervaren.

En daarom nu is het, dat deze rechtstreeksche werking van Christus onder menschen gebonden ligt aan het ambt.

Het is het ambt, dat de eenheid in de veelheid handhaaft, en de willekeur van de enkele geesten bindt aan regel en tucht.

En ook, opdat tusschen de geloovigen en het ambt geen wanverhouding opduike door ambtswillekeur, zijn beide gebonden aan het Woord, en hebben in dat Woord, als het Woord Christi, de beslissende macht te eeren, die gedingen uitwijst.

Zoo is er door levende werking verband, Christus werkt rechtstreeks door de werking van zijnen Heiligen Geest, en zoo komen de geloovigen op. Uit de actie der geloovigen komt de aanwijzing van de personen voor het ambt. Deze nu in het ambt zijnde, ontvangen het gezag niet van de gemeente maar van Christus, en hebben alzoo recht van oordeel over de gemeente. Maar ook dat recht van oordeel is niet absoluut, doch gebonden aan het Woord van Christus, en zoodra het dit Woord verzaakt, geen ambt meer.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 mei 1897

De Heraut | 4 Pagina's

Naschrift.

Bekijk de hele uitgave van zondag 30 mei 1897

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken